Welkom op Schijndelwiki - de encyclopedie voor Schijndel

U kunt ons steunen door lid van de Heemkundekring Schijndel te worden.

Klik HIER om lid te worden

Iedere dinsdagochtend zijn wij tussen 9 en 12 uur in de heemkamer: Cultureel Centrum Spectrum, Steeg 9 g, Schijndel.

De Zusters van Liefde van Schijndel

Uit Schijndelwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Zusters van Liefde van Schijndel [1]

Wel en wee rond de beginjaren van de congregatie van de Zusters van Liefde[bewerken | brontekst bewerken]

Wel en wee rond de beginjaren (1836-1861)

Brabant aan het begin van de 19e eeuw.[bewerken | brontekst bewerken]

De stichting in de jaren 1797-1848 van enige tientallen zuster- en broedercongregaties in en buiten Brabant komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Het klimaat is dan dusdanig, dat menig kerkelijk leider nieuwe mogelijkheden overweegt, om met name de schrikbarende nood van een omvangrijke onderklasse in de samenleving te helpen oplossen. Wat in die periode speelt, zowel in de steden als op het platteland, is o.a. bittere armoede, vaak levenslange werkeloosheid, gebrek aan elementair onderwijs, verkrotte huisvesting, sociale uitstoting, epidemieën en de nodige gezinsproblemen. Om bij de vrouwelijke kloostergemeenschappen te blijven…..de gemeenschap van de Zusters van Liefde te Schijndel (1836) is een van die stichtingen.
Wat is er allemaal gaande in dit gebied. Laten we even teruggaan naar de komst van de Fransen in 1794. Twee belangrijke stromingen beheersen het denken in die tijd nl. de patriotten, die als het progressieve deel van de bevolking sympathiseren met de ideeën van de Franse Revolutie uit 1789 en de prinsgezinden, die trouw willen blijven aan Oranje. De scheidingslijn van die twee groeperingen loopt als het ware dwars door de godsdiensten heen. Toch brengen de nieuwe revolutionaire denkbeelden niet wat men er van verwacht had. De Fransen beschouwen ons land min of meer als bezet gebied en we worden niet behandeld als geestverwanten in denken en doen. In 1810 wordt Nederland ingelijfd bij Frankrijk. Op het moment dat de machtige Napoleon in Rusland wordt verslagen begint men hier weer te roepen om Oranje. De gevluchte stadhouder Willem V arriveert in 1813 in Den Haag en zal later koning Willem I worden. Iemand met moderne ideeën, maar hij blijkt erg autocratisch ofwel eigenmachtig en misschien wel eigenzinnig te regeren, het type van de alleenheerser. Zijn houding ten aanzien van kloosters en kloosterleven manifesteert zich in het feit dat hij de religieuzen in de oude overgebleven kloosters van vóór de Franse Tijd wel toestaat om bij elkaar te blijven wonen, maar het dragen van een habijt of kloosterkleding verbiedt hij. Bovendien mag men geen nieuwe kloosterlingen aannemen. Kortom….hij propageert een uitstervingsbeleid.
Dat houdt de gemoederen bezig. Vooraanstaande katholieken en kerkelijke leiders proberen op een of andere manier de huidige wetgeving te ontduiken en gaan over tot stichting van, zoals men ze noemde, lokale associaties van juffrouwen, die vooral worden ingezet voor onderwijs en verpleging. Ze leggen geen kloostergeloften af en dragen ook geen kloosterhabijt. Men zou kunnen zeggen, dat het niet meer zijn dan religieus geïnspireerde gemeenschappen van leken. Dat is grofweg de concrete situatie vóór het aantreden van koning Willem II in 1840. Een van de markantste kerkelijke voortrekkers in die tijd is zonder meer monseigneur Zwijsen geweest, die ook lokale pastoors inspireert om mee te werken aan de stichting van zuster- en broedercongregaties. De parochiepriesters in die tijd voelen de sociale noden binnen hun eigen parochie sterk aan en nemen initiatieven om vrouwen in te schakelen om die noden te lenigen. Tijdens de regeringsperiode van koning Willem II volgen diverse mannelijke kloostergemeenschappen.

Pastoor Antonius van Erp een gedreven man met visie.[bewerken | brontekst bewerken]

Een van de lokale pastoors in Brabant die de oproep van monseigneur Zwijsen volgt is de Schijndelse pastoor Antonius van Erp (1797 – 1861). Hij manifesteert zich tijdens zijn pastoraat als een zorgzame vader, met een uitdrukkelijke voorliefde voor het wel en wee van de jeugd, met name de vrouwelijke jeugd. Zijn basisregel in deze is…. ‟worden de meisjes godsdienstig opgevoed, dan zal de gansche maatschappij goed en godsdienstig zijn. Dezen immers worden later huismoeders en brengen als van zelf den goeden geest van vroomheid op hare gezinnen over‟.
Op dat moment kent Schijndel slechts een openbare school onder leiding van de ijverige protestantse meester Kaub, bedoeld voor zowel de mannelijke als de vrouwelijke jeugd. Het is een uitvloeisel van het Franse bewind, waaronder in 1806 een schoolwet wordt aangenomen.
Men omschrijft de onderwijsdoelstelling van die dagen als „opvoeding tot maatschappelijke en christelijke deugden‟. Vanwege de bestaande geloofsverdeeldheid in ons land acht men het van het grootste belang dat het onderwijs neutraal blijft. Godsdienstonderricht op scholen is te enen male verboden. In 1833 wordt het oude schoolgebouw op het parochiekerkhof verkocht aan pastoor van Erp, die het laat afbreken. Inmiddels heeft de gemeente al een nieuwe school gebouwd aan de Hoofdstraat of Grote Straat. Van bijzonder onderwijs voor de katholieke jeugd is dus op dat moment in Nederland formeel nog geen sprake, iets wat pastoor Van Erp nu juist op het oog heeft. Hij zint daarom op mogelijkheden om met name meer grip te kunnen krijgen op de vrouwelijke jeugd. Dat is hem veel waard. Nu is er wel in die dagen een mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een bijzondere school op te richten, maar die wordt dan niet door het rijk gesubsidieerd. Pastoor van Erp laat zich, in al zijn gedrevenheid en onverwoestbaar streven naar katholiek onderwijs, die kans niet ontnemen en begint actie te voeren om op een of andere manier de vrouwelijke jeugd een eigen vorm van onderwijs aan te kunnen bieden.

Brevieren en een brei- en catechismusschool.[bewerken | brontekst bewerken]

Gedachtenisprentje van Maria Anna van Erp een jongere zus van pastoor Van Erp die al vóór de stichting van de congregatie in het breischooltje werkte dat toen gevestigd was in de bakkerij van Wouter van den Berg in de Hoofdstraat

Volgens de overlevering doet in die dagen in Schijndel het verhaal de ronde, dat pastoor Van Erp graag zijn brevier bad in de tuin van een zekere Wouter van den Berg, een van de Schijndelse bakkers in de directe omgeving van de toenmalige Laagstraat.
Uit de gegevens over de historie van het Petrus Donders Weeshuis is duidelijk geworden, dat Wouter van den Berg in de Hoofdstraat een bakkerij zou hebben. Restanten daarvan hebben tot 1977 deel uitgemaakt van het weeshuiscomplex. Ook zou er een doorgang geweest zijn van het weeshuis rechtstreeks naar het moederhuis. Is dan misschien de kloostertuin zo uitgebreid geweest dat die grensde aan de tuin van het latere weeshuis?
Na het brevieren maakt de pastoor blijkbaar een gemoedelijk praatje met bakker Van den Berg. Op zekere dag vraagt hij hem om een gunst waar de bakker heel verbaasd van opkijkt nl. om voor halve dagen zijn bakkerij te verhuren. Wouter begrijpt het voorstel nauwelijks, totdat pastoor Van Erp zijn ideeën over een toekomstige meisjesschool ontvouwt. Hij heeft dan al de toezegging van twee dames, die bereid zijn een deel van de opvoeding der meisjes op zich te nemen. Het zijn de zus van de pastoor Maria van Erp en een zekere Helena van den Endepoel. Aangenomen mag worden dat de laatste de dochter is van Pieter van den Endepoel, een rentenier, die een huis en erf bezit van de 6e kwaliteitsklasse en als de buurman van de roomse pastorie bekend staat. Hij woont op kadastraal perceel D 124.
Om de wetten van de liberale landsregering te omzeilen kiest de pastoor voorlopig voor twee vakken nl. handwerken en godsdienst. In een uiterst primitief schoollokaal, de bakkerij van Wouter van den Berg, is dus de brei- en catechismusschool van start gegaan en wel enige jaren voor dat de congregatie gesticht werd. Iedereen is enthousiast. De jubelstemming slaat echter plotseling om in intense droefheid. Maria van Erp, de meesteres van het eenvoudige breischooltje, wordt zwaar ziek en overlijdt al op 4 april 1833, slechts 24 jaren oud. Op haar gedachtenisprentje staat een merkwaardige gedachte geformuleerd, die mede de zwaarte van dit werk illustreert: „Mijn ijver voor de kinderen der behoeftigen heeft mij doen uitteeren‟.
Een zwaar verlies, temeer omdat zich steeds meer kinderen aanmelden. Het werk groeit juffrouw Van den Endepoel boven het hoofd en het lokaal is in feite te klein voor de opvang van zoveel leerlingen. Gelukkig slaagt pastoor Van Erp erin om een ijverige vervangster te vinden voor zijn zus. In Schijndel woont in die dagen een welgestelde, goed roomse familie nl. de familie Gijsbert van der Kant, evenals Van den Berg een bakkersfamilie, wonende in een huis van de 6e kwaliteitsklasse op kadastraal perceel D182 in het centrum nabij het Kerkstraatje, ter hoogte van de huidige winkel van bakkerij Toelen. Diens dochter Helena treedt aan als assistente van Helena van den Endepoel en meteen wordt een splitsing aangebracht: de oudste meisjes blijven onder leiding van juffrouw Van den Endepoel in het bakkerijlokaal en de jongsten worden onderwezen in een van de kamers van de pastorie.
Diep in zijn hart is pastoor Van Erp toch niet geheel tevreden, ondanks het fantastische werk van de beide dames. Het is immers zijn allergrootste wens om met name religieuze leerkrachten naar Schijndel te halen. Enigszins jaloers zal hij geweest zijn op pastoor Zwijsen te Tilburg, die in 1832 een congregatie van liefdezusters weet te stichten nl. de Zusters van Liefde aan de Oude Dijk te Tilburg.
Dat motiveert de Schijndelse herder om ook voor Schijndel in die richting krachtdadig acties te ontplooien. Wat zou het mooi zijn, als hij ook het dorp Schijndel zou kunnen verblijden met de stichting van een kloostergemeenschap van liefdezusters. In zijn contacten met collega Zwijsen zal dit vaak onderwerp van gesprek geweest zijn.

Een droom verwezenlijkt.[bewerken | brontekst bewerken]

De historische prent die destijds door tekenleraar Jos Zeegers is gemaakt van de overtocht van Mieke de Bref van Boxtel naar Schijndel

Al mijmerend over de mogelijkheden dwalen zijn gedachten af en denkt hij terug aan de tijd toen hij kapelaan te Boxtel was. Hij herinnert zich een zekere Mieke de Bref, die al eens het verlangen heeft geuit kloosterling te willen worden. Misschien is zij wel voorbestemd voor de Schijndelse congregatie en door God geroepen. Nu doet zich echter een netelig probleem voor, want de oom van Mieke schijnt ernstig ziek te zijn en wordt juist door haar verpleegd.
Gelukkig bieden zich Schijndelse inwoners aan om de zorg voor deze dierbare oom, Martinus de Bref, op zich te nemen, tot het moment dat de nieuwe zusters het konden overnemen. Dat is voor pastoor Van Erp een uitstekende oplossing.
Enige tijd later komt een Brabantse huifkar voorrijden bij de oude pastorie. Mieke de Bref met haar ziekelijke oom, voor wie de hobbelende tocht Boxtel-Schijndel misschien wel een hel is geweest, arriveren op Schijndelse bodem. In de kronieken van de congregatie wordt gesproken over de vader van Mieke, maar dit blijkt dus niet correct te zijn. Nader archiefonderzoek heeft overduidelijk aangetoond, dat de vader van Mieke al sinds 1827 was overleden. Het tweetal wordt hartelijk ontvangen. Ze blijven er tot aan het voorjaar van 1835. Dan vindt er een emotioneel afscheid plaats tussen deze oom en zijn nicht. Mieke, die inderdaad te kennen heeft gegeven kloosterlinge te willen worden, dient daarop grondig voorbereid te worden. De pas gestichte zustercongregatie te Tilburg is de aangewezen plaats, onder de vleugels van pastoor Zwijsen, die inmiddels al de nodige ervaring heeft in het voorbereiden van zusters op het kloosterleven. Mieke moet haar zieke oom achterlaten en overlaten aan de zorg van anderen. Ze krijgt in Tilburg haar opleiding van zuster Michaël, de novicemeesteres. De novicen zijn degenen die aan het begin van hun kloosterleven staan en nog geen geloften hebben afgelegd. Pastoor van Erp heeft zelfs al een zeer toepasselijke naam voor zijn „eerste zuster‟ bedacht nl. zuster Vincentia, genoemd naar de 16de-eeuwse stichter van liefdezusters Vincentius à Paulo. Gelukkig krijgt zij enige maanden later gezelschap van een medenovice in de persoon van zuster Rosalia de Leijer uit Sint Oedenrode. De basis voor de Schijndelse kloostergemeenschap is gelegd en in Tilburg zijn de beide novicen in zeer goede handen om zich terdege te kunnen voorbereiden op hun leven als religieus en hun dienende taak in de Schijndelse gemeenschap. Op 15 april legt zuster Vincentia de Bref haar kloostergeloften af. Intussen zit pastoor Van Erp niet stil. Hij laat in 1836 een nieuwe pastorie bouwen aan de huidige Vicaris van Alphenstraat, want de oude pastorie is voorbestemd als eerste onderkomen voor de Schijndelse zusters.

De stichting van de congregatie is een feit .[bewerken | brontekst bewerken]

Op 31 oktober 1836 keert zuster Vincentia terug uit Tilburg, in gezelschap van de Tilburgse zuster Joseph, die haar de eerste tijd verder zal begeleiden. De aankomst gaat als een lopend vuurtje door het dorp en nieuwsgierigen komen in de Servatiuskerk kijken naar de beide zusters, die in het priesterkoor neergeknield zijn, gekleed in een eenvoudig maar stemmig kloostergewaad. Ze zullen, voor het hoofdaltaar gezeten, gebeden hebben om Gods rijke zegen over het werk wat ze moeten beginnen binnen de Schijndelse samenleving. Daarna blijven de zusters op de nieuwe pastorie, tegenover de Servatiuskerk gelegen, overnachten om daags daarna hun definitieve intrek te nemen in de oude pastorie aan de toenmalige Heikantstraat, de eerste huisvesting van de zusters. De stichting van de congregatie van de Zusters van Liefde te Schijndel is per 1 november 1836 een feit, tot vreugde van velen! In de eerste kloosterregel van de zusters staat een tekst die hieraan herinnert, als de oude, lege pastorie als volgt staat omschreven: “Slechts één uwer betrok op Allerheiligendag van het jaar 1836 dit huis, waarin genoegzaam niets gevonden werd”.

Fragment van de kadasterkaart D1 van het centrum van Schijndel anno 1832.
Prent met als opschrift: „Gezicht op de noord-oostzijde der straat van de gebouwen anno 1836 thans hoofdgebouw en eindgevels van ‟t gesticht van liefdadigheid te Schijndel‟…. Deze afbeelding is, volgens oud-burgemeester P.A.Verhagen, gemaakt van een plattegrondtekening en naar een nauwkeurige schets der gebouwen en beplantingen zoals een en ander zich in 1836 vertoonde. Alle gebouwen zijn in 1884 en vroeger geheel gesloopt en door doelmatige nieuwe inrichtingen vervangen, aldus de oud-burgemeester.

In de geest van Vincentius á Paulo.[bewerken | brontekst bewerken]

De jonge congregatie, die aanvankelijk de naam „Zusters van Liefde van Jezus en Maria, Troosteres der Bedrukten‟ meekrijgt, zoals geformuleerd in het oudste regelboek, verandert al snel van naam. In 1842 wordt het officieel „Congregatie der Zusters van Liefde van Jezus en Maria, Moeder van Goeden Bijstand‟. Deze naam is gebleven tot op de dag van vandaag.
Een kloosterinstelling zonder kloosterregel is niet denkbaar. Zo’n kloosterregel geeft duidelijk richting aan wat de kloosterlingen zelf voor ogen hebben. In die tijd wordt een heel sterk accent gelegd op datgene wat Vincentius à Paulo in zijn tijd als basis had genomen voor zijn stichtingen van vrouwelijke religieuzen. De oorspronkelijke doelstelling van de congregatie was „de heiliging van haar leden en de dienst aan de naaste door de beoefening van de verschillende liefdewerken‟. Men kiest dan het devies Ora et Labora, zoals dat nu nog prijkt boven de hoofdingang van het moederhuis…..Bid en Werk, wat ook terugkomt in de wapenspreuk van de congregatie!
Of kort gezegd…..voor het werk voor de naasten is het van belang dat je een serieus kloosterleven leidt, een leven van regelmatig gebed en van gemeenschappelijke bezinning op je doelstellingen.
De kloosterstichters zien dit als algemene basis voor elke kloosterinstelling. Een concrete invulling vindt men in die dagen, zoals al gememoreerd, in de spiritualiteit of geestelijke beleving van een aantal grondwaarden zoals Vincentius à Paulo die geformuleerd had. Hij spreekt van een liefde tot God en een liefde tot de mensen, die hij ziet als een twee-eenheid. Ze liggen in elkaars verlengde. Dat basisprincipe innerlijk beleven en uitdragen leidt tot een optimale verkondiging van de evangelische waarden.

De eerste school geopend.[bewerken | brontekst bewerken]

Onder het regime van koning Willem I is het allesbehalve eenvoudig voor religieuzen om een vergunning te krijgen om de jeugd te onderwijzen. Men beschouwt de actieve kloosterlingen min of meer als „staatsgevaarlijke wezens‟ die het volk met hun „paapse godsdienst‟ zouden vergiftigen.
De grondwetten van 1814 en 1815 propageren weliswaar vrijheid van onderwijs voor de katholieken, maar in werkelijkheid is het met die vrijheid treurig gesteld. Veel leerkrachten en veel onderwijsinspecteurs zijn van gereformeerde huize. De leerboeken worden door de staat vastgesteld. Ondanks dat……pastoor Van Erp schrikt niet zo gauw terug voor mogelijke moeilijkheden, houdt hij vast aan zijn voorgenomen plannen. Er is zelfs al een school gebouwd bij het beginnende klooster en de stichter weet een vergunning te krijgen, om aan kinderen van armen en onvermogenden onderwijs te mogen geven in lezen, schrijven en rekenen. Daar is overigens wel de nodige correspondentie aan voorafgegaan via het Schijndelse gemeentebestuur, dat al in februari 1837 een voorstel had ingediend tot oprichting „eener vrouwelijke school‟. Naast de bestaande openbare school blijkt men de behoefte te voelen aan een tweede school. Hierop reageert schoolopziener Bowier, dat binnen de volkrijke gemeente Schijndel slechts één openbare school functioneert, gebouwd voor zo’n 500 kinderen, maar dat veel kinderen die verder van de kom van het dorp wonen gebruik schijnen te maken van schooltjes te Eerde, Gemonde, Dinther, St. Michielsgestel, Den Dungen en Middelrode. Hij trekt de noodzaak van een tweede school in twijfel, suggereert de gemeente zelfs om de toelage van de onderwijskracht aan de openbare school te verhogen, zodat die een of meer ondermeesters kan aanstellen op basis van de bestaande reglementen. Mocht een tweede school werkelijk nodig zijn, dan pleit hij ervoor die op te richten in het Wijbosch waar zo’n 100-tal gezinnen wonen. Bovendien merkt hij op, dat het stichten van een andere school in de nabijheid van de openbare school nadelig zal zijn voor de bestaande school en het daar functionerende onderwijzend personeel en stemt in wezen tegen! Op 24 maart 1837 volgt een reactie van Gedeputeerde Staten. In dit schrijven wordt een aardige analyse gegeven van de concrete situatie. Zo wordt o.a. gesteld, dat naast het gemeentebestuur, ook alle weldenkende ingezetenen er meer en meer van overtuigd raken „hoezeer grotendeels de opvoeding der kinderen van het vrouwelijk geslacht en bijzonder van de behoeftige volksklasse wordt verzuimd‟. Die meisjes kunnen uiteraard wel gebruik maken van de bestaande gemeenteschool, maar ze blijven dan toch nog verstoken in onderwijs in de „nuttige vrouwelijke handwerken‟. Ook voor meisjes van bemiddelde ouders is het van het grootste belang, dat zij binnen de gemeente alle gelegenheid vinden „om de handwerken van hunnen staat te kunnen aanleren, te meer daar weinige ouders in staat zijn hunne kinderen op eene kostschool buiten de gemeente uit te besteden‟. Dat is de reden waarom het gemeentebestuur van Schijndel een krachtig verzoek heeft ingediend tot oprichting van „eene vrouwelijke school voor kinderen van het vrouwelijk geslacht‟. Op 6 april 1837 krijgt pastoor Antonius van Erp een brief van het gemeentebestuur, dat hem op de 24e maart toestemming is gegeven om te Schijndel „een vrouwelijke school voor het lager onderwijs in de taal en vrouwelijke handwerken‟ op te richten nl. kosteloos voor kinderen van armen en onvermogenden en dat men van bemiddelde ouders een „matige beloning‟ mag vragen. Tevens doet men het voorstel in overleg te treden met de schoolopziener van het 1e district de heer Bowier. In een schrijven van 7 juli 1837 spreekt men van een „bijzondere school der 2e klasse voor kinderen van het vrouwelijk geslacht‟. Die stap heeft pastoor Van Erp al vast gezet. Als enigste sollicitante voor de nieuwe school meldt zich Anna Maria de Bref. Zij wordt aan een examen onderworpen. De slotconclusie is, dat zij „proeven heeft gegeven van genoegzame bekwaamheid en geschiktheid ter behoorlijke vervulling van den post van schoolhouderesse‟. Zuster Vincentia de Bref krijgt hierdoor de titel van „schoolhouderes en onderwijzeres in de Ned. Taal‟. Wel wordt haar te verstaan gegeven, dat ze op haar school slechts kinderen mag toelaten die de koepokinenting hebben ondergaan of de kinderziekte gehad hebben. Inmiddels is ook zuster Rosalia de Leijer vanuit Tilburg te Schijndel teruggekeerd en beide zusters openen de eerste zustersschool van Schijndel. Een volkomen nieuwigheid voor de Schijndelse bevolking van die dagen, die gewend is aan een vorm van neutraal onderwijs en de school van meester Kaub had geen slechte naam. Een directe behoefte aan godsdienstig of rooms onderwijs bestaat onder de bevolking op dat moment niet bepaald. Waarom dan Schijndelse meisjes naar de nieuw gestichte zustersschool sturen, zal men gedacht hebben. Voor naaien en breien kan men er zich nog wel iets bij voorstellen, maar de rest van de vakken zijn bij meester Kaub tot op heden in goede handen geweest. Dat pastoor Van Erp vanaf de preekstoel andere ideeën verkondigt en de kerkgangers probeert op andere gedachten te brengen en tot nieuwe inzichten over te halen, zal men in eerste instantie rustig aanhoort hebben.

Nieuwe aanmeldingen voor de jonge stichting.[bewerken | brontekst bewerken]

Zuster Rosalia legt op 27 november 1836 haar kloostergeloften af. Wat de stichter niet had durven dromen is dat zich al vrij snel meerdere postulanten aanmeldden na de opening van de eerste school. Een postulant is een zuster die aan een proeftijd begint, die voorafgaat aan het noviciaat. In die tijd beschikt de jonge stichting nog niet over een eigen kapel. Wie zich aanmeldt krijgt voorlopig in de Servatiuskerk een lange zwarte falie omgehangen, zoals Brabantse vrouwen die maakten voor begrafenissen en andere plechtigheden. Na de misviering in de parochiekerk, trekt men zich weer terug in het eenvoudige kloostercomplex op de Lochtenburg. Enige weken later krijgen de jonge postulanten dan een kloosterhabijt uitgereikt. Dat is in die dagen redelijk revolutionair van pastoor Van Erp. Hij volgt hiermee het voorbeeld van zijn collega Zwijsen uit Tilburg. Die heeft ook de Zusters van Tilburg vanaf het begin de kleding laten dragen die zuster Michaël Leijsen vanuit Hoogstraten had meegebracht. Eigenlijk wordt religieuze kleding pas officieel toegestaan als koning Willem II in 1840 aantreedt. Om echter de Schijndelse van de Tilburgse zusters te kunnen onderscheiden, zijn enige kleine veranderingen in de kloosterkleding aangebracht. De Schijndelse zusters gaan de rozenkrans aan de rechterkant dragen en het grote scapulier laat men zowel aan de voorzijde als de achterzijde tot op de grond afhangen.
Een nijpend probleem dat zich voordoet is de financiële armslag. De postulanten komen vooral uit arme en minvermogende gezinnen en de schoolgelden blijven aan de lage kant. Soms wordt het gecompenseerd door giften van welgestelden van buiten. De situatie is op sommige momenten zo schrijnend, dat pastoor Van Erp zelf letterlijk „de boer op gaat‟ om hout, koren, aardappelen en wat men nog meer nodig had. Rond 1900 hebben oudere zusters van toen een tipje van de sluier opgelicht door te verklaren, dat op de eettafel noodgedwongen half gebroken bordjes en kommetjes of saus- en melkkannetjes zonder oor te voorschijn kwamen. De levenswijze moet behoorlijk streng zijn geweest en het aantal vastendagen was fors. Zelfs bij het ontbijt was geregeld dat men slechts één zwarte en ¼ snee wittebrood mocht nemen. Dit zal er wel aan bijgedragen hebben, dat diverse zusters fysiek in de problemen zijn gekomen, omdat de werkzaamheden overdag behoorlijk zwaar zijn geweest. In de wintermaanden gebeurt in die beginperiode veel bij kaarslicht en liefst met veel zusters in één ruimte, zodat ook de voorraad kaarsen niet te snel op raakt. Overigens…..de toeloop van veel leerlingen voor de zustersschool verloopt niet helemaal naar de wens van pastoor Van Erp. Hij gaat een andere koers varen. De Schijndelse bevolking aanhoort de predicaties van de pastoor geduldig, maar massaal hun kinderen naar de zustersschool laten gaan….dat gebeurt niet. Hij pakt het ineens fanatieker aan en verkondigt op een zondag van de preekstoel het volgende: “Al de meisjes, die niet vanaf overmorgen tot aan de Eerste Communie de school der zusters hebben bezocht, zullen onverbiddelijk van dit geluk worden uitgesloten. Ook kinderen beneden de zes jaar kunnen, zowel jongens als meisjes, in de bewaarschool worden opgenomen”.
Dat slaat bij de gemeenschap in als een bom. Sommigen beschouwen het zelfs als een soort dwangbevel. De Eerste Communie, toentertijd op 11 of 12-jarige leeftijd, niet mogen doen is in die tijd ondenkbaar. De annalen verhalen dat de vrouwelijke afdeling van de school van meester Kaub sterk was verminderd, zelfs enige protestantse meisjes en Jodinnetjes komen na die zondag vriendelijk afscheid nemen. De bel van het klooster staat niet stil en er worden heel wat „deurskes‟ aangemeld. In 1840 wordt de zustersschool vergroot, uitgebreid met enige lokalen en officieel ingewijd. Een welluidende feestgroet wordt geschreven. In het dorp zijn vlaggentooien en erebogen te bespeuren en ziet men versierde straten en woningen.
In 1840 wordt de zustersschool vergroot, uitgebreid met enige lokalen en officieel ingewijd.

Accent op de geestelijke zorg voor de zusters.[bewerken | brontekst bewerken]

Zuster Seraphine van Heretum zoals ze is afgebeeld op het grote schilderij in de hal van het moederhuis.
In de hal van het moederhuis hangt dit prachtig schilderij van de officiële uitreiking van de kloosterregel door de stichter, geschilderd door kunstenaar L. van den Wildenbergh.
Gevel van het gasthuis dat rond 1935 is omgebouwd tot huishoudschool en bij de laatste twee ramen had men de refter of eetzaal der postulanten gevestigd

Naast het uitbreiden van de activiteiten voor de Schijndelse gemeenschap van die dagen is de stichter toch enigszins bezorgd over het geestelijk welzijn van de jonge kloosterlingen. Hoe vindt hij samen met de zusters de juiste balans voor zijn devies Ora en Labora….bid en werk. Zuster Vincentia de Bref heeft de verantwoordelijke taak op haar schouders gekregen om vooral de aankomende religieuzen, die dan nog novice zijn, in te leiden in het geestelijk leven, dat als basis dient voor alle zorgtaken naar buiten. Zij is novicemeesteres en leidt dus het noviciaat. De term „novice‟ behoeft enige uitleg. Meisjes die als postulanten overstappen op het noviciaat gaan als het ware een proefjaar in, alvorens de „kleine geloften‟ af te leggen. De novicemeesteres legt o.a. een groot accent op de inhoud, achtergronden en de consequente naleving van de kloosterregel. Gebed, bezinning en meditatie spelen een grote rol in het leven van de zusters en daarin ingroeien vraagt een goede begeleiding. Na het proefjaar wordt dan beoordeeld of die jonge vrouw wel geschikt zal zijn voor continuering van haar kloosterleven. In de annalen staat, dat zuster Vincentia als basisregel hanteerde: “Niet het vele is goed, maar het goede is veel”. Met andere woorden….voor haar gaat in de opleiding van de jonge religieuzen de kwaliteit boven de kwantiteit en zelf is ze vooral „het levend voorbeeld van stipte plichtsbetrachting en getrouwheid aan de constituties of regelgeving.!

Zowel de stichter als de eerste zusters hebben uiteindelijk maar één centraal doel nl. een hecht fundament aan te brengen onder hun nieuwe stichting. Op 10 december 1841 wordt ook een juridische en wettelijke basis gelegd doordat men, ter verkrijging van een rechtspersoonlijkheid, spreekt van een „Associatie‟ onder de „firmanaam‟ A.M. de Bref en Compagnie. Uit niets moet men kunnen afleiden dat het om een groep religieuzen gaat. Het is een zakelijke overeenkomst die gesloten wordt, voor het klimaat in die dagen acceptabel. Maar het stevigste fundament onder de congregatie is natuurlijk de kloosterregel zelf, ook aangeduid met de term „Constitutie‟. Aanvankelijk is er een geschreven regel in gebruik, die nog ongedateerd is en geen officiële goedkeuring heeft gekregen.
Kort samengevat schrijft pastoor Van Erp voor de zusters van Schijndel het volgende:

De Zusters van Liefdadigheid van Jezus en Maria de troosteres der bedrukten, gevestigd te Schijndel in het voormalige Bisdom van ‘s-Hertogenbosch en verenigd in het H. Hart van Jezus, zullen onder de bescherming van de H. Maagd Maria en van de H. Vincentius à Paulo het beschouwende leven voor zoo ver, voor zoo veel het hunne pligten zullen toelaten, verenigen met het werkzame leven, dat zal bestaan:
  1. in het dienen van zieken zonder onderscheid, zoo in hun klooster, als buiten hetzelve, in de gemeente in het welke zij gevestigd zijn; zij zullen nogtans door hare overheid ook buiten de gemeente ter verzorging van zieken kunnen gezonden worden.
  2. in verzorging van oude vrouwen in hun huis.
  3. in het houden van school voor arme en minvermogende meisjes, waartoe ook meisjes van vermogende ouders kunnen worden toegelaten”.

In 1842 stuurt Johannes Zwijsen een gedrukt exemplaar naar collega Van Erp in Schijndel en op 2 juli van dat jaar nl. de feestdag van O.L.Vrouw Visitatie, ontvangt de stichter via de toenmalige bisschop Henricus den Dubbelden de kerkelijke goedkeuring, met tevens de machtiging dat hij nog wijzigingen kan aanbrengen. Op 24 juni 1845 wordt de goedkeuring van de eerste gewijzigde Constituties verleend en op de feestdag van de H. Vincentius à Paulo door de stichter zelf op plechtige wijze uitgereikt aan zuster Seraphine van Heretum, na zuster Mieke de Bref, de tweede Algemene overste van de congregatie.
Juist op die dag heeft zij, samen met enige andere zusters, de vier eeuwige geloften van armoede, zuiverheid, gehoorzaamheid en de beoefening der liefdewerken afgelegd. Bij die uitreiking zijn naar alle waarschijnlijkheid nog aanwezig geweest de zusters Rosalia de Leijer, Theresia van Rooij, Emmanuël de Gier, Klara van Lith, Scholastica van der Kant, Aloysa van Buel en Josepha Spierings.
Op 27 december volgt de goedkeuring van de „Bijzondere Regelen‟ waarover Mgr. den Dubbelden schrijft:

De Bijzondere Regelen voor de Congregatie der Zusters van Liefde van Jesus en Maria, de Moeder van Bijstand, door ons gevestigd te Schijndel, na nauwkeurig onderzoek, door ons bevonden goed en zeer geschikt te zijn om, bij heiliging en volmaking der Leden, het eeuwige en tijdelijke welzijn des naasten, zoo mede de goede tucht en den voortdurende welstand der Congregatie te bevorderen; weshalve wij dezelve bij deze volgaarne goedkeuren, bekrachtigen en de uitgave daarvan door den druk veroorloven; terwijl wij de stipte naleving dier Regels in welgemelde Congregatie zeer aanbevelen en daarover den goddelijke zegen inroepen.
Gegeven te St. Michielsgestel den 27 december 1848 De Bisschop van Emmaus Vic. Apost. van ‘s-Hertogenbosch H. den Dubbelden.''

Op 27 mei 1881 volgt daarop de pauselijke goedkeuring van de „Constituties en Regelen‟ door paus Leo XIII en ze zullen vervolgens ongewijzigd blijven tot 1968.

Naast onderwijs ook een gasthuis.[bewerken | brontekst bewerken]

De opvoeding van de vrouwelijke jeugd is aanvankelijk de hoofddoelstelling in de ogen van de stichter, maar al spoedig wil hij zijn doelstelling verruimen. De opvoeding en persoonlijke begeleiding van Schijndelse meisjes tot degelijke moeders en huisvrouwen is natuurlijk basaal geweest voor de samenleving van toen, maar pastoor Van Erp wil ook nog andere wegen bewandelen. Met zijn scherp oog voor de noden van de toenmalige Schijndelaren constateert hij schrijnende toestanden, vooral waar het de ouderen en zeker de zieken onder hen betreft. Zij zijn sterk afhankelijk van de liefdadigheid van anderen, is zijn heilige overtuiging en hij ontwikkelt plannen voor de stichting van een eigen gasthuis, om daarin zieken en ouden van dagen te kunnen verzorgen en begeleiden in de herfstdagen van hun leven. Een zeer nobel streven, maar zijn eerste zorg is de financiële basis. Hoe krijgt hij het geld bij elkaar voor een dergelijk groots project.
De eerste grote meevaller voor hem is, dat Helena van den Endepoel, het hoofd van het vroegere breischooltje, hem een huis ter beschikking stelt met de nodige grond eromheen. Het huis is weliswaar niet geschikt om tot gasthuis om te bouwen, maar de grond is een ideale plek om er een nieuw gebouw te laten optrekken. Hij overpeinst alles nog eens heel goed en trekt vervolgens de stoute schoenen aan, door aan de burgemeester en de raad zijn grootse plannen te ventileren. Hij houdt een vurig breedvoerig betoog over het geweldige belang van de stichting van een plaatselijk gasthuis en een pension voor oude mannen en vrouwen. Dat zou een verrijking zijn voor de Schijndelse gemeenschap. De gemeente toont zich bereid een stevige subsidie te verlenen. Men telt er het niet onaanzienlijke bedrag voor neer van f 5000,-.
Helemaal verrukt en uiterst tevreden beklimt hij ‘s zondags daarna de preekstoel en betrekt alle parochianen bij zijn plannen en laat hen delen in de „feestvreugde‟. Reken maar dat na de hoogmis dat nieuw bouwplan van de ijverige parochieherder tot in detail is besproken. Sommigen voelden de bui al hangen….de pastoor zou ook vast en zeker bij hen aankloppen voor een geldelijke bijdrage.

In dat kader haalt de kroniekschrijfster van de congregatie een schitterende historische anekdote aan in haar gedenkboek over een zekere Marinus Gerits, een van de tegenstemmers van de nieuwbouw en nog wel buurman van het klooster. Iedereen staat versteld van zijn negatief gevoel bij de plannen van pastoor Van Erp. Op z’n Schijndels maakt hij de goe gemeente zijn gevoelens duidelijk door hardop te verkondigen: “Ik hê gin gasthuis noodig!”. En hij voegt er nog aan toe doelend op het „verkooppraatje‟ van de pastoor: “Ons allemaol lijme, daor is gin kwestie van wa mijn betreft. Dè witte gullie dan alvast. En affront of gin affront, de pestoor hoeft bij mijn nie te komme. Jao…kèkt me mar aon gullie, ik mèn ‘t! Wè hebben we aon al die neiïghèd….en tìs altij mar gève, ge kant wel mè oew knipbeurs in de hand blève staon. Mar dit zèk oew, de pestoor zal bè mijn bot vange, ik hè gin gasthuis noodig, nou witte ‘t!” De omstanders staken verder alle discussie met Marinus en laten hem verder met rust.
De stichter van de congregatie is in zijn enthousiasme niet meer te stuiten en hij bezoekt hoogst persoonlijk alle welgestelden onder zijn parochianen. De burgers onder hen vraagt hij om financiële steun en van de boeren verwacht hij dat ze borg zullen staan voor de aanvoer van zand en bouwmaterialen. Ook bezoekt hij Marinus, maar die houdt voet bij stuk. De pastoor zal wel verbaasd gestaan hebben over Marinus’ standpunt, maar zonder diens hulp is het gasthuis er toch gekomen. Het huis van Helena van den Endepoel wordt afgebroken en met grote ijver begint men in 1843 aan de bouw van een gasthuis, ziekenhuis, een nieuwe kapel voor de zusters en de aanleg van het kloosterkerkhof.
En wie wordt er als eerste in de nieuwbouw verpleegd……ja, de onwillige buurman Marinus Gerits met zijn gezin, die allen door een vreselijke ziekte waren overvallen. Ze worden liefdevol door de jonge zusters verzorgd. Na enige weken van attente zorg verlaat het gezin Gerits het ziekenhuis en uit dankbaarheid stamelt Marinus: “Di heb ik in elk geval geleerd, dè Onze Lieven Heer ‘t mit de pestoors en de zusters hauwt en dèt Hij ons, minschen, wel wit te brengen waor Hij ons hebben wil. Daorum, waarde Overste en Zusters zèk oew nou en ‘k mèn ‘t, dek altij veur oew klaor zal staon, ik en m’n keinders, als ‘t er ‘s een of aander veur ‘t klooster gebeuren mot!”. Hij wordt uiteindelijk als directe buurman een van de beste helpers van het klooster.
Op 5 januari 1844 wordt de eerste arme vrouw in het gasthuis opgenomen en na haar zijn spoedig de nodige mannelijke en vrouwelijke ouden van dagen gevolgd. De Schijndelse bevolking moet trots geweest zijn op deze nieuwe vestiging en langzaam maar zeker is men het liefdevolle en verzorgende werk van de zusters hooglijk gaan waarderen. Het moederhuis straalde inderdaad liefdadigheid en barmhartigheid uit en de warmte waarmee de dorpelingen er zijn opgevangen en verpleegd, zal zelfs de „koudste kikker‟ beroerd hebben! De voortvarendheid van pastoor Van Erp en „zijn zusters‟ is in die dagen alom geprezen.

Droefheid in en buiten het klooster.[bewerken | brontekst bewerken]

Het gedachtenisprentje van de 1e algemene overste van de congregatie.

De liefdewerken van de zusters eisen in de beginjaren al hun tol. Niet iedere zuster blijkt fysiek opgewassen tegen het zware werk. De kroniekschrijfster verhaalt dat „menig jong leven bezweek‟. Zuster Vincentia, de eerste algemene overste, een diepgelovige vrouw, heeft vanaf het begin haar rotsvast vertrouwen in de Heer bewaard en op haar medezusters weten over te brengen, ondanks alle beproevingen van ziekte en overlijden van jonge zusters. Zij is voor velen een stichtend voorbeeld geweest van overtuigend kloosterleven, moed, doorzettingsvermogen en daadkracht. Als trouwe volgelinge van Vincentius à Paulo is haar niets te veel geweest, tot op het moment, dat ook haar verzwakte lichaam haar noodlottig wordt. Veel te jong sterft deze blijmoedige vrouw, die nog enorm veel voor de jonge kloostergemeenschap had kunnen betekenen. De kroniekschrijfster spreekt met respect over haar en typeert haar als een vrouw met veel „wijsheid, zachte goedheid, moederlijke toewijding en zelfopofferende deugd‟. Na een kort ziekbed wordt Mieke de Bref door haar Schepper op 21 april 1845 teruggeroepen.

Diepe droefheid om dit zware verlies is in alle geledingen voelbaar. Tekenend in dit verband zijn de Bijbelteksten op haar bidprentje: “Zusters, doet, volgens dat gij van mij geleerd, ontvangen, gehoord en gezien hebt en de God van vrede zal met u zijn (Philippenzen IV.9). En ik vertrouw, dat Hij, die het goede werk in u heeft begonnen, hetzelve ook zal voltrekken (Philippenzen I.6). Weest eensgezind, hebbende dezelfde liefde, eendrachtig en van hetzelfde gevoelen (Philippenzen II.2). En nu beveel ik U aan God en aan het woord zijner genade (Act. XX.32)”.
Op 25 april volgt een uitgebreide condoleancebrief van Mgr. den Dubbelden, die de overleden zuster Vincentia uiteraard heel goed gekend heeft. Heel Schijndel heeft in die dagen gerouwd om dit voelbare verlies voor de gemeenschap. Maar veel tijd om te blijven rouwen krijgt men niet. Pastoor Van Erp beseft maar al te goed, dat een jonge kloostergemeenschap de bestuurlijke en religieuze invloed van een moeder-overste niet al te lang moet ontberen. Kort nadat men de laatste eer heeft bewezen aan het stoffelijk overschot van zuster Vincentia en zij op het pas aangelegde kerkhof was begraven, neemt de stichter de nodige maatregelen om snel tot de keuze van een nieuw hoofdbestuur te komen. Al op 5 mei 1845 wordt tot algemene overste gekozen zuster Seraphine van Heretum, die met nog vier assistenten, te weten zuster Aloysia van Buel, zuster Rosalia de Leijer, zuster Theresia de Rooy en zuster Emmanuël de Gier, leiding gaat geven aan het moederhuis en haar liefdewerken voor de Schijndelse bevolking. Zuster Theresia wordt tevens novicemeesteres, maar overlijdt al na een jaar nl. op 24 april 1846. Als assistente in het hoofdbestuur wordt zij vervangen door zuster Joseph Spierings en als novicemeesteres door zuster Aloysia van Buel, die overigens al in 1847 wordt opgevolgd door zuster Emmanuël de Gier.
Wederom wordt het klooster opgeschrikt door het plotseling overlijden van zuster Rosalia, binnen het algemeen bestuur opgevolgd door zuster Ignatia Hermans, maar ook die sterft vrij kort daarna nl. op 7 juni 1850. Haar plaats in het hoofdbestuur wordt ingenomen door zuster Juliana van Boxtel. En zo kampt de jonge kloostergemeenschap met zware verliezen en wordt het Godsvertrouwen danig op de proef gesteld.

Een wonderbaarlijke genezing …. Wie zal het zeggen.[bewerken | brontekst bewerken]

In de zomer van 1845 wordt men geconfronteerd met een ernstige ziekte in keel en borst bij zuster Emmanuël. Zij verzwakt zienderogen. Men benadert dokter W. van Hamel en daarna ook nog dokter Bolsius. Hun medische kennis is groot, maar ze blijken niet in staat het genezingsproces op gang te brengen.
Binnen de kloostermuren, zo meldt onze kroniekschrijfster, verlaat men zich op de „Hemelse geneesheer‟ en roept men de hulp in van de maagd Maria en de patroon van de congregatie Vincentius à Paulo.
Op uitdrukkelijk verzoek van moeder-overste beginnen de zusters aan een noveen, een periode van 9 dagen voorafgaand aan de feestdag van Maria Lichtmis op 2 februari, waarin men vurig bidt om genezing. Het klinkt in onze tijd misschien ongeloofwaardig, maar juist op die feestdag keert bij zuster Emmanuël haar spraak terug.
Geïnspireerd door een groeiend vertrouwen in genezing, begint men een tweede noveen. Wonderbaarlijk……na die 9 dagen verdwijnt ook de hardnekkige keelpijn. Dan volgt nog een derde noveen, die afloopt op 25 maart. Op zondag 29 maart voelt zuster Emmanuël, die inmiddels maandenlang bedlegerig is geweest, rond 10 uur ‘s morgens een hevig verlangen om naar de kloosterkapel te gaan om het H. Sacrament te gaan aanbidden. Ze verlaat haar bed, begeeft zich een verdieping hoger om haar kloosterhabijt aan te trekken, treedt vervolgens de kapel binnen, knielt uit dankbaarheid neer en brengt zowat een half uur biddend door. Alles gaat boven verwachting goed. Haar medezusters kijken met stomme verbazing toe, hoe zuster Emmanuël op die dag in de refter het middagmaal komt gebruiken en ‘s anderendaags de misviering in de kapel komt bijwonen.
Op dinsdag hervat ze zelfs haar onderwijswerk. Dit genezingsproces maakt de tongen los en de gedachte vat post, dat hier misschien wel bovennatuurlijke hulp in het spel is geweest. Nadien verklaart dokter Bolsius dat deze genezing niet te danken is aan geneesmiddelen of leefregels. Is er dan inderdaad sprake geweest van een wonderbaarlijke genezing!?

De reddende engel van de congregatie.[bewerken | brontekst bewerken]

Terwijl de Schijndelse bevolking met ontzag en bewondering het werk van de zusters gadesloeg, de zorg voor haar kinderen en ouden van dagen vol vertrouwen aan de kloosterzusters overgaf, bleef het moederhuis binnen de kloostermuren niets bespaard. Er vallen veel slachtoffers onder de zusters. Pastoor Van Erp wordt tot wanhoop gedreven en volgens de kroniekschrijfster knielt hij zielsbedroefd in de kapel neer en bidt: “Heer….is mijn werk U dan niet aangenaam?”. Hevig vertwijfeld wendt hij zich tot monseigneur Zwijsen, die inmiddels administrateur is van het Apostolisch Vicariaat van ‘s-Hertogenbosch. Hij is echt ten einde raad en legt zijn problemen aan zijn collega voor. Na een uitvoerig gesprek komt Johannes Zwijsen tot de eindconclusie, dat het misschien het overdenken waard is om de congregatie te Schijndel als zelfstandige stichting maar op te heffen en de zusters te laten aansluiten bij de congregatie van de Zusters van Tilburg. Doelstelling en regelgeving en zelfs de kleding waren nagenoeg gelijk, zo redeneerde Zwijsen. Pastoor van Erp moet dit voorstel als pijnlijk ervaren hebben, zijn eigen stichting opgeven, dat was het laatste wat hij zou doen zou men denken. Hij keert terug naar Schijndel en ziet, samen met de vijf zusters van het toenmalige hoofdbestuur, de concrete situatie onder ogen. Aan het slot van deze interne bespreking, die de gemoederen beslist ontroerd en beroerd zal hebben, komen maar liefst vier leden tot de slotconclusie, dat, gezien de omstandigheden, aansluiting bij Tilburg een reële optie is. Zuster Emmanuël opteert als enige voor continuering van de congregatie. Zij houdt een warm pleidooi om door te zetten en geeft én pastoor Van Erp én haar vier medezusters uitdrukkelijk in overweging, dat alle begin nu eenmaal moeilijk is en dat het zware kruis dat de congregatie te dragen krijgt, misschien wel het beste bewijs was dat God met hen is. Ze houdt haar medezusters vooral voor onder geen enkele voorwaarde de moed op te geven, maar juist alle kracht te verzamelen om te hopen tegen alle hoop in en een grenzeloos vertrouwen aan de dag te leggen jegens de goddelijke voorzienigheid, ondanks al het leed en de zware beproevingen. Natuurlijk is zuster Emmanuël, mede door haar geduldig gedragen lijden, in de ogen van de andere zusters, iemand met gezag, iemand die kon overtuigen en wier mening bijzonder serieus werd genomen. In feite heeft zij dus de congregatie gered van de ondergang!
In 1853 verleent bisschop Zwijsen de jonge congregatie de nodige nieuwe privileges en wordt zij door pastoor Van Erp twee jaren later omgedoopt tot „Burgerlijk zedelijk lichaam, vereeniging van vrouwen ter verpleging van zieken en ‘t geven van onderwijs‟. Tegelijkertijd worden nog andere kerkelijke voorrechten verleend die ons nu misschien wat vreemd in de oren klinken, omdat deze elementen uit het „rijke roomse leven‟ ons niet meer zo veel zeggen: men mag een huiskapel oprichten waar men, ook degenen die als vreemdeling overnachten, de H. Mis kan bijwonen. De zusters en de bewoners van het gasthuis mogen de paascommunie ontvangen uit handen van een priester. Men zal in de Vastenavond dagen (de carnavalsdagen of de dagen voor Aswoensdag) de devotie van het veertigurengebed houden in het „gesticht‟ en deelachtig worden aan de aflaten hieraan verbonden. Zo vaak als de dienstdoende geestelijke het goedvindt zal men het Lof vieren en tenslotte zal aan de kosteres verlof worden verleend de H. Vaten aan te raken.

De eigen opleiding in de kinderschoenen.[bewerken | brontekst bewerken]

Onderwijs aan de vrouwelijke jeugd, verpleging van zieken en ouden van dagen……het is in de ogen van stichter pastoor Antonius van Erp een prachtig begin van de congregatie, maar zeker niet het einde. Al lang loopt hij met plannen rond op het kloostercomplex een kweekschool te laten bouwen, want zelf de opleiding in handen hebben van religieuze onderwijskrachten, ziet hij als een van de belangrijkste idealen. Het is beslist een concrete bijdrage aan de ontwikkeling van de plaatselijke bevolking, maar zal ook een regionaal uitstralingseffect hebben. De bouwplannen worden opgesteld en in november 1858 kan een gelukkige pastoor vol trots „zijn normaalschool‟ aan de Schijndelse bevolking tonen. De doelstelling is natuurlijk tweeledig nl. de opleiding van eigen onderwijskrachten, maar binnen die groep actief campagne voeren onder die meisjes, die misschien wel hogere doeleinden willen nastreven en mogelijk aspiraties hebben om in te treden in de congregatie van de Zusters van Liefde.

Het plotselinge overlijden van de stichter.[bewerken | brontekst bewerken]

Het huisje van Pau Pak in de Pompstraat.

Pastoor van Erp is primair natuurlijk de dienstdoende pastoor van de Servatiusparochie. Uit dien hoofde is zijn zorg voor zijn parochianen een pastorale plicht, die hij zeer serieus neemt. Een heel bekend wapenfeit van hem was de oprichting in 1854 van de nu nog bestaande Vincentiusvereniging, geïnspireerd door de noden van toen. Een lofwaardig initiatief in die dagen. Het tekent zijn inzet, inspiratie en visie.
Vanuit zijn pastorale opdracht beseft hij ook hoe belangrijk het is regelmatig zijn zieke parochianen te bezoeken. Op 18 mei 1861 begeeft hij zich op weg naar een ziek meisje. Na het doodzieke kind wat opgebeurd te hebben stevent hij weer op die zwoele meidag op huis aan en neemt de kortste weg naar zijn pastorie nl. via de Pompstraat.
Hij bereikt het huisje waar een zekere Johannes Huybers en diens vrouw Paulina van der Linden wonen. Dit echtpaar kent men binnen de Schijndelse samenleving beter als Hannes Pak en Pau Pak, een „scheldnaam‟ die ze te danken hadden aan het pak linnengoed waarmee ze langs de deur venten om zo de kost te verdienen. Daar aangekomen voelt pastoor Van Erp zich duizelig worden en vraagt bij Pau Pak even te mogen rusten. Nu verblijft op dat moment een zekere meester Van Bremen, een kostganger, bij Pau Pak (Hannes was al overleden). Tot zijn grote verbazing ziet die de pastoor ineen zakken. Dodelijk geschrokken rent hij met een stoel naar buiten en hijst de gevallen pastoor overeind. Hij wordt naar binnen gedragen. Iedereen is van streek, alleen Van Bremen houdt het hoofd koel. Hij stuurt iemand naar de pastorie om een van de kapelaans te waarschuwen, zodat die het Sacrament der Stervenden nog kan toedienen. Een ander stuurt hij naar dokter Bolsius, de plaatselijke geneesheer in die tijd. Hij gaat over tot een aderlating.
Al snel wordt hem duidelijk dat de beroerte de pastoor fataal zal worden. Als een lopend vuurtje gaat de tijding door het dorp, dat de pastoor er heel slecht aan toe is. De algemene overste zuster Seraphine en een van haar assistenten zuster Emmanuël de Gier snellen naar de Pompstraat om hun in levensgevaar verkerende stichter nog te kunnen begroeten. Helaas….ze zijn te laat. Buurtbewoners komen hen al tegemoet gelopen om het treurige bericht van het overlijden van pastoor Van Erp wereldkundig te maken. Diep bedroefd keren de beide zusters naar het moederhuis terug en men ervaart dit sterven als een zware slag voor de jonge congregatie. Hij was immers hun steun en toeverlaat. Ook de Servatiusparochie verloor in hem een bijzonder ijverige herder. In hetzelfde jaar zou de congregatie haar zilveren feest gevierd hebben, maar aangezien in de archieven geen spoor te vinden is van festiviteiten, mag aangenomen worden dat men heeft afgezien van een vreugdevolle herdenking, nu de stichter zelf er niet bij heeft kunnen zijn!
Een kwart eeuw hebben zowel de pastoor als de zusters zelf hun beste krachten gegeven aan de Schijndelse samenleving. Het respect voor de stichter en zijn religieuzen is sterk gegroeid en hun plaats in de samenleving is al niet meer weg te denken. Schijndel vaart er wel bij. Het jonge klooster wordt door krachtdadige geïnspireerde vrouwen geleid, energiek ondersteund door betrokken rectoren als geestelijke leidsmannen en vanuit het moederhuis worden langzaam maar zeker nieuwe stichtingen gerealiseerd buiten Schijndel. In de eerste 25 jaren is, naast de ontwikkelingen binnen Schijndel, immers al op 13 maart 1856 de stichting te Geldrop tot stand gekomen, op uitdrukkelijke uitnodiging van pastoor Frans van Erp, de broer van Antonius van Erp. Er zouden er nog vele volgen!

Constituties of regelgeving [1842-1990][bewerken | brontekst bewerken]

De aller oudste voorschriften.[bewerken | brontekst bewerken]

Een kloostergemeenschap zonder regelgeving is ondenkbaar.
Pastoor van Erp heeft er daarom voor gezorgd dat vanaf het allereerste begin een uiterst eenvoudig regelboek de basis zou vormen voor zijn nieuw gestichte congregatie. Het waren voorschriften die onder goedkeuring van de toenmalige bisschop van Emmaus, apostolisch vicaris van het bisdom ‘s-Hertogenbosch, monseigneur Henricus den Dubbelden, waren uitgegeven. Aanvankelijk noemt hij als patrones van de congregatie Maria als Troosteres der Bedrukten. Vanaf 1842 noemt hij uitdrukkelijk Maria als de Moeder van Goede Bijstand en zo is het gebleven tot op heden.

Aanhef van het geschreven regelboek van pastoor Antonius van Erp dat is afgebeeld op het grote schilderij in de hal van het moederhuis. Het hoofddoel wordt door de stichter duidelijk omschreven. Voorts gaat hij in op thema’s als het gezag, de geloften van zuiverheid, gehoorzaamheid en armoede, de kleding, de cellen of kamers, de voeding, de geestelijke oefeningen en het koorgebed, het stilzwijgen, het kapittel, liefde en eendracht, ootmoedigheid, de zedigheid, onthechting van ouders en vrienden, de dagorde, de novicen en de novicemeesteres, de taken van de overste en haar assistente(n) en de taak van de zusters die met het onderwijs der kinderen worden belast. Verondersteld mag worden dat die regelgeving veelal zal zijn overgenomen van al bestaande stichtingen. Het is vrijwel zeker dat met name de H. Regel van de Zusters van Liefde van de Oude Dijk in Tilburg grotendeels model heeft gestaan voor dit ontwerp.
Naast de H. Regel kende men ook een boekwerkje met „bijzondere regelen‟, een document waarin de praktijk van alledag beschreven stond. Op 27 december 1848 zijn die, onder goedkeuring van Mgr. Den Dubbelden, samen met een serie formulegebeden, uitgereikt aan de zusters. Die zijn overigens in de loop van de geschiedenis van de congregatie regelmatig herzien en af en toe ook nog herdrukt. In een latere fase spreekt men van een „directorium‟.
Om de gebruiken en vooral de leefsfeer van toen, medio 19e eeuw, wat duidelijker te illustreren volgen hier, bij wijze van voorbeeld, een drietal beschrijvingen. Allereerst de voorschriften ten aanzien van de kleding, die hij inleidt met de opmerking dat men de ijdelheid moet verloochenen, niet moet streven naar kostbare kleding, maar „morsige of verscheurde‟ kleren zijn uit den boze. Dat laatste vereist de armoede niet, schrijft hij en het zou trouwens ook „onbetamelijk‟ zijn. Een oud en hersteld kleed dragen is wel toegestaan.

Het kloosterhabijt van de Zusters van Liefde zoals deze drie modellen laten zien.

Vervolgens geeft hij in het taalgebruik van toen concreet aan wat de zusters zullen dragen en somt alle onderdelen op:

  1. “gij zult hebben een zwart lakensche of camelotte bovenkleed
  2. eenen zwarten lakensche of camelotte schapelier
  3. eenen berbet van wit lijnwaat
  4. eenen paarschen of witten onderdoek
  5. een stiklijf van blauwen diemiet
  6. eenen roden of witten baaijen of gestreepten borstrok volgens den tijd van het jaar
  7. eenen camelotten voorschoot bij het uitgaan doch binnen het huis eenen blauwen linnen voorschoot
  8. blauwe baaije onderrokken
  9. een linnen of wollen hemd
  10. zwarte kousen, waar bij in den winter zwarte of greise zokken
  11. schoenen bij het uitgaan, doch binnen het huis zult gij u van muilen bedienen
  12. een zilveren kruis hangende aan een zwart lint om den hals
  13. eenen gouden ring
  14. zwarte handschoenen
  15. gij zult voor hoofddeksel hebben een witte diemitte ondermuts, eenen doek van wit lijnwaat, eene voile van zwarte camelot“.

Sprekend over de slaapgelegenheid van de zusters propageert hij dat, indien mogelijk, de zusters een eigen cel zullen hebben, zodat ze ook afzonderlijk kunnen slapen; de slaapkamers zijn op de 2e verdieping van het huis, uitgezonderd die van zieke zusters; ze zullen op de slaapkamers hebben „eenen bak zonder behangzel, eenen strooijzak, linnen beddelakens, wolle dekens en eene spreij‟ en twee vere hoofdkussens, een geriefkasje ongeverfd en zonder slot, een houten zitbankje, een crucifix‟.
Zonder verlof van de overste zullen de zusters niets anders op hun kamer hebben. Alleen de oversten en de assistenten kunnen eventueel geriefelijkheden op hun kamer hebben met sluiting.
Zonder verlof van de overste zal de ene zuster nooit naar de slaapkamer van een andere zuster gaan en mocht men daartoe wel verlof ontvangen, dan zal een zuster eerst altijd kloppen en wachten tot men verlof krijgt om binnen te komen. Als twee zusters bij elkaar zijn dient de deur open te blijven staan.
Begeeft men zich te ruste, dan dient een zuster zich zoals het een maagd betaamt neer te leggen „zich houdende in de tegenwoordigheid van God en haren Engelbewaarder‟. Men zal de slaapkamer niet ongekleed verlaten. De overste mag op de kamers van de zusters onderzoek doen zo dikwijls zij dit nodig acht en van de kamer wegnemen „hetgeen hare voorzienigheid zal noodzakelijk oordelen‟.

Tenslotte de opmerkingen betreffende de voeding. Een primaire waarschuwing luidt, dat er het voedsel niet is om „aan de zinnelijkheid van den smaak te voldoen‟, maar louter om het lichaam te onderhouden en de gezondheid te bewaren. Men zal daarom de zusters goed en gezond voedsel geven. Als het geen visdag is geeft men de zusters bij het ontbijt thee, brood en mik. Bij het normale middagmaal mag behalve soep niet meer dan twee porties gegeven worden en op bijzondere recreatiedagen zeker niet meer dan drie porties. Bij het avondmaal zal er nooit vlees gegeven worden.
De normale drank is bier, maar op bepaalde feestdagen is het de huisoverste toegestaan wijn te laten serveren, zoals de feestdag van de H. Vincentius à Paulo (19 juli), Allerheiligen (1 november), de stichtingsdag van een bepaald klooster of de herdenkingsdag van de patroon van het huis zoals bv. het moederhuis toegewijd aan Sint Jozef (19 maart) en ten slotte op de dag dat een zuster geprofest wordt d.i. haar geloften aflegt, hetzij tijdelijk of eeuwig.
En de voorschriften vervolgen dan vrij vertaald:

“Zij zullen op tafel een tafellaken en een servet, de borden en andere noodzakelijkheden hebben. Tijdens de maaltijd zal er een zuster met duidelijke stem voorlezen uit een godsvruchtig boek, de andere zusters zullen aandachtig luisteren, opdat zowel de ziel als het lichaam tegelijk gevoed worden; er zullen altijd een of twee zusters belast zijn om de andere zusters aan tafel te dienen; zij zullen dit doen met het godsvruchtig gevoel alsof zij Jezus Christus zelf en zijn apostelen dienen. Behalve de vastendagen, door de H. Kerk voorgeschreven, zullen zij vasten op alle de zaterdagen door het jaar uitgezonderd wanneer het feest van de geboorte des Heren op een zaterdag valt als ook op alle vigiliedagen van Onze Lieve Vrouw en daags voor het feest van den H.Vincentius”.

Aanvullingen en aanpassingen.[bewerken | brontekst bewerken]

Overdruk van de buitenkaft van de uitgave uit 1881.

Op 24 juni 1845 is de eerste handgeschreven regel door de toenmalige bisschop en apostolisch vicaris monseigneur Henricus den Dubbelden kerkelijk goedgekeurd. In de loop van de geschiedenis van de congregatie zijn de constituties en bijzondere regels meerdere malen herzien. Zo wordt in de tweede helft van de 19e eeuw al gewerkt aan een aanpassing.
Deze uitgave wordt ingeleid door een bisschoppelijk schrijven dat letterlijk luidt als volgt:

“Adrianus Godschalk door de gratie Gods en de gunst des Apostolischen Stoels, bisschop van ‘s-Hertogenbosch, huisprelaat van Z. H. Paus Leo XIII, assistent-bisschop bij den Pauselijken troon, aan de leden van de Congregatie der Zusters van Liefde van Jezus en Maria, Moeder van Goeden Bijstand, gevestigd te Schijndel, zaligheid in den Heer….
Heeft Gods vaderlijke Voorzienigheid aan uwe Congregatie, gedurende de 36 jaren van haar bestaan, reeds vele blijken van hare bescherming gegeven, wederom is U in Gods goedheid en barmhartigheid eene nieuwe en gansch bijzondere gunst geschonken. De Constitutiën en Regelen uwer Congregatie zijn thans door Z. H. Paus Leo XIII goedgekeurd en bekrachtigd.
Bij gelegenheid van Ons eerste bezoek, dat Wij als Bisschop bij de graven der HH Apostelen Petrus en Paulus het geluk hadden te kunnen brengen, hebben Wij die voor U zoo gewigtige zaak in persoon behandeld en getracht tot een goed einde te brengen. Ondersteund door uwe veelvuldige gebeden hadden dan ook onze pogingen, onder ‘s Hemels zegen, den gewenschten uitslag. Den 27 mei 1881 mogt uwe Congregatie zich verheugen, dat hare Constitutiën en Regelen door Z.H. Paus Leo XIII werden goedgekeurd en bekrachtigd. Op Onzen last zijn de Constitutiën en Regelen uit het fransch, in welke taal zij oorspronkelijk zijn goedgekeurd, of, zoo als het Besluit der H. Congregatie luidt: „als reeds goedgekeurd kunnen aangenomen worden als of deze voor U in het bijzonder goedgekeurd waren‟ in het hollandsch vertaald en in druk gebragt. Wij verklaren, dat deze vertaling in alles overeenstemt met de Constitutiën en Regelen, die te Rome door den H. Stoel zijn goedgekeurd, waarvan het origineel in het Archief der Congregatie berust. Het is Onze vurigste wensch en wil, dat alle Zusters, in welke betrekking zij ook in de Congregatie werkzaam zijn, deze Constitutiën en Regelen, waarvan één exemplaar aan elke Zuster zal worden uitgereikt, nauwkeurig en met een zuiver inzigt zullen onderhouden, daar Wij innig overtuigd zijn dat de getrouwe onderhouding der Constitutiën en Regelen voor de Congregatie van het hoogste belang is en dat derzelver zegen en bloei daarvan afhangen. Geve de goede God, dat de Zusters, die thans in de Congregatie zijn en later door zijne goedheid daarin zullen treden, dit steeds ernstig overwegen en behartigen, opdat zij door eene stipte onderhouding dier Constitutiën en Regelen den zegen van God meer en meer over de Congregatie doen nederdalen.
Gegeven te „s-Bosch, op den feestdag van O.L.V. van den Berg Carmel, den 16 julij 1881de Bisschop voornoemd, A. Godschalk ”.

Met deze verklaring is de congregatie kerkrechtelijk een actieve pauselijke congregatie met eenvoudige geloften geworden.
Om een volledig beeld te geven van de inhoud van deze uitgave volgt hier de inhoudsopgave van toen, verdeeld als volgt:

  • doel van de congregatie art.1-4
  • vorm en bestuur van de congregatie art.5-13
  • bevordering en middelen ter instandhouding der congregatie art.14-18
  • de bijzondere regels der congregatie art.1933
  • gevolgd door de goedkeuringen van de H.Regel uit 1845 en 1881, de wijze van beraadslagen in verband met de keuze van een algemene overste en haar andere leden van het hoofdbestuur, die officieel „assistanten‟ worden genoemd.

Binnen deze historische beschrijving van de congregatie leek het mij historisch gezien zinvol om ter illustratie met name de elementen over te nemen uit de beschrijving, die in 1881 is vastgesteld ten aanzien van de installatie van een nieuwe algemene overste.
Op het teken van de bel begeven alle zusters, ook novicen en aspiranten die in het moederhuis aanwezig zijn, zich naar de kapel. De nieuw gekozen algemene overste neemt plaats op een knielbankje voor het altaar en men zingt het Veni Creator om de verlichting van de H. Geest af te smeken over de nieuw gekozen algemene overste en haar bestuur. Nadat deze lofzang geklonken heeft begeeft de nieuwe algemene overste zich naar de hoogste trap van het altaar, waar zij de volgende belofte uitspreekt:

“Ik Zuster Maria NN., mij de waardigheid van Algemene overste der congregatie van Jezus en Maria Moeder van Goeden Bijstand, geheel onwaardig kennende, buig mij hier, o God van Liefde, voor uw altaar neder en smeek U ootmoedig door de verdiensten van uwe liefdevolle Moeder, de Allerheiligste Maagd Maria, van den Vader der Armen, den H. Vincentius à Paulo en van al uwe Heiligen, mij in mijne bediening te verlichten en te versterken. Ik beloof U, al de geestelijke kinderen, die Gij mij gegeven hebt en nog geven zult, als eene teederhartige Moeder te zullen beminnen, met liefde te zullen behandelen en steeds voor hun geluk te zullen zorgen; daarbij beloof ik U, voor het welzijn der Congregatie, volgens mijn best vermogen, alle pogingen te zullen aanwenden en met nauwgezetheid te zullen toezien, opdat het tweevoudig doel der Congregatie, de heiliging harer leden en de vertroosting en verzorging van hulpbehoevende medemenschen, nimmer uit het oog worde verloren. Daartoe beloof ik mij zelve te zullen opofferen”.

Na het uitspreken van die belofte ontvangt zij aan haar linkerhand een „gouden ring‟ als symbool van haar gezag en gaat terug naar haar knielbankje. Onder het luiden van de klok heft de hele kloostergemeenschap vervolgens het Te Deum Laudamus aan. Tijdens die lofzang komen alle aanwezige zusters een voor een naar voren om hun eerbied en onderdanigheid te betuigen aan de nieuwe algemene overste en als bewijs daarvan kussen zij de zojuist uitgereikte gouden ring. Na beëindiging van het Te Deum verlaten de algemene overste en haar assistenten de kapel. Mocht de nieuw gekozen algemene overste zich niet in het moederhuis bevinden, dan krijgt zij binnen twee dagen bericht over haar benoeming en zal de nieuw benoemde zo spoedig mogelijk naar het moederhuis komen. Mocht de dienstdoende rector of zijn gedelegeerde onverhoopt niet aanwezig kunnen zijn, dan is het aan de eerste zuster assistent om de gouden ring te overhandigen. Zolang de nieuwe algemene overste het bestuur niet aanvaard heeft zal de 1e assistent waarnemen. Mochten een of meerdere gekozen assistenten niet in het moederhuis present zijn, dan krijgen ook zij zo spoedig mogelijk bericht en wordt van hen verwacht dat ze per omgaande naar het moederhuis in Schijndel komen.
Volgens enige zusters van het moederhuis is deze praktijk rond de installatie van een nieuwe algemene overste blijven voortbestaan tot en met 1958. Na het kapittel van 1964 is deze symboliek in ieder geval uit de installatieplechtigheid van algemene overste zuster Veronique van Woerkum weggelaten, mede geïnspireerd door veranderde inzichten omtrent de gezagsverhouding tussen haar en de leden van de congregatie.
Het intern democratiseringsproces was in die jaren in volle gang. Nadien is het ook niet meer de algemene overste die alleen naar voren treedt, maar het voltallig hoofdbestuur.

De doelstelling van de congregatie in de Heilige Regel.[bewerken | brontekst bewerken]

De spiritualiteit van de congregatie compact samengevat in één illustratie die bij gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de congregatie is ontworpen en uitgewerkt door Zr. Godefrida Ma. Beijers.

Als binnen de constituties één basisregel voortdurend aan nieuwe ontwikkelingen in denken en beleven heeft blootgestaan dan is dat de primaire doelstelling van de congregatie. Het is boeiend om te zien hoe bij de herzieningen in de diverse uitgaven van deze constituties met betrekking tot het doel van de congregatie steeds weer nieuwe formuleringen opduiken, die iets illustreren van de nieuw gegroeide inzichten ten aanzien van de spiritualiteit van de zusters en hun visie op hun functioneren zowel binnen als buiten de kloostergemeenschap. Dat bewijst dat een kloosterregel per definitie dynamisch is.
Daarbij had de stichter natuurlijk ook de geestelijke kant van het kloosterleven voor ogen en tevens de godsdienstige vorming van hen die voor deze levensvorm kiezen. De beide essentiële elementen nl. zelfheiliging en zich toeleggen op de noden van de medemens liggen in wezen opgesloten in het devies van de congregatie „Ora et Labora‟ hetgeen betekent dat bidden en werken op een harmonieuze manier op elkaar moeten zijn afgestemd. Gedurende de hele 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw is deze doelstelling in de documenten gehandhaafd. Vanaf 1960 worden voortdurend nuanceringen aangebracht en wordt de doelstelling bijgesteld, anders geformuleerd, gebaseerd op vernieuwde opvattingen op de beleving en verdieping van de kern van het eigentijdse kloosterleven zelf en de toewijding in de liefdewerken.
In de uitgave van 1960 wordt het als volgt geformuleerd:

“Het doel van de congregatie is de heiliging van haar leden door de toeleg op de christelijke volmaaktheid en de dienst aan de naaste door de beoefening van verschillende liefdewerken; om deze volmaaktheid te bereiken zullen de leden van de congregatie zich met Onze Heer Jezus Christus verenigen in de letterlijke beleving van de evangelische raden, onder de bescherming van de H.Maagd Maria Moeder van Goede Bijstand en de H. Vincentius à Paulo, weldoener van de lijdende mensheid; om de naaste te dienen zullen de leden van de congregatie zich wijden aan het onderwijs en de opvoeding van kinderen, vooral van behoeftige kinderen, aan de verpleging en verzorging van zieken, van ongeneeslijken, van geestelijk gestoorde vrouwen, van behoeftige bejaarden en in het algemeen aan alle soorten van liefdewerken”.

In de jaren ‘60, mede onder de invloed van de uitkomsten van het Tweede Vaticaans Concilie, komt er als het ware een nieuwe doorbraak in het denken over het religieuze leven. Er vindt een merkbare verdieping plaats in de omschrijving van het kloosterleven en vooral beleving van de H. Regel. Men spreekt in dit verband eerder van grondwaarden of grondinspiratie, een vernieuwde spirituele basis. Het is dan ook alleszins begrijpelijk dat vanuit de kapittels van na die tijd weer nieuwe formuleringen worden opgenomen passend bij het nieuwe denken over de concrete invulling van het religieuze leven. De voorlopige uitgave van de constituties van 1982 bevat al weer een veel uitgebreidere beschrijving en daar is het doel van de congregatie als volgt verwoord:

“Het doel van onze congregatie is het meer leefbaar maken van de wereld een opdracht waar alle mensen voor staan. Aan deze leefbaarheid willen wij, leden van de congregatie van de Zusters van Liefde van Jezus en Maria, Moeder van Goede Bijstand gevestigd te Schijndel, meewerken vanuit het evangelie van Jezus Christus. Het doel van de religieuze gemeenschap is ons te laten vormen op de weg van Jezus Christus, in verbondenheid met Hem, en staande in zijn traditie, samen te werken aan een betere wereld. We kiezen voor een bewuste toekeer naar de armen vanuit de spiritualiteit van Vincentius à Paulo. Om aan dit doel te werken leggen we ons toe op gebed en studie en directe aanpak van concrete noden. In de tekenen van de tijd, in de ontwikkelingen van kerk en maatschappij trachten we die noden te verstaan. Moge zodoende in onze congregatie groeien een geest van eenvoud, rechtvaardigheid en liefde, trouw en barmhartigheid. Het is onze roeping en onze persoonlijke keuze om binnen de congregatie dit levensontwerp te verruimen en te verdiepen. Het is onze deelname aan de dienst van de kerk in deze wereld”.

Tenslotte wordt in de laatste nieuwe uitgave van de constituties anno 1990, goedgekeurd door Rome op de 24e mei van dat jaar, verdeeld over 10 hoofdstukken, de tekst van 1982 grotendeels gehandhaafd. Opvallend is echter dat in de eerste alinea na het „meewerken vanuit het evangelie‟ een nieuwe gedachte is toegevoegd nl.:

“Daarom willen wij Christus op de voet volgen in het bouwen aan het Koninkrijk van God in deze wereld onder leiding van Zijn Geest. In vrijheid kiezen wij ervoor, door de professie, om als religieuzen in trouwe toewijding te leven. Als Zusters van Liefde leggen wij ons toe op de speciale leer van Christus, dat de liefde voor God tegelijkertijd liefde voor medemensen betekent en we brengen dit tot uiting in een leven van gebed en inzet voor anderen‟. Bij de constituties van 1990 is ook een nieuwe uitgave van het „directorium‟ ingesloten waarin de doelstelling is vertaald in concreet beleid.

Kapittels door de jaren heen (1836-2006)[bewerken | brontekst bewerken]

Verkiezingen in de beginjaren.[bewerken | brontekst bewerken]

Als we de artikelen 5 tot en met 13 van de oudste regel nader analyseren op de zienswijze met betrekking tot het bestuur van de congregatie dan omschrijft pastoor Antonius van Erp het in zijn 2e hoofdstuk als volgt, zij het enigszins vrij vertaald:

De congregatie bestaat uit zusters die, behalve de drie gewone geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid een vierde gelofte afleggen nl. om zich te wijden aan liefdewerken. De congregatie heeft één moederhuis te Schijndel. Dat huis zal worden bestuurd door een algemene overste die wordt benoemd voor zes jaren. Zij is voornamelijk belast met de religieuze regeltucht en het bestuur van het tijdelijke van de congregatie. Deze algemene overste kan, ingeval van ergerlijk gedrag, van onvermogen of slecht bestuur, door de kerkvoogd van het bisdom van ‘s-Hertogenbosch geschorst en zelfs afgezet worden en in dat geval gaat men zo spoedig mogelijk over tot verkiezing van een nieuwe algemene overste. De algemene overste heeft in het moederhuis vier assistenten bij zich die haar tot raad dienen. Zij vergadert minimaal twee maal per maand om de assistenten te raadplegen over alle zaken van belang. In geval van sterfte, afwezigheid, schorsing of afzetting der zittende algemene overste zal de 1e assistente voorlopig haar taak waarnemen. De algemene overste mag, na haar raad gehoord te hebben, overgaan tot het stichten van huizen, het benoemen van oversten van die huizen voor een periode van zes jaren. De bediening der algemene overste open gevallen zijnde, zullen alle zusters die in het moederhuis wonen, samen met de oversten der onderhorige huizen zich verenigen onder voorzitterschap van de geestelijke overste van ‘’s-Hertogenbosch of zijn gedelegeerde om tot verkiezing over te gaan. Om tot een keuze te kunnen overgaan moet een meerderheid van de stemgerechtigde leden aanwezig zijn. De stemming geschiedt op geschreven stembriefjes die in een bus worden gelegd. De voorzitter neemt ze daaruit en maakt er aantekening van. Indien bij de 1e of 2e stemming geen der zusters de volstrekte meerderheid der stemmen heeft gekregen, dan gaat men over tot een „scheidspartij‟ (compromis) van vijf zusters, die de algemene overste aanwijzen, onder de drie zusters die bij de laatste stemming de meeste stemmen gehad hebben. De bevestiging van de keuze wordt door de voorzitter in een proces-verbaal vastgelegd. Op gelijke wijze worden ook de vier assistenten gekozen.

In de loop van de geschiedenis van de congregatie zijn er wel de nodige veranderingen opgetreden, maar de algemene basis zoals beschreven in de 1e H. Regel is blijven voortbestaan.

Zr. Vincentia de Bref. (algemeen overste van 1840 - 1845)[bewerken | brontekst bewerken]

De eerste algemene overste zuster Maria Vincentia de Bref heeft vanaf 2 oktober 1840 de jonge congregatie geleid tot aan haar dood op 21 april 1845.
De conclusie die men uit dit gegeven kan trekken is dat tussen 1836 en 1840 de stichter zelf de leiding op zich genomen zal hebben.

Zr. Seraphine van Heretum. (algemeen overste van 1845 - 1864)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Seraphina van Heretum 2e algemeen overste.

Vrij kort na het overlijden van Mieke de Bref volgt een keuzekapittel op 5 mei 1845 en de aanwezige zusters zijn er van overtuigd dat hun medezuster Seraphine van Heretum of Heertum geroepen is om de taak van algemene overste op haar schouders te nemen. Precies na zes jaren nl. op 5 mei 1851 roept pastoor Antonius van Erp het kapittel weer bijeen. Het functioneren van Zr. Seraphine stemt blijkbaar eenieder tot tevredenheid want ze wordt op die datum in haar functie van algemene overste herkozen, om de volgende periode van zes jaren met haar vier assistenten het bestuur te continueren.
Deze bestuursperiode wordt enigszins overschaduwd door een merkwaardige ziekte die zuster Seraphine trof, gepaard gaande met dagelijkse koortsaanvallen die meer dan een jaar hebben geduurd. Vanaf het prille begin is medische hulp ingeroepen, maar de geneesheren kregen geen vat op de ziekte. Binnen de congregatie is toen een noveen gehouden om de beterschap als het ware „af te smeken‟. En wonder boven wonder…….de felle koorts blijft vanaf november 1855 achterwege en de algemene overste knapt zienderogen op, zodat ze haar bestuurstaak weer kan hervatten. Ondanks die ziekte heeft ze toch op 11 april 1855 een bezoek gebracht aan de plaatselijke notaris Kornelis Jacob van Beverwijk om de destijds opgerichte „Associatie Anna Maria de Bref en Compagnie‟ te laten omzetten in een nieuwe rechtspersoonlijkheid nl. een vereniging onder de naam „Burgerlijk Zedelijk Lichaam Vereeniging van Vrouwen ter verpleging van zieken en het geven van onderwijs‟.
Vanuit Geldrop wordt door Franciscus van Erp, broer van de stichter van de congregatie en tevens pastoor in die plaats, enige druk uitgeoefend op zuster Seraphine en de andere leden van het toenmalige hoofdbestuur om een stichting buiten Schijndel te realiseren en enige zusters over te plaatsen naar Geldrop.

Ook op 5 mei 1857 wordt ze weer met algemene stemmen herkozen. Dit is de laatste verkiezing die de stichter zelf heeft geleid want hij overlijdt in 1861. Binnen de drie bestuursperioden van zuster Seraphine zijn er wel verschillende assistenten overleden en vervangen door medezusters. Het overlijden van de stichter is met name voor de 2e algemene overste een zwaar verlies.
Haar directe raadgever is haar plotseling ontvallen. Vrij kort daarop begint zuster Seraphine fysieke problemen te krijgen en wordt het de medezusters duidelijk dat zij symptomen van een beginnende dementie vertoont, die uiteindelijk zal omslaan, volgens de kroniekschrijfster, „in volslagen krankzinnigheid‟. Ze vraagt ontslag uit haar functie aan, dat haar op 14 juli 1862 wordt verleend. Dan volgt een periode tot 28 september 1864, dat haar medezusters-bestuursleden de honneurs volledig waarnemen en Zr. Seraphine „in naam‟ algemene overste blijft, maar het daadwerkelijk functioneren aan de assistenten overlaat.

Zr. Emmanuël de Gier. (algemeen overste van 1864 - 1894)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Emmanuël de Gier 3e algemeen overste.

Het eerste kapittel na het overlijden van pastoor Antonius van Erp vond plaats onder voorzitterschap van monseigneur Joannes Zwijsen zelf op 28 september 1864. Met nagenoeg algemene stemmen is toen tot derde generale overste gekozen zuster Emmanuël de Gier. Hiermee komt iemand aan het hoofd van de congregatie te staan die maar liefst vier keer wordt herkozen nl. 1870, 1876, 1882, 1888 en ze treedt af in 1894. Een bestuursperiode van 30 jaren, wat binnen de congregatie zéér uitzonderlijk mag genoemd worden. De keuze van haar assistenten kon nogal eens wisselen.
Niemand had destijds ooit kunnen vermoeden dat de 3e algemene overste het beleid zo energiek zou aanpakken. In het kloosterarchief bevindt zich een medisch rapport van dokter Bolsius uit mei 1846 waarin hij beschrijft, op basis van al zijn visitaties, hoe ziek zuster Emmanuël in dat jaar is geweest. Haar krachten namen dusdanig af dat iedereen het ergste vreesde. Toch is ze op wonderbaarlijke wijze genezen.
Haar bestuursperiode is er een van expansie gezien de vele nieuwe stichtingen die onder haar leiding zijn gerealiseerd.
Aan het einde van haar ruim 30-jarige periode van leiding geven, stimuleren, motiveren en inspireren schrijft zij in een circulaire van 24 augustus 1894:

Na rijpe en langdurige overweging na dag aan dag tot het gebed mijn toevlucht te hebben genomen, heb ik vast en onwrikbaar besloten, bij de op handen zijnde verkiezing van een nieuw bestuur der congregatie, af te zien van elke benoeming tot eenige waardigheid. Mijn hooge jaren en zwakke, lichaamskrachten in aanmerking genomen, meen ik na een twee-en-dertigjarig bestuur, waaraan zulke zware zielelasten en tijdelijke bekommering zijn verbonden geweest, in het belang der congregatie een aan God welgevallig offer te brengen door thans den last des bestuurs aan jongere krachten op te dragen en de mij nog resterende levensdagen in stille rust onder het zoete juk der H. Gehoorzaamheid te slijten. Dit besluit heb ik aan de goedkeuring van Monseigneur onderworpen en daarvan tevens aan mijne mede-assistenten kennis gegeven. Dankbaar blijf ik U Eerwaarde Moeder en Zusters voor al de blijken van liefde, hoogachting en kinderlijke onderdanigheid mij betoond en voor de vele gebeden elken dag door ieder Uwer voor mijn geestelijk en tijdelijk heil ten Hemel gezonden. Nederig verzoek ik U allen mij door Uwe gebeden te blijven steunen bij het intreden der nieuwe levensbaan, die het gevolg van dit besluit is. Na Uw aller harten als mijn dierbaarste schatten aan het liefdevol hart van Jezus te hebben aangeboden blijft Gij allen een bijzonder aandeel in mijne gedachten behouden – met hartelijke toegenegenheid ben ik Uwe in Jchr. liefhebbende Z.M.E. de Gier Algem. Overste “.

Zr. Ignatia van Vlokhoven. (algemeen overste van 1894 - 1905)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Ignatia van Vlokhoven 4e algemeen overste.

Als herinnering aan het kapittel van 4 oktober 1894 is door bisschop Mgr. Wilhelmus van de Ven (1834 - 1919) een proces-verbaal opgemaakt dat is gehouden onder het door de bisschop gedelegeerde voorzitterschap van rector M. Kluijtmans met assistentie van pastoor N.W.L. Baekers van de Servatiusparochie in het centrum en pastoor J.C. van Vroonhoven van de Servatiusparochie in Wijbosch. Als 4e algemene overste is toen met overweldigende meerderheid zuster Ignatia van Vlokhoven gekozen met haar vier assistenten.
In het proces-verbaal staat aangegeven dat de installatie van de algemene overste „op de gebruikelijke wijze‟ zal plaats vinden, conform de regelgeving uit 1881. Men hield de kapittels in de grote refter van het moederhuis. De bisschop schrijft vervolgens:

“Wij feliciteren ten slotte de Eerw. Overste en Assistenten met hare benoeming, terwijl wij hopen en vertrouwen, dat de gedane keuze moge strekken tot meerder heil, groei en bloei uwer ijvervolle congregatie tot welk einde wij met vaderlijke toegenegenheid U allen onzen bisschoppelijke zegen schenken – gedaan te ‘s-Bosch op 6 oktober 1894”.

Haar installatie vindt plaats op 7 oktober, drie dagen na de definitieve keuze, waarbij tevens door rector Kluijtmans een uitdrukkelijk dankwoord wordt uitgesproken bestemd voor de vorige algemene overste. In vergelijking met de zittingsperiode van haar voorgangster heeft zuster Ignatia aanmerkelijk korter leiding kunnen geven aan de congregatie. Op het kapittel van 6 september 1900 is zij in aanwezigheid van de rector van het moederhuis met 83 stemmen vanuit de kapittelleden herkozen. Omstreeks nieuwjaarsdag 1905 verzwakte haar lichamelijke toestand zienderogen en was zij genoodzaakt op haar kamer te blijven en zich zo weinig mogelijk in te spannen. Reden voor ongerustheid was er aanvankelijk niet, maar in de avond van 23 januari gonsde het gerucht over de slaapzalen van het moederhuis, dat zuster Ignatia stervende was. Zij stond bekend als iemand die de gave bezat zacht en liefdevol op te treden en haar goedheid en hartelijkheid heeft veel zusters bijzonder goed gedaan.

Zr. Theodora Slits. (algemeen overste van 1905 - 1928)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Theodora Slits 5e algemeen overste.

Vrij kort na haar overlijden zijn de 93 afgevaardigden voor het kapittel weer bijeen gekomen op 12 februari 1905 onder voorzitterschap van rector Sanders, geassisteerd door pastoor Baekers en rector Schellen van het Sint Barbaraklooster I Wijbosch. Met 91 van de 93 uitgebrachte stemmen valt de keuze op zuster Theodora Slits, die haar verantwoordelijke taak dankzij herverkiezingen in 1910, 1916, 1922 heeft kunnen continueren tot 1928.

In dat jaar speelt een merkwaardige kwestie en is er driftig gecorrespondeerd met zowel ‘s-Hertogenbosch als Rome. Op 4 juni van dat jaar verzoekt men aan de bisschop om de verkiezing van de algemene overste van 1 september te mogen verplaatsen naar 27 augustus. Op 13 juni volgt het antwoord vanuit ‘s-Hertogenbosch dat men in principe geen bezwaar heeft, maar dat hiervoor dispensatie van de H. Stoel in Rome moet worden aangevraagd en men voegt er aan toe, dat de zittende algemene overste op basis van artikel 6 van de nieuwe constituties niet meer herkozen kan worden. Gecorrespondeerd wordt met Dr. A. van Asseldonk in Rome want binnen de congregatie leeft de overtuiging dat een herverkiezing voor onbepaalde tijd wel tot de mogelijkheden behoort. Vanuit Rome volgt de bevestiging dat de zusters gelijk hebben. Op 27 augustus 1928 wordt door bisschop Diepen rector Rubbens gemachtigd het kapittel van 42 stemgerechtigde leden voor te zitten met assistentie van twee priesters te weten kapelaan H. Steenbakkers en rector A.F.J. van Amstel als rector van het Barbaraklooster in Wijbosch. De herverkiezing van zuster Theodora moet worden voorgelegd aan de Congregatie der Religieuzen te Rome. In dit schrijven naar Rome deelt men mee hoe oud de herkozen algemene overste is en hoeveel jaren zij die functie zonder onderbreking heeft bekleed. Uiteindelijk worden de benoemingen die op 27 augustus zijn gedaan van bovenaf niet goedgekeurd en laat monseigneur Diepen weten, dat een nieuwe verkiezing georganiseerd dient te worden, waarbij de vicarisgeneraal monseigneur Pompen van het bisdom het voorzitterschap op zich zal nemen.

Zr. Maria Theresia Veltman. (algemeen overste van 1928 - 1940)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Maria Theresia Veltman 6e algemeen overste.
Het gekozen hoofdbestuur uit 1934. Vanaf links: Zr. Everarda Coppens, Zr. Petronellia Walboomers, Zr. Maria Theresia Veltman 6e algemene overste, Zr. Lamberdine van Dam, Zr. Elisabeth van Grootel.

De verkiezingsdag wordt vastgesteld op 26 november met 43 stemgerechtigde zusters. Al in de eerste ronde wordt zuster Maria Theresia Veltman als 6e algemene overste gekozen.
Ook zij blijkt een sterke persoonlijkheid, overtuigd leidinggevend, gezag uitstralend, doortastend, gepaard gaande met een sterke feeling voor het praktisch oplossen van soms netelige problemen. Het feit dat ze tot tweemaal toe herkozen wordt bewijst hoe krachtig zij de congregatie heeft weten te leiden in een binnen de vaderlandse historie woelige tijd nl. de crisisjaren en de mobilisatie. Om alles in goede banen te blijven leiden is van het toenmalige hoofdbestuur veel inventiviteit en creativiteit gevergd om de congregatie door die moeilijke periode heen te loodsen. In de aanloop naar het kapittel in 1934 stuurt ze drie weken van te voren nog een zeer uitgebreide circulaire rond naar de oversten en leden van de congregatie in de resp. succursaalhuizen of dochterstichtingen in den lande. Immers enige weken voor de officiële kapitteldatum is het de bedoeling dat eerst alle afgevaardigden voor dat kapittel gekozen worden, zodat de definitieve keuze van de nieuwe algemene overste en haar assistenten op democratische wijze kan geschieden. Zuster Theresia Veltman zet nog eens alle belangrijke richtlijnen nauwkeurig op een rij, waaruit af te leiden is hoe dat proces in de praktijk verliep. Ze geeft alle zusters in ernstige overweging zich bij de keuze van elke afgevaardigde van een huis te laten leiden door een „zuivere bovennatuurlijke beweegreden‟ en in de dagen van voorbereiding door vurig en volhardend gebed het licht van de Heilige Geest te vragen, opdat de afgevaardigde die gekozen wordt iemand zal zijn die krachtig kan werken aan de groei en bloei van de congregatie. Uit mondelinge overlevering blijkt echter dat in die dagen nog de concrete praktijk is geweest dat met name de huisoverste of de „eerwaarde moeder‟ werd gekozen en het zou nog duren tot ver in de jaren ‘60 eer dat patroon werd doorbroken. Voorts volgen 12 artikelen die een volledig inzicht geven op de hele gang van zaken in de jaren ‘40 en ‘50. Vastgesteld wordt het volgende:

  • drie dagen voor de verkiezing van de afgevaardigde bidden de zusters dagelijks de litanie van de H. Geest, die van Onze Lieve Vrouw, een Onze Vader ter ere van het Goddelijk Hart, een ter ere van de H. Joseph, een ter ere van de H. Vincentius à Paulo en zullen de zusters de vierde dag de H. Communie tot die intentie opdragen
  • alle zusters moeten zich wachten voor het rechtstreeks of zijdelings werven van stemmen
  • niemand kan geldig op zichzelf stemmen
  • de zusters kunnen zo nodig onder elkaar raadplegen over de meer of mindere geschiktheid van de zuster die zij als afgevaardigde willen kiezen, maar vooral zullen zij door vurig gebed Gods bijzondere voorlichting vragen; ook zullen de zusters hun keuze geheim houden zelfs na de verkiezing
  • de lijst van verkiesbare leden zal op 1 november met dit schrijven in een afzonderlijk daarvoor belegd kapittel voor de leden van het huis worden voorgelezen en daarna in de refter ter inzage worden gelegd
  • de 3e dag na voorlezing van dit schrijven zal de verkiezing van de afgevaardigde plaats hebben dus op zondag 4 november voor de middag om 9 uur
  • de keuze van de afgevaardigde zal plaats hebben in het plaatselijk kapittel en worden voorgezeten door de overste van het huis; stemrecht in dit kapittel hebben alle zusters die eeuwige geloften hebben afgelegd
  • de verkiezing zal geschieden met geschreven stembriefjes; elke zuster schrijft vooraf op haar stembriefje duidelijk de kloosternaam met de familienaam van haar die zij tot afgevaardigde kiest
  • op de dag der verkiezing verzamelen zich alle geprofeste leden en na het Veni Creator en het Sub tuum praesidium gebeden te hebben brengt elke zuster haar stembriefje, dat tweemaal gevouwen is, bij de overste; de zieken die zich in het huis bevinden en die niet in staat zijn bij de verkiezing tegenwoordig te zijn, kunnen haar stem geschreven geven per gesloten stembriefje; tot dat doel zal de overste haar raadzuster(s), of bij ontstentenis van deze, de oudste zuster in professie naar de zieken sturen om de stembriefjes te halen; de overste legt alle stembriefjes in een enveloppe, waarop de naam van het succursaalhuis met de plaatsnaam geschreven wordt en waarop het getal der stembriefjes is aangegeven en ze sluit vervolgens de enveloppe; vervolgens doet ze deze in een andere enveloppe die zij in tegenwoordigheid van alle zusters sluit en vervolgens rechtstreeks en onmiddellijk verzendt naar het moederhuis in Schijndel
  • in het moederhuis zullen de enveloppen, die de stemmen van de zusters bevatten, niet geopend worden dan in tegenwoordigheid van de dienstdoende rector van het moederhuis, de algemene overste en haar assistenten
  • de zuster die in een huis de meeste stemmen heeft, zal tot afgevaardigde gekozen zijn; als twee of meer zusters een gelijk aantal stemmen hebben zal zij, die de oudste in professie is, en indien zij gelijk staan in professiejaren, zal de oudste in leeftijd gekozen zijn
  • de algemene overste zal vervolgens aan de oversten van de huizen kennis geven wie tot afgevaardigden gekozen zijn en meedelen wanneer deze voor de verkiezing in het moederhuis aanwezig moeten zijn
  • de noveen voor de generale verkiezing begint volgens voorschrift van de H. Regel op zaterdag 17 november; omdat de 9e dag van deze noveen op een zondag valt, zullen de zusters niet de 9e maar de 8e dag van de noveen vasten

Normaliter kiest men één afgevaardigde per huis, maar waar het kloosters betreft met meer dan 40 zusters, kiest men twee afgevaardigden. Uit de gedistribueerde lijst van 1934 blijkt dat slechts twee huizen een dubbele afvaardiging hebben gekozen nl. het moederhuis en het Barbaraklooster in Wijbosch.

Zr. Cecile Kievits. (algemeen overste van 1940 - 1952)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Cecile Kievits 7e algemeen overste.

Op basis van de toen gepubliceerde richtlijnen volgen ook de kapittels van 1940, 1946 en 1952 waarbij tot algemene overste is gekozen zuster Cecile Kievits. Ze heeft in een moeilijk tijdsgewricht de leiding op zich genomen nl. de oorlogsperiode en die van de wederopbouw. Bij de correspondentie die van het kapittel van 1952 is bewaard gebleven is het enigszins opvallend dat, in de circulaire die aan de succursaalhuizen wordt gestuurd, de scheidende algemene overste laat weten, dat bisschop Mutsaerts heeft gesuggereerd, dat niet per definitie de oversten van de huizen als afgevaardigden gekozen hoeven te worden. Of dit een poging is geweest om bewust de „gevestigde orde‟ te doorbreken valt er niet uit op te maken. Naast de oversten van de diverse kloosters zijn er vast en zeker onder de „gewone zusters‟ serieuze kandidaten geweest met veel talenten, leidinggevende inzichten, creativiteit en inspiratie, maar de suggestie van de bisschop bleef bij een suggestie. De lijst van afgevaardigden overziende lijkt het er op dat in 1952 uiteindelijk toch weer, dat voor 99 % alle moederoversten als kapittel lid naar voren worden geschoven.

De zusters die het hoofdbestuur vormden in de periode 1940-1952 Zr. Annie van Overbeek, Zr. Theresia Veltman, Zr. Cecile Kievits 7e algemene overste, Zr. Petronellia Walboomers en Zr. Fulgentia Bollen.

















Zr. Borgia Boerkamp. (algemeen overste van 1952 - 1964)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Borgia Boerkamp 8e algemeen overste.
Het nieuw gekozen hoofdbestuur dat de leiding heeft gehad vanaf 1952 Zr. Borgia Boerkamp, Zr. Cecile Kievits, Zr. Annie van Overbeek, Zr. Fulgentia Bollen en Zr. Veronique van Woerkum.

Een bijzondere aantekening betreffende het kapittel van 1952 is die van de keuze van twee hoofdbestuursleden. Normaliter worden de leden van het generaal bestuur gekozen uit de voorgedragen groep kapittelleden. Dat is dus deze keer niet gebeurd. Zowel de nieuwe algemene overste als de 4e assistente waren geen afgevaardigden op het keuzekapittel. Tot algemene overste is met 53 van de 54 stemmen gekozen zuster Borgia Boerkamp, die op dat moment verbonden was aan de huishoudschool te Borne. Zij is telefonisch op de hoogte gebracht van haar keuze, aanvaardde die en stond ‘s middags rond 14.00 uur in het moederhuis. Dat gold ook voor zuster Veronique van Woerkum, die met 54 stemmen was gekozen tot 4e assistente, terwijl ze nog verbonden was aan een school in Eindhoven en geen kapittellid was. Na het bewuste telefoontje is zij afgereisd naar Schijndel.
Daar heeft toen op 26 november ‘s middags om 14.15. uur de installatieplechtigheid plaats gevonden, waarin de Bossche bisschop Mgr. W. Mutsaerts zelf voorging en later met het nieuwe hoofdbestuur zou poseren. Tijdens die ceremonie bedankt de bisschop het „oude hoofdbestuur‟ dat volgens hem onder zeer moeilijke omstandigheden de congregatie heeft moeten leiden en richt zich tevens tot het nieuwe bestuur dat hij allereerst feliciteert met het feit dat de vijf zusters „tot een hoge waardigheid zijn uitverkoren‟.
Hij houdt het nieuwe hoofdbestuur voor dat er ook nu geen gemakkelijke tijd zal aanbreken, want vanuit het hoogste kerkelijk gezag wordt steeds luider gesproken over vernieuwing en aanpassing van het religieuze leven. Dat betekent concreet dat de sterk heersende uniformiteit en het centrale gezag van bovenaf langzaam maar zeker opengebroken zullen worden om plaats te maken voor een intern democratiseringsproces en allerlei vormen van pluriformiteit in wonen, werken, vieringen en beleving van het religieuze zijn. In latere kapittels zal overduidelijk blijken dat deze trend zich zou gaan voortzetten.

In dezelfde geest als de vorige kapittels is ook dat van 1958 gehouden. Tussen 1952-1958 vindt echter wel een opvallende gebeurtenis plaats nl. de vernieuwde kleding van de zusters. Dat geeft aanleiding heel kort stil te staan bij de historie hiervan.
Op het moment dat pastoor Antonius van Erp de congregatie sticht oriënteert hij zich uiteraard op de toekomstige kleding van de zusters. Dat was geen moeilijke opgave want, gestimuleerd en gesteund door monseigneur Zwijsen in Tilburg, wordt al snel besloten om de kleding van de Zusters van Liefde te Tilburg aan de Oude Dijk over te nemen met dien verstande dat slechts één zichtbaar verschil is doorgevoerd nl. de plaatsing van de grote rozenkrans. In Tilburg droeg men hem links en in Schijndel werd hij rechts gedragen. De vraag is of beide congregaties zich in de beginjaren stipt aan de kledingvoorschriften hebben gehouden, want onder koning Willem I (1814-1840) was religieuze kleding eigenlijk nog verboden. Pas in 1840, bij het aantreden van koning Willem II is dit vrijgegeven!
Tijdens de eerste periode van zuster Vincentia (Mieke de Bref) heeft het moederhuis nog geen eigen kapel. De zusters gaan tot 1843 naar de parochiekerk. Was er in die tijd een jong meisje door de congregatie aangenomen, dan ging dat na de misviering in de Servatiuskerk naar de sacristie waar de andere zusters bijeenkwamen en dan kreeg de nieuwe kloosterlinge een lange zwarte falie omgehangen, die door Brabantse vrouwen bij begrafenissen en andere plechtigheden werd gedragen. Enige weken later ontving ze dan in het moederhuis het religieuze habijt, bestaande uit een lijfje met bonte halsdoek, een zwarte, meestal baaien rok, daarover een blauwe voorschoot, een ronde kap met zwarte sluier, een barbet (een soort witte bef), een kruis hangend aan een zwart lint en tenslotte de rozenkrans.
Dat zilveren kruis kende een voor- en achterkant. Voorschrift was dat op de dinsdagen de voorzijde zichtbaar moest zijn en op de andere dagen de achterzijde.

In de loop van de jaren zijn er kleine wijzigingen in de kleding doorgevoerd. Het zou te ver voeren ze allemaal tot in detail te beschrijven. We beperken ons tot de meest markante wijzigingen.
In 1893 bv. is het brede zwarte lint vervangen door een smal lint, in 1910 is de blauwe voorschoot op de zondagen vervangen door een zwarte, vanaf 1912 wordt door de week voortaan een zwarte schort gedragen, in 1929 wordt bepaald dat de wijkverpleegsters bij regenweer een gummi kap mogen dragen. In 1937 is besloten dat het gewone scapulier niet door een scapuliermedaille mocht worden vervangen. Rond de jaren ‘50 van de vorige eeuw breekt het besef door dat juist vanuit het oogpunt van gezondheid en netheid toch ingrijpender wijzigingen nodig zijn. Dat gebeurt op paaszaterdag 1955.
Op die dag worden alle zusters voorzien van nieuwe kledij, terwijl met kerstmis van dat jaar ook nieuwe en tevens lichtere rozenkransen in gebruik worden genomen. Ook vervalt het grote kruis en gebruikt men voortaan een bescheiden halsketting met kruisje. In de daarop volgende kapittels komt het onderwerp „kleding‟ iedere keer terug, er is zelfs een kledingcommissie actief en er worden her en der experimenten toegestaan tot men in 1966 ook andere sluiers gaat dragen. Het zal tot 1968 duren eer men een kapittelbesluit neemt om de zusters een eigen keuze te laten maken in verband met het dragen van religieuze of burgerkleding. Anno 2009 is er nog maar één zuster die heeft afgezien van burgerkleding en nog haar sluier draagt.

Een beduidend andere koers vanaf 1964

Zr. Veronique van Woerkum. (algemeen overste van 1964 - 1982)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Veronique van Woerkum 9e algemeen overste.
Hoofdbestuursleden gekozen op het kapittel van 1958 te weten Zr. Josephia Havekes, Zr. Cecile Kievits, Zr. Borgia Boerkamp 8e algemene overste, Zr. Veronique van Woerkum en Zr. Norbertini van Rijssel
Het hoofdbestuur van 1964 Zr. Johanna Vianney van Uden, Zr. Martinia Huijbers, Zr. Veronique van Woerkum de 9e algemene overste, Zr. Josephia Havekes en Zr. Norbertini van Rijssel.
Het hoofdbestuur 1970-1973. Vanaf links: Zr. Elise Marie Peters, Zr. Veronique van Woerkum de 9e algemene overste, Zr. Aloysa van Amersfoort, Zr. Marie Martinia Huijbers dat per 1 mei 1973 weer op 5 leden is gebracht nl. Zr. Veronique van Woerkum, Zr. Aloysa van Amersfoort, Zr. Elise Marie Peters, Zr. Marie Agatha Hendriks en Zr. Norbertini van Rijssel
Het nieuwe hoofdbestuur gekozen op 29 december 1976 te weten vanaf links: Zr. Theresine Teurlinckx, Zr. Marie Agatha Hendriks, Zr. Magda van der Heijden, Zr. Veronique van Woerkum de 9e algemene overste, en Zr. Aloysa van Amersfoort.

Was het tot op heden zo dat de moeder-oversten van de huizen een beslissende invloed hadden op de kapittels, vanaf 1964 gaat er een duidelijk andere wind waaien. De democratisering wordt zichtbaarder en vanuit het toenmalige hoofdbestuur worden in augustus 1964 alle zusters aangeschreven, omdat men graag iedereen wil betrekken bij het kapittel dat in december van dat jaar gehouden zal worden. Het hoofdbestuur stelt voor dat in iedere kloostercommuniteit gespreksgroepen gevormd gaan worden om naar elkaar toe open en eerlijk na te denken en te discussiëren rondom vier cruciale sterk sfeerbepalende thema’s nl. de gebedssfeer, leefsfeer, werksfeer en bestuur sfeer. Rond elk thema zijn drie of vier centrale vragen voorgelegd.
Het gaat om gespreksgroepen die naar liefdewerk en leeftijd zo gevarieerd mogelijk zouden moeten zijn van 8-16 zusters, afhankelijk van de grootte van de communiteit. Het hoofdbestuur hoopt vervolgens via de ingediende verslaglegging een goed en gedetailleerd inzicht te krijgen in wat er onder de zusters van de congregatie leeft ten aanzien van die thema’s en dat de uitslag een goede weerspiegeling is van het huidige denken. De rapportages zullen in het zakenkapittel van december 1964 uitvoerig ter sprake komen.
Op 29 december wordt het keuzekapittel onder voorzitterschap van Mgr. Oomens vicaris generaal van het Bossche bisdom, in aanwezigheid van pastoor-deken van Dijk en rector van de Schoor afgesloten en treedt het nieuwe hoofdbestuur aan onder leiding van zuster Veronique van Woerkum.

In een circulaire in januari 1965 bedankt de nieuw gekozen algemene overste alle medezusters voor de vele blijken van belangstelling rond haar keuze, maar geeft ruiterlijk toe dat ze met gemengde gevoelens de taak van algemene overste op zich heeft genomen. Enerzijds een gevoel van huiver vanwege de grote verantwoordelijkheid en de wetenschap dat deze taak ver boven haar krachten uitgaat, anderzijds een gevoel van verwondering dat ik in samenwerking met het hoofdbestuur Gods wil mag trachten te vertolken voor de congregatie in deze boeiende tijd.
Binnen de kapittelhistorie verdient het door dit hoofdbestuur georganiseerde vernieuwingskapittel uit 1968 alle aandacht. Dat was dus geen regulier kapittel waarbij een nieuw hoofdbestuur gekozen hoefde te worden. Het accent lag op het element „interne vernieuwing‟. De in 1964 ingezette trend wordt gecontinueerd en uitgediept.
In de brochure „Op weg waarheen‟ worden alle zusters opgeroepen actief mee te denken. In het voorwoord staat het proces heel kort samengevat in de zinsnede: “Wij bezinnen ons thans op het diepste zijn en de juiste verschijningsvorm van het religieuze leven in deze tijd; moge ons gelovig zoeken vruchtbaar worden door de kracht van de Heer die gezegd heeft: Zie ik maak alles nieuw”. Deze brochure is ook toegestuurd aan de zusters in de buitenlandse vestigingen, omdat ook hun visie van eminent belang wordt geacht. Dit kapittel is begeleid door een priesterteam bestaande uit pater P. Koper, rector W. van Bergen, pater H. Opbroek en rector Jos van de Schoor. Bovendien is een organisatieman van buitenaf aangetrokken in de persoon van Paul Nolet, die de zakelijke leiding van de bijeenkomsten op zich heeft genomen.
De gekozen kapittelleden zijn in commissies opgesplitst met ieder een eigen thematiek. In totaal, buiten het begeleidend priesterteam, vijf commissies met als thema’s: de religieuze inspiratie, werkobjecten, toekomst, persoonlijk leven en groepsleven. Op elk thema wordt vervolgens een korte zakelijke toelichting gegeven. Zo verwacht men van de commissie „religieuze inspiratie‟, dat men op zoek gaat naar de werkelijke basis van het religieuze leven.
Dit vraagt om verdieping van ons mens-zijn in de wetenschap, dat iedere mens leeft vanuit een eigen kern, mens-zijn betekent immers onaf zijn, mens-zijn is medemens-zijn en mens-zijn houdt betrokkenheid op God in. Vanuit die fundamentele inspiratie zoekt men naar de wortels van het religieus-zijn en stelt men zich de cruciale vraag: waarin ligt nu exact onze inspiratie als kloosterlingen en de persoonlijke beleving ervan?
De commissie „werkobjecten‟ gaat op zoek naar moderne opvattingen over arbeid en dienstbaarheid. Van religieuze gemeenschappen verwacht men dat ze trouw zijn aan de hen opgedragen taak. Van de andere kant wordt van deze commissie verwacht, dat ze nieuwe initiatieven ontwikkelt omdat deze tijd om vormen van „nieuwe dienstbaarheid‟ vraagt. Bovendien zal men de samenleving moeten tonen wat radicaal christendom is. Moderne dienstbaarheid zal vragen om soepelheid en flexibiliteit, zodat wij als religieuzen ook staan te midden van hen die aan onze zorgen worden toevertrouwd.
De commissie „toekomst‟ beraadt zich op de enorme verschuivingen in het mens- en wereldbeeld anno 1968. Willen religieuzen in de toekomst iets betekenen, dan is een fundamentele bezinning op die toekomst erg belangrijk, om hem óf goed te verstaan óf op z’n minst goed aan te voelen. Hoe staan wij in de voor ons liggende periode als werkende vrouwen in deze maatschappij, hoe zal de kerk er uit zien binnen de komende decennia, hoe zal het mens- en Godsbeeld zich gaan ontwikkelen. Men gaat aan de slag met vragen als: heeft ons leven als religieuzen nog zin voor de toekomst? Hebben wij een zoekende houding die ons openstelt voor een eigentijdse beleving. Fundamentele discussies die moeten leiden tot nieuwere vormen van religieus leven.
De commissie „persoonlijk leven‟ bezint zich op de bouwstenen van de congregatie. Elke individuele zuster van liefde is immers een van de vele bouwstenen. Maar hoe komt het persoonlijk leven van iedere zuster tot bloei en tot z’n recht.
Hoe sta ik persoonlijk in de kloostergemeenschap waarin ik leef en werk. Fundamentele uitgangspunten voor deze commissie zijn volwassenheid, vrijheid, betrokkenheid op elkaar, vertrouwen in elkaar, persoonlijk levensgeluk.
Tenslotte de commissie „groepsleven‟ die als opdracht heeft meegekregen om alle positieve en negatieve ervaringen rond het huidige groepsleven in de kloostercommuniteiten te analyseren, de gezagsverhoudingen binnen de leefgroepen nader te bestuderen en de structuur en de taak van het congregatiebestuur aan een kritisch onderzoek te onderwerpen, om van daaruit met nieuwe voorstellen te komen t.a.v. het groepsleven van de leden van de congregatie, waaruit misschien wel nieuwe leefvormen voortkomen. Vanuit het hoofdbestuur streeft men naar een zo open mogelijke communicatie tussen kapittel en congregatie.
Om de sfeer te kunnen proeven en de denktrant van die dagen te kunnen aanvoelen is een alinea uit de openingstoespraak van zuster Veronique tekenend voor dat vernieuwingskapittel.
Zij houdt de zusters het volgende voor:

“Kapittel-houden in dienst van de congregatie betekent, dat we ons vanaf heden gaan bezighouden met een onderzoek naar de situatie van onze congregatie, waarin we haar zijn, haar levensuitingen durven bevragen en waarna wij tot haar opbouw ons willen confronteren met ideeën en gedachten van anderen, in de meest brede zin, en deze onbevangen op ons willen laten inwerken en ze intensief beluisteren, onverschillig of ze verrassend, nieuw of schokkend zijn. Met andere woorden….dat we alles zonder vooringenomenheid willen onderzoeken, het goede behoudend, zonder het te verwarren met het vertrouwde. Het kapittel-beraad zal dan metterdaad iets krijgen van schone leien en nieuw griffels en dat zal ongetwijfeld met prijsgeven gepaard gaan. Maar alleen als we op deze wijze afstand durven nemen van het vertrouwde, van het bekende, kiezen we voor vernieuwing. Dat betekent niet dat we de continuïteit, de band met het verleden willen verwerpen, nee, de werkelijke verworvenheden van het religieuze leven zullen, misschien anders dan ze ontstonden, in onze nieuwe denk- en belevingswijze meekomen. Waarschijnlijk zelfs rijker en meer geïntegreerd. We mogen hierbij bedenken, dat we geen nieuwe mantel over een oude aantrekken. Zo wordt het ons duidelijk, dat een en ander moet worden afgelegd, om tot werkelijke vernieuwing te komen. Wij ondervinden vele scheppende impulsen, die leiden naar levensechte vernieuwingen. Vernieuwingen waarin ieder zich zou moeten kunnen thuis voelen, omdat zij ons helpen in onze menswording. Vernieuwingen die ons niet worden opgelegd, maar een handreiking proberen te zijn tot voller ontplooiing, tot volledige religieus-zijn. Hierdoor wordt de eigenwaarde en de persoonlijke waarde van ieder gerespecteerd. Vernieuwing in deze zin wordt minder beangstigend. De ene grote bekommernis die ons allen in en buiten het kapittel zou moeten bezighouden is: een gelukkige, vernieuwde en dienstbare gemeenschap tot stand te brengen en dat te doen vanuit een diep respect voor het verleden, een grote verantwoordelijkheid voor het nú en in een werkelijk geloof in de toekomst”.

Op basis van het verkiezingsreglement en veel vernieuwde inzichten volgt dan het gewone keuzekapittel van 1970, waarna een nieuwe bestuursperiode begint met dit verschil, dat het aantal bestuursleden is teruggebracht tot vier nl. zuster Veronique blijft algemene overste en haar assistenten zijn Zr. Aloysa van Amersfoort, Zr. Elise Marie Peters en Zr. Marie Martinia Verhagen. De laatste zal wegens ziekte ontslag verleend worden en zij wordt vervangen door Zr. Norbertini van Rijssel. Gaandeweg deze bestuursperiode groeit echter het inzicht dat een hoofdbestuur bestaande uit vier personen uiteindelijk toch minimaal is, in acht genomen het scala aan werkzaamheden en de uitdrukkelijke aandacht voor het nieuwe beleid. Op 1 mei 1973 wordt een wijziging doorgevoerd en wordt weer een 5e bestuurslid toegevoegd in de persoon van Zr. Marie Agatha Hendriks. Uit de kapittelstukken is helder te analyseren dat volgens de gezamenlijke kapittelleden dit nieuwe bestuur meer in inspirerende dan organisatorische richting werkzaam moet zijn. Bovendien is men van mening dat het nieuwe bestuur de vrijheid tot experimenteren gegeven dient te worden om, in overleg met de congregatieleden, het nieuwe beleid handen en voeten te kunnen gaan geven. Ook zal nader bekeken worden hoe bepaalde zaken overgeheveld zouden kunnen worden naar een ondersteunend bureau. In de kapittelstukken treft men diverse organisatiemodellen aan met taakverdelingen onder de hoofdbestuursleden, de generale econome en het „bureau van diensten‟ . Er zijn wat dat betreft ook contacten geweest met andere congregaties o.a. de zusters van Amersfoort, Tilburg en Veldhoven over de organisatiestructuur binnen hun congregatie.

Langzaam maar zeker komt het kapittel van 1976 in zicht. De vernieuwingsgolf is niet meer te stuiten. Interessant in dit kader is te lezen wat het verwachtingspatroon is dat door de zusters wordt geschetst. Het tekent ook het spanningsveld tussen de zusters die graag trouw willen blijven aan tradities en de vernieuwingsdenkers.
Enkele kenmerkende uitspraken illustreren de gedachtegang rondom dit kapittel. Zo staat in een circulaire met als titel „Wat verwachten wij van het kapittel” te lezen:

  • we verwachten niet dat het de klok zal terugdraaien want op tal van punten zou dit ongewenst, maar ook heilloos zijn; het zou in veel gevallen ook niet meer kunnen zoals bv. de lekenkleding – wenselijk is wel dat in die lekenkleding de bescheidenheid en een zekere herkenbaarheid merkbaar is m.a.w. geen opschik, geen make up, geen pronkzucht, geen rivaliteit, geen verkwisting
  • we verwachten meer duidelijkheid inzake de wezenlijke betekenis van onze drie geloften m.a.w. waar legt het kapittel feitelijk en eigenlijk de zin en de waarde van de armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid
  • hoe moeten wij als religieuzen omgaan met alle vrijheden die nu geboden worden
  • wat is nog de rol van de traditionele regelgeving
  • hoe passen we ons gebedsleven in bij deze nieuwe manier van invulling van ons kloosterleven
  • in hoeverre is nog duidelijk wat ons samenbindt en groepen vallen uit elkaar
  • hoe verhoudt zich het alleen gaan wonen of in kleine groepen met de waarde van een grotere religieuze gemeenschap etc.

Rond al die wezenlijke thema‟s volgen tijdens enige open dagen verdiepingsgesprekken in kleine groepen. Rondom de voorbereiding op dit kapittel is een brochure of bundel verschenen getiteld “Wat houdt ons levend?”. Dit kapittel wordt omschreven als een „diepte-onderzoek‟ met momenten van afbraak van het oude en opbouw van een nieuw perspectief, nieuwe inspiratie, een eigentijdser leefklimaat, maar steeds vanuit de wortels uit het verleden. Een kijken in de diepte en daardoor een persoonlijk bewustwordingsproces op gang proberen te brengen. In de brochure staat het omschreven als „een nieuw luisteren naar onze roeping, wat een nieuw elan voor religieus leven kan betekenen, een nieuw geloof in onze eigen innerlijke krachten en dat delen met onze medezusters‟. Zo gaat de congregatie via pluriform groepsleven, gezamenlijke reflectie op het wezenlijke van ons kloosterbestaan onderweg naar een nieuwe toekomst.

In dezelfde periode is ook ruim aandacht besteed aan twee andere bezinningsronden, de ene aangeduid met de term ´Congregatie over grenzen´ en de andere „Wisselweij´ die beide in dienst stonden van het kapittel van 1976.

Maranatha te Duizel in 1982

Zr. Florentina van Calsteren. (algemeen overste van 1982 - 1994)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Florentina van Calsteren 10e algemeen overste.
Het gekozen hoofdbestuur van 1982. Vanaf links: Zr. Miranda van Kleef, Zr. Electa Peters, Zr. Florentina van Calsteren 10e algemene overste, Zr. Magda van der Heijden en Zr. Aloysa van Amersfoort.
Het bestuursteam van 1988. Vanaf links: Zr. Miranda van Kleef , Zr. Magda van der Heijden, Zr. Electa Peters, Zr. Florentina van Calsteren de 10e algemene overste en Zr. Rita Schrurs.

Als voorbereiding op het kapittel van 1982 schrijft de toenmalige algemene overste dat voor haar de tijd is gekomen zich na 18 jaren bestuurswerk niet meer herkiesbaar te stellen voor een nieuwe termijn. Onder de bezielende en inspirerende leiding van zuster Veronique heeft het vernieuwingsproces nog duidelijker vorm gekregen, maar niet zonder pijn getuige de opvallende ondertitel in de bestuurskrant nl. „pijn en vreugde horen bij veranderingen in deze tijd‟.
De terugblik en tevens evaluatie over de bestuursperiode 1976-1982 is samengevat in genoemde krant met als titel „Alles heeft zijn tijd – verslag en verantwoording van zes bestuursjaren‟ geeft een idee van wat in de congregatie aan nieuwe initiatieven is ontwikkeld.
Het hoofdbestuur realiseert zich, mede geïnspireerd door geluiden van onderaf, dat door de veelheid van taken serieus gezocht moet worden naar een nieuwe bestuursstructuur waarin „communicatie‟ het sleutelwoord wordt. Een vorm van verticale communicatie tussen het hoofdbestuur en alle ondersteunende interne en externe diensten en vanuit het generaal bestuur naar alle congregatieleden, maar tegelijkertijd een vorm van horizontale communicatie tussen de leden onderling. Allerhande communicatieschema’s zijn toen ontwikkeld om het nieuw beleid te kunnen visualiseren. Het zich samen verantwoordelijk voelen neemt een prominentere plaats in en via allerlei gespreksgroepen, bezinnings-, ontmoetings- en vormingsdagen wordt geprobeerd het nieuwe beleidsconcept zichtbaar te maken en te laten „leven‟ bij de leden. Tegelijkertijd ziet men ook weer een verdere verdieping plaatsvinden waar het gaat om cruciale vragen als….wat betekent gelovig mens-zijn, wat wordt onze nieuwe opdracht in de wereld van nu, hoe blijven we de armen in de wereld zo nabij mogelijk, hoe realiseren we de communicatie met al onze zusters die werken in de diverse ontwikkelingsgebieden. De contacten met andere congregaties en religieuze instellingen in den lande worden aanzienlijk verbreed en uitgediept.

De al bestaande ondersteunende diensten worden geïntensiveerd zoals de financieel-economische sector op de Mariahoeve, de speciale onderwijssector, de missieprocuur, de groep pastorale begeleiding en het priesterteam en de A.I.M.-dienst (Analyse, Informatie, Motivatie).
Binnen de aangepaste bestuursstructuur wordt een van de krachtige pijlers het eigen secretariaat, een zeer verantwoordelijke vertrouwenspost.
Had voorheen de algemene overste haar eigen secretaresse, nu wordt het secretariaatswerk uitgebreid in dienst van alle bestuursleden als collectief. Dit intern secretariaat wordt overigens direct ondersteund door enkele individuele zusters die o.a. de zorg hadden voor de congregatiebulletins, kaartsystemen, registers, statistische gegevens, bijhouden van fotoalbums, het congregatiearchief en last but not least de goed geoutilleerde reproafdeling.

Een ander concreet actiepunt van beleid is de intensieve aandacht voor de „congregatie over de grenzen‟, want buiten Nederland zijn er veel zusters werkzaam (geweest) in o.a. Indonesië, Curaçao, Zambia, Chili, België, Duitsland, Filippijnen, Oeganda, India en Peru. De mondiale en missionaire visie overstijgt het oorspronkelijk „Nederlandse‟ karakter van onze congregatie. Op elk van die gebieden wordt in het evaluatieverslag dieper ingegaan en geeft het verslag een historisch overzicht van alle activiteiten en recente ontwikkelingen ter plaatse.
Het nieuwe bestuur dat in 1982 is gekozen met als algemene overste zuster Florentina van Calsteren trekt deze lijn uiteraard door.
Terugkijkend op deze bestuursperiode wordt in hun evaluatieverslag (1982-1988) helder aangegeven dat het samen zoeken naar wat beter kan en beter moet een zoektocht is van hoofdbestuur en leden samen. Hun gevolgde filosofie is gericht op het welzijn van de kloostergemeenschap, de voortzetting van het vertrouwen in de persoonlijke verantwoordelijkheid van ieder lid van de congregatie, openstaan voor het nieuwe dat groeit, het toerusten van alle leidsters van grotere en kleinere conventen op hun veelzijdige taak, intensievere contacten realiseren met de afzonderlijke leefgemeenschappen, het stimuleren van de vitaliteit van de zusters en het meedenken met het beleid en door dit alles heen onvoorwaardelijk trouw blijven aan de doelstelling van de congregatie. Allerlei maatschappelijke en kerkelijke ontwikkelingen dwingen ons, zo schrijft het toenmalige hoofdbestuur, een pas op de plaats te maken, kritisch waakzaam te zijn en ons intensief te bezinnen op de in de constituties omschreven doelstelling nl. „de wereld leefbaar maken vanuit de traditie van Jezus van Nazareth en de spiritualiteit van Vincentius à Paulo‟.
Binnen het algemene bestuursbeleid komt er een heldere taakomschrijving voor ieder lid van het generaal bestuur, zowel intern als extern, worden de bestuur ondersteunende diensten nog eens extra onder de loep genomen. Tegelijkertijd groeit het besef dat vooral in Nederland de congregatie er een is van ouder wordende zusters. Dit betekent afname van lichamelijke krachten, groei in rijpheid en een andere verbondenheid met de maatschappij. Dit houdt voor de toekomst in dat we steeds meer aangewezen zullen zijn op hulp en verzorging van en door leken. In 1987 is een voorbereidende conferentie, genoemd Interland-overleg georganiseerd, een fundamenteel overleg met de volledige besturen in alle regio’s te weten Indonesië, Curaçao, Chili en Zambia.
Het is een aanloop naar het kapittel van 1988. Dit overleg concentreert zich op het gestalte geven aan de Vincentiaanse spiritualiteit, zicht krijgen op de ontwikkelingslijnen binnen elke regio, bezinning op hoe krijgt het religieuze leven vorm binnen de vormingsprogramma’s der jonge zusters aldaar, het bevorderen van groeiende zelfstandigheid en op het opsporen van specifieke knelpunten.

Besluitvorming in 1988

Na een groot aantal achterban-bijeenkomsten waarin via allerlei discussiegroepen een brede bezinning heeft plaatsgevonden is uiteindelijk een lijst van „besluiten algemeen kapittel 1988‟ geformuleerd van waaruit de nieuwe beleidslijnen zijn uitgezet voor de periode 1988-1994.
Hoofdthema’s die dit kapittel hebben beheerst, zonder op de kleinere details in te gaan, zijn o.a. geweest: religieus leven in de wereld van nu, de maatschappelijke betrokkenheid vanuit het Vincentiaans ideaal, de missionaire zending van de congregatie, de vormgeving van het proces van vernieuwende spiritualiteit, het onderbrengen van huize Maranatha te Duizel in een stichting, de concrete invulling van het algemeen financieel beleid van de congregatie, de relatie tussen hoofdbestuur en de afzonderlijke diensten zoals de economische dienst, de dienst Analyse Informatie en Motivatie, de missionaire dienst, de dienst Vrede, de dienst Spiritualiteit, de dienst Leefverbanden, project-adviescommissies, het Advies-Overleg Orgaan (A.O.O.), de autonomie van de regio Indonesia en uiteraard is aandacht besteed aan de constituties en het daaruit voortvloeiende directorium.

De kapittels over de periode 1994-2006

Zr. Truus Sonder (algemeen overste van 1994 - 2012)[bewerken | brontekst bewerken]

Zr. Truus Sonder 11e algemeen overste.

Het Algemeen Kapittel van de Zusters van Liefde van Schijndel, bijeen in Maranatha te Duizel, heeft op 29 december 1994 een nieuw bestuurteam gekozen. Voor de komende zes jaar is het algemeen bestuur van de congregatie aan hen toevertrouwd. Dat nieuwe bestuur zou overigens pas op 1 april 1995 officieel aantreden onder leiding van zuster Truus Sonder. Dit alles valt te lezen op een algemene aankondiging waarin ook de aftredende bestuursleden worden bedankt, die met grote inzet en verantwoordelijkheid de doelstelling en het welzijn van de congregatiegemeenschap hebben behartigd.
De congregatie zal drie bestuursperioden (18 jaren) lang door haar geleid worden, overigens met een enigszins wisselende samenstelling van de leden van het hoofdbestuur, die samen het kapittel van 2000 en 2006 hebben voorbereid en weer afgesloten. In de beschrijving is geprobeerd deze drie bestuursperioden te zien als een soort „drieluik‟ en ze als zodanig ook samen te vatten.
Het nieuwe bestuur is in april 1995 begonnen met een soort „rondreis‟ door de congregatie, een bewuste kennismakingsronde maar dan specifiek gericht op het overbrengen van de concrete vertaling van de kapittelbesluiten van 1994, het uitdragen van de toekomstvisie en vooral het luisteren naar wat er onder de zusters leeft, wat hen beweegt, hoe zij in het kloosterleven staan en hoe ze de grondinspiratie van waaruit ze hun leven gestalte en vorm willen geven. Terwijl zuster Florentina het kapittel van 1994 opende met een overweging rond „vitaal zusterschap in de kracht van saamhorigheid‟, zou haar opvolgster dit kapittel afsluiten met een slottekst getiteld „grondinspiratie in kracht van saamhorigheid‟. Samen op zoek gaan naar het wezen van het religieuze leven, elkaar daarin ondersteunen, geloven in eigen kracht, respect en waardering voor eenieders rol binnen de veelkleurigheid en veelvormigheid van de congregatiegemeenschap, een proces waarin het algemeen bestuur communiceert, overlegt en adviseert. Anders geformuleerd: “ Het beleid zal gericht zijn op eenheid, samenhang en ondersteuning in wat aan krachten onder ons aanwezig is”.
Op de congregatie dag 1 november 1995 wordt het beleidsplan „op weg naar 2000‟ gepresenteerd gebaseerd op drie essentiële pijlers. De kwaliteit van het religieuze leven als levende herinnering aan het Evangelie. De waarde van een hechte leefgemeenschap waarin de zusters proberen een thuis te scheppen voor elkaar. Ten slotte de zending die religieuzen hebben, beseffend dat de kloostergemeenschap ouder wordt, de krachten afnemen en leken noodgedwongen veel taken overnemen, maar het gevoel van de zending van elke zuster van liefde in het voetspoor van Vincentius à Paulo en Mieke de Bref blijft van vitaal belang.
Qua informatievoorziening wordt ook een andere weg ingeslagen. Steeds uitgaande van de versie van de beleidsplannen 1994-2000, 2000-2006 en 2006-2012 worden alle activiteiten, overwegingen, liturgische vieringen, toespraken door de algemene overste en jaarthema’s binnen zo’n bestuursperiode in een resp. rode, groene en blauwe multoband gebundeld. De hele cyclus wordt ingebed in jaarthema’s of jaarprogramma’s. Alle bezinningspunten die door het hoofdbestuur, ondersteund door diverse ad-hoc-commissies, zijn aangedragen en waaromheen allerlei bijeenkomsten zijn georganiseerd, hebben als uiteindelijk doel de verdieping van het eigen religieuze leven.

Een speciaal accent wordt in deze periode terecht gelegd op het verfijnen van de werkorganisatie. De congregatie is immers een levende organisatie die voortdurend in beweging is. Men realiseert zich dat de zusters ouder worden. Ze blijven wel op alle mogelijke manieren betrokken bij kerk, wereld en maatschappij, maar moeten zich in vergelijking met vroeger, op allerlei terreinen laten ondersteunen door externe deskundigen, wat er toe heeft geleid, dat steeds meer leken een rol toebedeeld hebben gekregen. Een saillant detail is dat men is overgegaan voor de nog bestaande kloostergemeenschappen een lekenleidster aan te trekken. Om de communicatielijnen helder te kunnen schetsen is een organogram ontworpen waarin men in een oogopslag kan zien uit welke elementen die brede organisatie is opgebouwd. Het is in het kader van deze historische beschrijving van de congregatie dan ook zinvol om enkele facetten wat nader toe te lichten.
In 2004 is vastgesteld wat de „missie‟ moet zijn van de werkorganisatie, vertaald in concrete opdrachten en doelstellingen. Men kan die „missie‟ zien als de grondslag voor alle werkzaamheden van alle medewerkenden binnen de congregatie op welke post dan ook. In gezamenlijk overleg zijn zij verantwoordelijk voor het wel en wee van de zustergemeenschap.
Men wil zorgondersteuning bieden. Zorg en zorgvisie zijn inherent aan de oorsprong of grondinspiratie van de congregatie. Men streeft met alle medewerkenden naar „zorg op maat‟, zoals die op de dag van vandaag zichtbaar wordt in het Sint Jozefklooster ofwel het moederhuis en het klooster Annahof. Sinds eind 2009 is immers alles voortaan geconcentreerd binnen Schijndel na de terugtrekking van de laatste vier zusters die nog een communiteit vormden op Curaçao en de laatste zusters die vanuit Tongelre bij Eindhoven zijn teruggekomen naar Schijndel. Om deze alomvattende zorg te kunnen realiseren is eigentijds personeelsbeleid en een daarop aangepast personeelsbeheer noodzakelijk. Bovendien is een belangrijke taak weggelegd voor de medewerkers die verantwoordelijk zijn voor een doelgericht financieel en facilitair beleid en beheer. Anno 2009 hebben de zusters 167 leken in dienst verdeeld over de genoemde kloosters en andere randdiensten.
Het moederhuis, waar rond de 100 zusters samenwonen, is een uitgesproken woonklooster dat de zusters huisvesting, voeding en verdere huishoudelijke ondersteuning biedt. De belangrijkste diensten zijn de keuken, maar daarnaast kent men ook andere service-organen zoals de huishoudelijke dienst, activiteitenbegeleiding, pedicure, wasserij, receptie en kapsalon om de belangrijkste te noemen.
Klooster Annahof biedt een thuissituatie aan maximaal 40 zusters met extra zorgondersteuning of zoals men dat noemt „Meerzorg‟. Het klooster kent momenteel drie huiskamers waarin de zusters samenkomen en een communiteit vormen. In dit klooster treft men dan ook alleen maar huishoudelijk en verzorgend personeel aan.
In 2000 is er een algemeen directeur van de werkorganisatie benoemd in de persoon van Dhr. G. Backus. Hij coördineert met zijn medewerk(st)ers alle diensten vanuit de bestaande Mariahoeve, een boerderijgebouw uit 1935 dat nu meer een kantorencomplex is, wat men zou kunnen beschouwen als het kloppend hart van de congregatie op financieel, economisch en onderhoud technisch niveau. Voor wat het dagelijks onderhoud van de nog bestaande gebouwen betreft is een contract aangegaan met wooncorporatie Huis & Erf.

Het gekozen bestuursteam dat op 29 december 1994 is geïnstalleerd staande vanaf links: Zr. Adie Roijackers, Zr. Miranda van Kleef, zittend vanaf links: Zr. Truus Sonder de 11e algemene overste, Zr.Agnes Vos en Zr. Louisa Geven.
Het in 2000 gekozen hoofdbestuur vlnr. Zr. Agnes Vos, Zr. Astrid van den Berg, Zr. Louisa Geven, Zr. Adie Roijackers en Zr. Truus Sonder de 11e algemene overste .
Het in 2006 gekozen hoofdbestuur staand Zr. Louisa Geven, Zr. Truus Sonder de 11e algemene overste, Zr. Rita Schrurs en zittend Zr. Mirjam Litjens en Zr. Agnes Vos.
Het in 2012 gekozen hoofdbestuur Staand Zr. Miranda van Kleef, Zr. Agnes Vos de 12e algemene overste, Zr. Rita Schrurs en zittend Zr. Engracia Kong en Zr. Mirjam Litjens.
Het in 2018 gekozen hoofdbestuur vlnr, Zr. Rita Schrurs, Zr. Mirjam Litjens, Zr. Agnes Vos de 12e algemene overste, Zr. Engracia Kong en Zr. Maria Maas.

Groei naar religieuze volwassenheid.[bewerken | brontekst bewerken]

Van postulaat tot eeuwige geloften.[bewerken | brontekst bewerken]

Alvorens tijdelijke of eeuwige geloften af te leggen doorlopen de jonge meisjes als het ware twee fasen, die van het postulaat en van het noviciaat.
Postulanten zijn jonge meisjes, na 1858 „educandin(n)en‟ van de normaalschool, later kwekelingen van de Mariakweekschool, die aangeven tot de congregatie te willen toetreden. In de beginfase van de congregatie was de intrede van nieuwe postulanten heel eenvoudig geregeld. Vermoedelijk zijn daarin niet al te veel wijzigingen aangebracht, behalve dan dat na 1843 deze plechtigheid in de eigen kloosterkapel werd gevierd. Belangrijk in die fase is de keuze die de postulant maakt voor een eigen kloosternaam en de medaille die men krijgt als uiterlijk kenmerk voor hen die tot het postulaat behoren. Zowel bij de keuze van de kloosternaam als bij het aanvaarden van de medaille spreekt de algemene overste een kort gebed uit. Elke postulant krijgt dan voor de eigenlijke kloosternaam eerst de toevoeging Maria bv. zuster Maria Vincentia de Bref.
De congregatie kent het begrip „postulantenmoeder‟ als de zuster die de rechtstreekse leiding krijgt over deze groep jonge meisjes en garant moet staan voor het vormingsproces gedurende een half jaar. Zo is het overigens niet altijd geweest. Vóór 1918 bestond die scheiding immers niet en vormden postulanten en novicen als het ware één groep. Na 1918 is men overgegaan tot de benoeming van een aparte „postulantenmoeder‟, terwijl de functie van „novicenmeesteres‟ al langer bestond.

Een postulante meldt zich bij het moederhuis met de intentie in te treden.

Postulantenmoeders vanaf 1918:

Postulantenmoeder van tot
Zr. Ambrosia Maas 1918 1924
Zr. Godefrida Maria Martens 1924 1930
Zr. Cécile Kievits 1930 1932
Zr. Albertine van Lith 1932 1939
Zr. Leonarda Samson 1939 1944
Zr. Vincentio Verstraaten 1944 1947
Zr. Jeanne Baptist van Helvert 1947 1948
Zr. Francesco Tausch 1948 1956
Zr. Anysia Jans 1956 1958
Zr. Joanna van der Heijden 1958 1961
Zr. Gerardina Maas 1961 1962
Zr. Bellarmina Asma 1962 1963
Zr. Agatha Marie Donkers 1963 1964

De intrede van postulanten geschiedde in de 19e eeuw op zeer onregelmatige tijden. Er kon binnen één jaar meerdere malen een intrede plaatsvinden en even zo vele malen was er sprake van inkleding. De postulanten werden immers vaak enige dagen na hun intrede al voorzien van de kloosterkleding. Zo zijn bv. de laatst ingetreden zusters in het jaar 1899 binnengekomen op 18 december en op kerstmis daaraan volgend hebben ze het kloosterhabijt ontvangen. In 1911 heeft men algemeen bepaald dat intrede van postulanten slechts vier maal per jaar wordt toegestaan en de inkleding drie weken later. Men kiest voor 19 maart de feestdag van Sint Jozef, 19 juli de feestdag van Vincentius à Paulo en daar tussenin een dag in mei en november. Vanaf 1919 slechts tweemaal per jaar en sinds 1922 zijn de officiële dagen 4 februari en 4 augustus geworden. Uit die periode stamt ook nog een heel klein getypt boekje waar tot in detail is uitgewerkt wat men van postulanten verwacht en wordt de plechtigheid van de intrede uitvoerig toegelicht en tevens een „handboekje‟ speciaal ontworpen voor de gang van zaken tijdens de retraite van de postulanten, alvorens novice te worden. Historisch gezien zijn dit voor de congregatiegeschiedenis waardevolle documenten.
Voor elke intrede of afleggen der geloften gaat een 8-daagse retraite vooraf.
Over die eerste kennismakingsperiode is het zgn. directorium dat bij de constituties hoort heel duidelijk.
Het gaat in die kennismakingsperiode vooral om de ontmoeting met individuele zusters en zusters in communiteitsverband. De periode om de congregatie beter te leren kennen kan variëren van een half jaar tot maximaal drie jaren. Daarna is verlenging niet mogelijk, tenzij met speciaal verlof. Concreet betekent die regelgeving ook dat de communiteit waarin zo’n postulante geplaatst wordt zich ook daadwerkelijk bewust moet inzetten voor de vorming van de jonge meisjes. Het is logisch dat de postulantenmoeder dit nauwlettend in het oog houdt.

Als novice allerlei huishoudelijke werkzaamheden leren uitvoeren komt je in elk klooster goed van pas.
Als novice allerlei huishoudelijke werkzaamheden leren uitvoeren komt je in elk klooster goed van pas.
Als novice allerlei huishoudelijke werkzaamheden leren uitvoeren komt je in elk klooster goed van pas.

De vormingsfase van het noviciaat

Na het postulaat volgt dan het noviciaat. Die overgang wordt bekrachtigd door het ontvangen van de sluier en de H. Regel van de congregatie.
In de vormingsperiode tijdens het noviciaat worden de zusters in spé uitdrukkelijk voorbereid op alles wat de religieuze staat van hen zal vragen. Novicenmeesteressen zijn dan ook bij voorkeur zusters met veel ervaring op het gebied van religieus leven en spiritualiteit, zoals het omschreven staat in de kloosterregel. Diversen van hen zijn later algemene overste geworden. Een boeiend handboek voor de novicenmeesteressen (448 pagina’s geschreven tekst!) uit de 19e eeuw is de basis geweest waarin alle grondwaarheden, beschouwingen en bespiegelingen staan opgetekend, die van belang waren voor de jeugdige religieuzen. Later is dat hele vormingsproces aangepast aan de eisen des tijds. Kortweg gezegd….naast heel veel theoretische en diepgaande beschouwingen over de kloosterstaat, het streven naar volmaaktheid, de kloostergeloften van armoede, maagdelijkheid en gehoorzaamheid, zijn ook heel belangrijke thema’s geweest: het inzicht in eigen karakter en persoonlijkheidsstructuur, eigen mogelijkheden en onmogelijkheden leren kennen, christelijke grondwaarden ontdekken en beleven, leren omgaan met wereldse invloeden, de waarde van het gebedsleven en geestelijke meditatie, de balans tussen bidden en werken, intensief reflecteren op de eigen motivatie om te kiezen voor het kloosterleven, het ingroeien als individu in de grote kloostergemeenschap en de daaraan verbonden regels en verplichtingen, studeren, in een latere fase ook Bijbelse en theologische oriëntatie, de wegen leren zien die leiden tot een optimale persoonlijkheidsontwikkeling, allerlei facetten leren beheersen van uiteenlopende huishoudelijke werkzaamheden die in elke kloostergemeenschap aangepakt dienen te worden….anders gezegd….een hechte basis leggen om een goed religieus te kunnen zijn conform de Constituties en Regels van de congregatie.
Tegelijkertijd wordt in dat vormingsproces een krachtig accent gelegd op algemene orde, netheid, discipline en wellevendheid, waarin men alle gedragsregels tot in detail de revue laat passeren van belang tijdens de maaltijden, de omgang met anderen, bescheidenheid, eenvoud en soberheid betrachten, keurig en algemeen beschaafd spreken, de omgang met vreemden en hoe zich te gedragen op reis. Ook is er ruim aandacht voor ontspanning, sport en musiceren. De achterliggende filosofie van dit alles….iedere zuster heeft uit hoofde van haar functie, waar ze ook wordt ingezet, een voorbeeldfunctie op alle terreinen! Dat kon niet krachtdadig genoeg worden „ingepeperd‟.

Ruimte om te sporten tussen al dat serieus gestudeer is geen overbodige luxe voor lichaam en geest.
Samen met de novicenmeesteres aan tafel en de juiste tafelmanieren inoefenen zoals die van hogerhand waren voorgeschreven.
Vertrek van de novicen naar hun nieuwe bestemming in Nijmegen.

Alles, maar dan ook alles, werd tot in de puntjes voorgeschreven in de verwachting dat iedere zuster zich stipt aan al die gedetailleerde voorschriften zou houden. Die regels zijn in die tijd ingegeven door het overheersende gevoel voor orde en discipline….en……een supercorrect gedrag onder alle omstandigheden waarin men komt te verkeren, zodat aan de buitenkant niets op een Zuster van Liefde is aan te merken. Om dit helder te illustreren nemen we een stukje op uit een ongedateerd schriftje met het opschrift „Wellevendheid‟, toegespitst op het gedrag in de refter tijdens de diverse maaltijden. De inleidende regel luidt: “Aan tafel vooral toont zich de verstorven en beschaafde religieuze”. Het is een mooi sfeerbeeld uit die tijd die eerste 15 „gouden regels‟……

  1. Gaan zitten als de meerdere gaat zitten
  2. Pas beginnen als de meerdere begint
  3. Rechtop zitten, niet te ver over de bank, niet tegen de stoelleuning
  4. Alleen de gesloten hand op tafel, niet een gedeelte van de onderarm
  5. Bij het eten de hand naar de mond brengen, niet de mond naar de hand
  6. Aan tafel met geen tafelgerief spelen, zich gewennen stil en rustig te zitten
  7. Bij hoesten de rugkant van de hand voor de mond en bij niezen de hand eveneens voor de mond, iets opzij gaan of zich terugtrekken
  8. De hand voor de mond als men iets tussen de tanden verwijdert
  9. Alleen zichzelven bedienen nooit anderen
  10. Niet voor elkaar heen reiken
  11. Niet met een vollen mond spreken of drinken
  12. Niet te veel ineens in den mond steken – weinig tegelijk is wellevender en gezonder
  13. Bij het kauwen de mond nagenoeg gesloten
  14. Niet te vlug eten en de spijzen opslokken – haastig eten is ongezond, verlagend en een teken van geen goede opvoeding – het voedsel moet steeds behoorlijk gekauwd worden
  15. Geen ongeduld laten blijken als men niet gauw genoeg bediend wordt

Bij het hoofdstukje over het middagmaal zijn zelfs regels opgenomen om de jonge zusters aan te leren hoe ze bessen, kersen en aardbeien moeten eten. Het past exact in de sfeer van toen, een juiste levenshouding ontwikkelen op basis van orde, rust, regelmaat, zelfbeheersing, zelfdiscipline, rekening houden met een ander, het gezag volgen, kritiek leren accepteren en dit alles dagelijks in praktijk brengen zodat het „inslijpt en beklijft‟ totdat men voldoet aan het beeld dat binnen de congregatie leeft van een „échte Zuster van Liefde‟.
Historisch interessant is in dit verband een oud document getiteld „register van aanneming‟ waarin de congregatie elke zuster heeft ingeschreven die is toegetreden tot de congregatie en dat register begint met de volgende tekst: “Ondergetekenden verklaren dat zij met den inhoud der bepalingen of statuten van het Burgerlijk Zedelijk Lichaam onder de benaming van “Vereeniging van Vrouwen, gevestigd te Schijndel, ten doel hebbende het geven van onderwijs aan kinderen van vermogende en onvermogende ouders, het verplegen van oude vrouwen en andere liefdewerken” volkomen bekend zijn en zich verbinden om aan dezelve stiptelijk te voldoen”.
Het noviciaat is tot 1967 rechtstreeks verbonden geweest aan het moederhuis en is in dat jaar overgeplaatst naar Nijmegen. Na 1973 hebben zich geen meisjes meer aangemeld om in te treden in de congregatie.

Novicenmeesteressen vanaf 1836:

Novicenmeesteres van tot
Zr. Vincentia de Bref 1836 1845
Zr. Theresia van Rooij 1845 1846
Zr. Aloysa van Buel 1846 1847
Zr. Emmanuël de Gier 1847 1862
Zr. Juliana van Boxtel 1862 1869
Zr. Ma. Innocentia Eijcken 1869 1888
Zr. Ma. Ignatia van Vlokhoven 1888 1895
Zr. Marie Alfonsine de Jong 1895 1900
Zr. Francoise Cooymans 1900 1905
Zr. Bertranda Kanters 1905 1916
Zr. Antonio Deelen 1916 1932
Zr. Cécile Kievits 1932 1940
Zr. Geertruda Schellekens 1940 1944
Zr. Anne Baeten 1944 1955
Zr. Geertrude Verbruggen 1955 1965
Zr. Joanna Marie Swanenberg 1965 1967
Zr. Daniëlla Blankwater 1967 1981

Aspiranten met tijdelijke geloften[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdelijk geprofeste aan de studie.
Tijdelijk geprofeste in het koorgebed waarbij in één oogopslag duidelijk is wat men van de uiterlijke houding van de jonge zusters verwacht tijdens het bidden van het officie of klein brevier.

Na het noviciaat volgt een meestal driejarige periode waarin de jonge zusters hun tijdelijke geloften afleggen ook wel aangeduid als „tijdelijke professie‟. De geestelijke vorming wordt daarbij gecontinueerd onder leiding van de „aspirantenmoeder‟. Voor een tijdelijk geprofeste zuster zijn alle rechten en plichten van toepassing die zijn verbonden aan het lidmaatschap van de congregatie. De duur van het aspiraat is in principe drie jaar met een maximale verlenging tot 6 jaar. Het is een levensfase die men kan beschouwen als een voorbereidingstijd op de eeuwige verbintenis met de congregatie. Aan het einde van de driejarige periode dient de tijdelijk geprofeste zuster een verzoek in om toegelaten te worden tot de eeuwige professie. De definitieve toelating is afhankelijk van het oordeel van het generaal bestuur. Men gaat er vanuit dat de tijdelijk geprofeste er innerlijk helemaal aan toe is om zich voor altijd te binden aan het kloosterleven. Uit gesprekken zal duidelijk moeten zijn dat de aspirant inderdaad gelooft in het doel en de zending van de congregatie. Dat alles wil niet zeggen dat men op dat tijdstip per definitie helemaal rijp is om die stap te zetten. De groei naar het religieuze leven houdt daar immers niet op, maar loopt na de eeuwige verbintenis gewoon door. Vanaf september 1963 vormen aspiranten en eeuwig geprofeste één leefgroep!

De lijst van „aspirantenmoeders‟ ziet er vanaf 1891 als volgt uit:

Aspirantenmoeder van tot
Zr. Marie Joseph Bogaers 1891 1897
Zr. Syncletica van Heeswijk 1897 1900
Zr. Marie Alfonsine de Jong 1900 1903
Zr. Adriana Berkelmans 1903 1911
Zr. Lamberdine van Dam 1911 1920
Zr. Elisabeth van Grootel 1920 1940
Zr. Fulgentia Bollen 1940 1957
Zr. Agnesa Snieders 1957 1961
Zr. Genesia Vrooijnk 1961 1963

De kloostergeloften nader toegelicht[bewerken | brontekst bewerken]

Een groep tijdelijk geprofesten en jonge leden van de congregatie uit de periode dat heel veel jonge meisjes kozen voor het kloosterleven en wel zoveel dat de grote refter van het moederhuis te klein bleek en zij moesten uitwijken naar een andere ruimte die als eetzaal werd ingericht.

In het perspectief van die degelijke vorming passen perfect de drie kloostergeloften die de zusters afleggen. Allereerst de gelofte van armoede waarin men belijdt onthecht te willen raken aan geld en goed, door niets als persoonlijk eigendom te beschouwen maar het te delen met anderen en in te zetten voor de noden in de samenleving. Door het afleggen van deze gelofte verliest iedere geprofeste zuster het beheer, het gebruik en het vruchtgebruik van eventueel bezit en staat dit af aan degene die ze zelf kiest. Alvorens eeuwige geloften af te leggen wordt verwacht dat iedere zuster een testament opstelt. In de huidige constituties wordt dit nog gedetailleerder uitgewerkt.
In de gelofte van zuiverheid of maagdelijkheid is in de regelgeving te lezen „drukken wij uit, dat we met geheel onze liefde, bewust van onze gaven als vrouw, beschikbaar willen zijn voor het Rijk Gods en aanvaarden wij vrijwillig zuivere liefde te beleven in het religieuze celibaat‟.
Dat schept ruimte om zich geheel en al te concentreren op de noden van medemensen en daarvoor open te staan en die te helpen lenigen. Tenslotte is er de gelofte van gehoorzaamheid, waarin de zusters proberen door hun levenswijze te gehoorzamen aan de „wil van God‟ om in navolging van Jezus te werken aan een betere wereld, op te komen voor de zwakkeren, ontheemden, de zieke en zorgbehoevende medemens, de opleiding van de jeugd, de zorg voor verslaafden, voor hen die uitgebuit worden en de onderdrukten, dienstbaarheid in welke functie dan ook en dat wereldwijd.
Ook deze gelofte wordt in de constituties nog veel verder toegelicht en gezien als een persoonlijke maar ook een gemeenschappelijke zending van alle liefdezusters, waarin men gehoorzaamt aan de doelstelling van de congregatie.
Dat hoofdstuk in de constituties wordt dan besloten met de volgende Bijbelse formulering…..”Wie onder u de meeste wil zijn moet de dienaar van allen worden”.
Dat is de uiteindelijke opdracht van iedere Zuster van Liefde nl. onvoorwaardelijke dienstbaarheid!
In sommige archiefstukken is ook sprake van een zgn. vierde gelofte nl. de toezegging dat men zich geheel en al en belangeloos zal wijden aan de liefdewerken van de congregatie waar ter wereld ook en zich daarmee ook zal conformeren aan de beslissingen van het algemeen bestuur, die de plaatsing en overplaatsing van de zusters regelt.
Na het afleggen van die tijdelijke geloften, de zusters worden dan al volop ingezet in de liefdewerken, gaat het vormingsproces nog enige jaren door en wordt de jonge zuster dieper doordrongen van de consequenties van het afleggen van deze geloften en neemt de verdieping in het religieuze leven en alle daarbij horende praktijken alleen maar toe.
De directe voorbereidingstijd op de definitieve of eeuwige verbintenis met de congregatie neemt zeer serieuze vormen aan. Het afleggen van de „grote geloften‟ of eeuwige professie is een belangrijk moment. Op die dag wordt een zuster immers als volwaardig lid van de congregatie in de kloostergemeenschap opgenomen. Dat is binnen het moederhuis altijd een indrukwekkende plechtigheid geweest.
Vanuit de congregatie wordt hier alle aandacht aan geschonken en worden de geloftezusters via gezamenlijke bijeenkomsten, speciale conferenties en gesprekken voorbereid op deze belangrijke gebeurtenis in hun leven. Ook pal voor de retraite die voorafgaat aan het afleggen van de eeuwige geloften spreekt de algemene overste hen nog toe. Veel van die toespraken zijn in het kloosterarchief bewaard gebleven. De interpretatie der drie geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid zijn voortdurend aan ontwikkeling onderhevig geweest en steeds opnieuw „vertaald‟ naar de opvattingen binnen een bepaald tijdsgewricht. In de uitgave van de constituties van 1990 is het eindresultaat van bezinning, in en buiten de voorafgaande kapittels, op de eigentijdse inhoud van die geloften opnieuw verwoord.

Een reportage vol symboliek[bewerken | brontekst bewerken]

Een groep aspiranten uit 1960 dat in afwachting is van de plechtigheid der eeuwige professie.
De „bruiden‟ die eeuwig geprofest worden en voortaan officieel „leden van de congregatie‟ worden genoemd, gehuld in witte sluiers op de bidstoelen voor de communiebank.
De overhandiging van scapulier, sluier en kruis en daarna zingt het koor het Veni sponsa Christi.
De toespraak van de bisschop voor de hele kloostergemeenschap.

Normaliter worden van de indrukwekkende plechtigheid van de eeuwige professie geen reportages gemaakt, maar hierop is in het verleden één uitzondering gemaakt nl. in februari 1952. Het zijn unieke beelden die in dit jubileumboek dan ook niet mogen ontbreken. Het gaat hier om een plechtige liturgische viering waar een wereld van symboliek achter schuil gaat. Om de gehele symboliek beter te kunnen begrijpen is het van belang dat ook de door de bisschop, diens gedelegeerde of de algemene overste van de congregatie uitgesproken gebeden en teksten grotendeels worden meegenomen.
Daardoor wordt het een reportage met een heel bijzonder karakter. Voor sommigen misschien wel „érg religieus‟, maar beschouw het maar als een hoge uitzondering! Die tekst en uitleg is noodzakelijk om de hele viering op de juiste wijze te kunnen interpreteren. Voor deze professieplechtigheid is door de congregatie een apart ceremoniaal samengesteld. Aangezien er geen nieuwe zusters meer intreden vindt deze historische plechtigheid in het moederhuis uiteraard nooit meer plaats. Juist daarom is het goed om er, voor het nageslacht althans, een beeld van te geven. Honderden familieleden van zusters die eeuwig geprofest zijn, hebben in het verre verleden deze plechtigheid van nabij kunnen meemaken en zullen zich de diepgang van die viering nog wel herinneren.
Bij die plechtigheid in 1952 is Zijne Hoogwaardige Excellentie monseigneur Wilhelmus Mutsaerts als bisschop van ‘s-Hertogenbosch zelf voorgegaan, geassisteerd door pastoor-deken Gabriël van Dijk en de Zeereerwaarde Heer A. van Haaren rector van het moederhuis. Aangekomen in de kapel is allereerst het Veni Creator Spiritus gezongen, een lied waarin men de H. Geest aanroept met de tekst “Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer, houd Gij bij ons uw intocht, Heer; vervul het hart dat U verbeidt, met hemelse barmhartigheid”.
Meteen na dit gezongen gebed, nog voor de misviering, hebben enige novicen hun tijdelijke geloften afgelegd in handen van de bisschop. Pas daarna is de plechtige viering van de Eeuwige Professie begonnen. De „bruiden‟ die hun eeuwige geloften zullen gaan afleggen hebben hun plaatsen ingenomen op bidstoelen voor de communiebank voor bij het priesterkoor en dragen allen een witte sluier.

Nadat de eerste evangelietekst is gelezen gaat de bisschop over tot wijding van het scapulier en de sluier. Hij spreekt vervolgens een gebed uit waarin de functie van die beide elementen van het kloosterhabijt worden benadrukt: “Heer Jezus, die U gewaardigd hebt, het omhulsel onzer sterfelijkheid aan te nemen, wij smeken Uwe overgrote en overvloedige goedgunstigheid, gewaardig U deze kledij, welke de H. Vaders, de wereld verlaten hebbende, hebben vastgesteld te dragen ten teken van onschuld en nederigheid, zó te zegenen, dat deze Uwe dienares, welke met dit kleed bekleed zal zijn, waardig zij U aan te trekken. Die leeft en heerst met de Vader in de eenheid met de Heilige Geest in de eeuwen der eeuwen. Amen”.
Ook zegent de bisschop het kruis dat iedere zuster draagt met de woorden: “God, die door het teken van het kruis de wereld uit de macht der duisternissen bevrijd hebt, zegen, bidden wij u, dit kruis hetwelk Uwe dienares verlangt te dragen, opdat het haar strekke tot heil van ziel en lichaam. Door Christus, onze Heer”.
Na deze handeling neemt de bisschop plaats op de voor hem klaar gezette bisschopszetel voor het hoogaltaar. De bruiden, die inmiddels hun witte sluier hebben afgelegd, gaan een voor een naar de bisschop.
Op het moment dat die het scapulier aan een bruid geeft, daarbij geholpen door de algemene overste met haar assistente, zegt hij: “Ontvang dit H. Scapulier; deze kledij zij voor U een sterkte en een sieraad, opdat Gij U verheugt op de Laatste dag” en maakt vervolgens een kruisteken. Bij het omhangen van het kruis zegt hij: “Ontvang het Kruis des Heren, plaats het als een zegel op Uw hart, opdat Gij onder zijn bescherming veilig zijt en in dit teken overwint”, waarna wederom een kruisteken volgt. Bij het overhandigen van de sluier gebruikt hij de tekst: “Plaats op Uw hoofd de sluier, opdat Gij, aan God toegewijd, aan niemand anders Uw liefde schenkt”, gevolgd door een kruisteken.
Tijdens dit plechtig moment zingen alle zusters twee hymnen nl. het Veni sponsa Christi etc. vertaald: “Kom bruid van Christus, ontvang de kroon die de Heer voor U bereid heeft” en Jesu coronam Virginum, vertaald : “O Jezus aller maagden kroon etc.”. Na deze plechtigheid staat de bisschop op, de misdienaars dragen de bisschopszetel weg, de algemene overste en haar assistente en de zusterkosteres verlaten het priesterkoor en de „bruiden‟ gaan terug naar hun plaats op de stoelen vóór de communiebank.

De geprofeste zusters nemen plaats op hun stoelen en luisteren naar de toespraak van de bisschop. Die spreekt de volgende woorden: “Vandaag is het weer een gloriedag voor de Schijndelse congregatie. Hier staan negen maagdelijke bruiden gereed om zich helemaal weg te schenken aan de arme, gehoorzame, maagdelijke bruidegom, die niemand anders is dan Jezus Christus, de enige zoon van de Vader”. Hij herinnert elke zuster aan het volgende…..: “Ik ben gekomen, niet om mijn wil te vervullen, maar om de Wil te vervullen van mijn Vader die in de hemel is”. Voorts houdt hij de gezamenlijke bruiden voor: “Als ge uw woord getrouw blijft en een werkelijk gehoorzame religieuze zijt, dan zult ge mogen zeggen: “Ik doe altijd wat de Vader aangenaam is”. En dan zal Vader getuigen: “Deze is mijn welbeminde dochter”.
Na deze toespraak wordt de eucharistieviering vervolgd tot en met het Agnus Dei.
De hele aanwezige kloostergemeenschap heft vervolgens het „De Profundis” aan, het “Uit de diepten roep ik tot U Heer”, een moment waarop alle bruiden plat ter aarde gaan liggen. De symboliek en betekenis achter dit nederig gebaar is uitdrukking geven aan „het afsterven aan de wereld‟ ofwel anders gezegd, de wereld, familie en alles wat je dierbaar is bewust verlaten om voortaan onvoorwaardelijk Jezus te volgen, die hen heeft geroepen tot hun religieuze taken.

Na het zingen van deze psalm volgt het moment waarop iedere zuster naar voren treedt tot bij de bisschop, met naast haar de algemene overste. De bruid knielt voor de bisschop die haar de H. Hostie toont. Rechts van haar zit de algemene overste die de gelofte die de zuster dan uitspreekt in naam van God en de congregatie aanneemt.
De bruid spreekt haar geloften uit met de volgende woorden: “Ik, zuster Maria…….beloof aan God Almachtig voor altijd Armoede, Zuiverheid en Gehoorzaamheid, volgens de Constitutie en Regelen van de Congregatie der Zusters van Liefde van Jezus en Maria. Moeder van Goede Bijstand”. De algemene overste antwoordt hierop met “Amen”. Vervolgens ontvangt de bruid de communie.
Het koor zingt dan het vreugdevolle Magnificat, een lofzang ter ere van Maria. De misviering wordt voortgezet en na het laatste evangelie worden de professieringen gezegend met de woorden: “Heer, Schepper en Behouder van het menselijk geslacht, Gever der genade en der menselijkheid, stort Uw zegen uit op deze ring, opdat Zij die hem zal dragen, door de kracht van boven gesterkt in volkomen vertrouwen en oprechte getrouwheid volharde, opdat ze, als een Bruid van Christus, volgens haar voornemen de maagdelijkheid beware en in de zuiverheid volharde. Door Christus onze Heer – Amen”.

De bruiden treden weer een voor een naar voren, knielen op de altaartrede voor de bisschop en naast de algemene overste om er eerst de ring aan de rechterhand en daarna de kaars in dezelfde hand te ontvangen van de bisschop.
Vervolgens bidt hij als volgt: “Ik huw U met Jezus Christus, de zoon van de hoogste Vader, die U onbevlekt gelieve te bewaren; ontvang dan de ring des geloofs, het zegel van de H. Geest, opdat Gij Bruid van God genoemd wordt en opdat Gij, na God getrouw gediend te hebben, eeuwig gekroond wordt”, gevolgd door een kruisteken. Bij de uitreiking van de kaars bidt hij: “ Ontvang, zuster, het licht in uw handen opdat ge weet dat gij door Christus de Heer onttrokken zijt aan de macht der duisternissen en overgebracht in het rijk van liefde, licht en vrede”, gevolgd door het kruisteken.
Daarna keren alle geprofeste terug naar hun plaats en wordt het danklied „Te Deum laudamus‟ aangeheven, U God loven wij, U o Heer prijzen wij etc. Na het zingen van de hymne Tantum Ergo geeft de bisschop iedereen de zegen met het Allerheiligste. Tenslotte knielen de bruiden neer en bidden enige ogenblikken in stilte om de Heer te danken. Nadat eenieder de kapel heeft verlaten zijn deze negen bruiden nog op de foto gezet met bisschop Mutsaerts.

Een saillant detail uit deze jarenlange traditie is, dat slechts éénmaal in de hele geschiedenis van de congregatie, althans sinds men een eigen kapel heeft in het moederhuis (1843), de professieplechtigheid is verplaatst naar een van de Schijndelse parochiekerken nl. de Pauluskerk in de Hoevenbraak te weten op 5 augustus 1964. Toen hebben tien zusters ten overstaan van monseigneur Oomens, de vicaris van het bisdom ‘s-Hertogenbosch, hun eeuwige geloften afgelegd. De journalist van die dagen schrijft in een krantenartikel dat „de zinvolle plechtigheid, die voor een groot deel in de volkstaal werd gehouden, op de aanwezige medezusters, familieleden en belangstellenden een zéér diepe indruk maakte‟. Dat men was uitgeweken naar een parochiekerk had te maken met verbouwingswerkzaamheden in de moederhuiskapel.
Er is nog iets bijzonders…….wie het memoriaal van de congregatie goed leest ontdekt dat er in het verleden diverse jonge zusters zijn geweest die, vnl. vanwege ernstige ziekte, hun eeuwige geloften vroegtijdig hebben mogen afleggen, de meesten op hun ziekbed. Dat gebeurde dan vaak in een van de kloosters in den lande. De bisschop van ‘s-Hertogenbosch verleende in zo’n geval dispensatie vanwege die zeer bijzondere omstandigheden en wees een geestelijke aan die namens hem bij zo’n gelofte-aflegging aanwezig was.

Bisschop Wilhelmus Mutsaerts omringd door de nieuw geprofeste zusters.

Bisschop Wilhelmus Mutsaerts omringd door de nieuw geprofeste zusters.
1e rij zittend vanaf links: Zr. Aleida Marie Keizers, Zr. Christine Kanters, algemene overste Zr. Cecile Kievits, Mgr. Wilhelmus Mutsaerts, Zr. Johanna van den Heuvel, Zr. Josephine Marie van Dijk,
2e rij staand vanaf links: Zr. Marie Cunera van de Kamp, Zr. Marie Gemma Beunders, Zr. Otilia de Castro, Zr. Cuneberta Coppelmans en Zr. Sixta van der Biest

Enige statistische gegevens[bewerken | brontekst bewerken]

Ter afsluiting van de globale beschrijving over de vorming van de jonge zusters en hun definitief lidmaatschap van de congregatie staan we, op basis van een objectieve geschiedschrijving, ook stil bij de groep die uiteindelijk is uitgetreden uit de congregatie. Het is een bekend gegeven dat in de 175 jaren dat de congregatie nu bestaat er in totaal 2366 Zusters van Liefde te Schijndel zijn toegetreden tot de congregatie. Dat wil echter niet zeggen, dat zij ook allemaal in de congregatie zijn gebleven. Zowel onder de postulanten, de novicen, de aspiranten als onder de geprofeste leden is er een behoorlijk grote groep die op een bepaald moment tóch een andere levenskeuze heeft gemaakt om welke reden dan ook en het „contract‟ heeft beëindigd.
Alle kloosterorden en congregaties, contemplatief of actief, hebben daar mee te maken gehad in het verleden, de ene congregatie misschien percentsgewijs meer dan de andere. Uit de archieflijsten van de Schijndelse congregatie van 1836-2011 is af te leiden dat het gaat om een groep van 643 zusters, waarvan het grootste gedeelte nog tijdens de vormingsperiode een besluit tot uittreden heeft genomen. Ook zijn er 5 zusters geweest die uiteindelijk hebben gekozen voor een contemplatieve of beschouwende orde en intraden in een slotklooster.
In schema gezet geeft dit op de 2366 ingetreden zusters qua uittredingen het volgende beeld: postulanten 109 novicen 278 aspiranten 159 eeuwig geprofesten 97 totaal 643.

Dagorde, liturgische vieringen, koorgebed en meditatie.[bewerken | brontekst bewerken]

Binnen de discipline van het kloosterleven is altijd veel waarde gehecht aan orde en regelmaat. Een sprekend voorbeeld daarvan is de dagorde. De regelgeving daaromtrent liet aan duidelijkheid niets te wensen over en vooral in de 19e en begin 20e eeuw was alles tot in detail voorgeschreven. Illustratief in dit verband en historisch gezien ook boeiend, is het 18e hoofdstuk uit de Bijzondere Regelen zoals die in 1872 in gedrukte vorm zijn verschenen en tot ver in de 20e eeuw in praktijk zijn gebracht, zij het met de nodige aanpassingen aan de tijdsomstandigheden. Daarin wordt het volgende omschreven:

Te half vijf ure ‘s morgens zoowel in den winter als in den zomer, zal het teeken tot opstaan gegeven worden, waarop eenieder zich zal werpen in het H. Hart van Jezus, zich de stof van de meditatie van den dag in het geheugen zal brengen en dadelijk zal opstaan. Gekleed zijnde zal men het bed afhalen en wanneer het weer zulks toelaat, de vensters openen, opdat de lucht, de kamer en het bed ververscht worden. Vóór negen ure ‘s morgens moet het bed wederom opgemaakt zijn.
Te vijf ure bidt men de Metten en Lauden. Daarna begint de meditatie, welke voortduurt tot zes ure. Te zes ure bidt men het Angelus Domini, waarna ieder zich naar de bezigheden harer betrekking begeeft.
Om half zeven ure neemt men het ontbijt. Te zeven ure zal men het H. Sacrificie der Mis bijwonen. Het bidden van de Primen, Tertiën, Sexten en Nonen geschiedt des voormiddags gezamenlijk of ieder voor zich zelve alleen, zoo als het geschiktste met de bezigheden zal overeenkomen. Tussen elf en twaalf ure doet men het bijzonder onderzoek van het geweten.
Te twaalf ure wordt het Angelus Domini gebeden en onmiddellijk daarna neemt men het middagmaal. Voor het middagmaal en de gebeden vóór en na hetzelve wordt drie vierde uurs verleend (vgl. drie kwartier). Tijdens hetzelve, zoo ook onder het avondmaal, wordt iets stichtends voorgelezen.
Na het middagmaal, een kwartier vóór één ure, worden de Vespers en Completen gebeden. Van één tot twee ure is het geoorloofd te spreken, waarna men zijne bezigheden hervat.
Te drie ure bidt men drie Onze Vader en drie Weesgegroet, gezamenlijk of ieder bij zich zelve, ter eere van het lijden en den dood van Christus en na eenige verversching genomen te hebben , doet men het bezoek bij het Allerheiligste Sacrament. Te zes ure bidt men het Angelus Domini. Te zeven ure neemt men het avondeten; voor het avondmaal en de gebeden vóór en na hetzelve wordt een tweede uurs verleend (vgl. een half uur of 30 minuten).
Na het avondeten is het geoorloofd te spreken tot bij half negen ure.
Onder het middag- en avondeten zal zich niemand van hare plaats begeven; maar een ieder zal den tijd tot het eten niet vereijscht wordt, besteden om de voorlezingen aan te hooren; hiervan zijn uitgezonderd de zusters die met de dienst der tafel belast zijn of zaken moeten verrigten die geen uitstel lijden. Te half negen bidt men den Rozenkrans van vijf tientjes en daarna in stilte de oefeningen van Geloof, Hoop en Liefde. Hierop volgt het algemeen onderzoek van het geweten”.

Alvorens elke zuster zich te ruste begeeft (ca. 9 uur) wordt eerst nog de stof van de meditatie van de volgende dag opgegeven, die men vervolgens, op bed liggend, op zich laat inwerken, totdat men in slaap valt, aldus art. 78.
Op deze manier zijn generaties zusters, zeg maar gerust, uiterst „streng opgevoed‟ en is het Bid en Werk van die dagen in de hele dagorde verweven geweest.
Het devies Ora et Labora houdt in dat met name op de groei van het geestelijk leven van de zusters altijd een zwaar accent is gelegd. Voortdurend zijn, met name in het verleden, de oversten van de huizen aangespoord om hier nauwlettend op toe te zien. In de constituties is een apart hoofdstuk gewijd aan het gebedsleven van de zusters. De teksten zijn helder en niet mis te verstaan.
De basisvisie die hieronder ligt is het gegeven dat leven vanuit de geloften inherent is aan een gelovig leven. Geloof komt niet vanzelf, het is een gave waarom we moeten vragen. Het religieuze leven staat of valt met gebed, het is een levensopdracht voor iedere Zuster van Liefde. Dat betekent concreet dat de zustergemeenschap bewust de ruimte en tijd neemt voor stilte, inkeer en bezinning, om zodoende voortdurend nieuwe inspiratie op te doen. Dat kan in persoonlijke gebeden maar ook binnen het gemeenschappelijk gebed. In het verleden waren al die momenten strikt voorgeschreven en na het vernieuwingskapittel is, wat het gebedsleven betreft, een veel sterker beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van iedere zuster. Ook in dit opzicht is men gegroeid vanuit strikte uniformiteit naar pluriformiteit! Natuurlijk zijn er gezamenlijke gebedsdiensten blijven bestaan, maar daarbuiten verwacht men van iedere zuster een eigen invulling in de geest van de congregatie. In de huidige grotere kloostergemeenschappen zoals het moederhuis en Annahof in Wijbosch kent men nog vaste tijdstippen waarop vieringen en gebedsdiensten worden gehouden, maar geheel anders ligt dit voor zusters die of geheel zelfstandig of in kleine communiteiten leven van 2-4 zusters en niet de beschikking hebben over een kapel.
Er is in de constituties een opsomming gegeven van de meest wezenlijke momenten die bijdragen aan de optimalisering van het geestelijke leven van de zusters o.a. via schriftlezing en uitleg hierover in thematische bijbelconferenties, lezen van geestelijke lectuur, gezamenlijke gebeden zoals getijden, morgen- en avondgebed, liturgische vieringen zoals de dagelijkse eucharistievieringen, uitvaartdiensten van medezusters, meditatie, retraite- en bezinningsdagen, gelovige gesprekken gebaseerd op de actualiteit binnen onze samenleving, allerlei vormen van devotie o.a. Maria-devotie, het sacrament van boetvaardigheid of biecht, het sacrament der zieken en andere gebedsvormen of bezinningsmomenten. Aangezien de Schijndelse congregatie een pauselijke congregatie is, is men niet per definitie gebonden aan liturgische beleidslijnen binnen een bepaald bisdom. Op het moederhuis bv. kent men een liturgische dienst die een geheel eigen liturgisch beleid voert en praktisch alle bijzondere diensten samenstelt qua keuze van teksten, liederen en symboliek, ondersteund weliswaar door het pastoraal team. In het archief is een onvoorstelbaar grote hoeveelheid boekjes van uiteenlopende vieringen te vinden, die in de eigen repro-afdeling zijn gedrukt. Het boeiende van onze tijd is dat deze vieringen in de meeste gevallen toegankelijk zijn voor het gelovige publiek van buiten het moederhuis. Hiervan wordt dankbaar gebruik gemaakt. Blijkbaar hebben die diensten binnen een intieme kloosterkapel de nodige aantrekkingskracht. Overal om je heen hoor je dat geluid en het is dus kennelijk niet alleen van toepassing op kapellen of kloosterkerken van contemplatieve of beschouwende orden, maar ook die van actieve congregaties.

Titelblad van het klein brevier.

Ten aanzien van de aloude praktijk van het gezamenlijk bidden van de „getijden der H. Maagd’ is in 1948 aan de congregatie voorgesteld over te stappen op het zgn. „kort brevier‟, dat qua inhoud meer is ingebed in het liturgisch jaar. Het is de redemptorist pater Stallaert die een onderhoud heeft met het hoofdbestuur over een nieuwe uitgave van de bestaande getijden of de omschakeling naar een nieuwe vorm van breviergebed, waar bv. de toenmalige kardinaal de Jong een voorstander van was. Het hoofdbestuur wint informatie in bij de bisschop van ‘s-Hertogenbosch Mgr. W. Mutsaerts. Die adviseert nog even te wachten totdat vanuit Rome meer duidelijkheid is over de vraag of de pauselijke congregaties of het een of het ander zouden gaan bidden.
Pater Stallaert komt in februari 1949 terug in het moederhuis met een opgesteld plan om goedkeuring in Rome te kunnen verkrijgen voor het verkort brevier. Het stuk wordt echter door de toenmalige algemene overste niet ondertekend. Ze acht de tijd om te veranderen nog niet aangebroken! In juli van dat jaar volgt overleg met de directeur van de NV Centrale Drukkerij te Nijmegen over de aankoop van nieuwe getijdenboekjes, maar met dien verstande dat bij die „Getijden van de H. Maagd‟ de nieuwe tekst van de psalmen is opgenomen, een eigen titel is opgegeven en is gekozen voor een afbeelding van Maria Moeder van Goede Bijstand. Er worden 2000 exemplaren van besteld. In april 1950 ontvangen alle zusters een nieuw getijdenboek en bovendien een exemplaar van de „geestelijke lessen‟ opgesteld door pater Xaverius. In dezelfde maand is het wederom pater Stallaert die met de zusters begint aan het instuderen van de nieuwe teksten. Op 23 april is het dan zover…..de nieuwe getijden worden voor het eerst in koor gebeden. Daarmee is de discussie over het Klein Brevier overigens nog niet verstomd, want dat is in bewerking voor alle religieuzen. Het gaat om de Primen, Terts, Sext, Noon, Vespers, Metten, Lauden en Completen, hetzij op reciteertoon gebeden of op spreektoon.
Een forse investering en bovendien van redelijk korte duur. In februari 1954 wordt weer onderhandeld over het Klein Brevier. Uiteindelijk wordt voor de hele congregatie dit boek besteld en de uitgever vergoedt het resterend gedeelte van de boekjes van het Maria-officie. Diverse inoefensessies volgen en op paaszaterdag wordt het officie in koor gereciteerd. Op Eerste Paasdag worden de Completen gebeden in plaats van avondgebed en op Tweede Paasdag om 5.50 uur de Primen gevolgd door de meditatie tot 6.30 uur. De Terts, Sext en Noon worden niet in koor gebeden maar door iedere zuster afzonderlijk. Om 12.00 uur volgen het gewetensonderzoek, de Vespers en het middagmaal. Om 19.00 uur de Metten en Lauden en als avondgebed de Completen. Goed 10 jaren later wordt er al een wijziging aangebracht, mede op verzoek van het merendeel van de congregatie. In haar hectograaf van 4 juli 1964 schrijft zuster Borgia: in koor worden gebeden overeenkomstig de goedgekeurde dagorde de Lauden als liturgisch morgengebed, de Vespers als liturgisch avondgebed, de Metten als ‘n nachtelijke lofzang s’avonds tevoren en de Completen als afsluiting van de dag. De Primen komen te vervallen. De zgn. „kleine uren‟ worden door de zusters afzonderlijk gebeden en bij voorkeur als volgt: de Terts in de loop van de morgen, de Sext rond het middaguur en de Noon in de namiddag bv. bij het bezoek aan het H. Sacrament, maar de zusters worden niet per definitie gebonden aan deze tijdstippen. Zuster Borgia besluit dan met de volgende woorden: “Het Goddelijk Officie is het gebed dat de religieuzen bidden in opdracht van de Kerk. Wij sluiten ons dan aan bij het kerkelijk gebed. Wij worden daardoor in de gelegenheid gesteld om op verschillende tijden van de dag de Heer te loven en te prijzen”.
Na het vernieuwingskapittel van 1968 is dat gemeenschappelijk koorgebed langzamerhand verdwenen en gereduceerd tot bv. één gezamenlijke gebedsdienst zoals men die nu nog kent in het moederhuis, waarin iets van het oude getijdengebed kan terugkeren, maar het is geen „must‟.

Naast de liturgische viering en het koorgebed speelt in de groei naar religieuze volwassenheid ook de dagelijkse meditatie of de contemplatie een belangrijke rol binnen de reguliere dagorde. In aansluiting op het morgengebed volgt meestal ruimte om te mediteren, maar dat kon natuurlijk ook door de dag heen. Mediteren is van alle tijden en ook niet per definitie gebonden aan het kloosterleven. Iedereen die gelovig is opgevoed weet wat mediteren is bv. nadenken over een preek van pastoor of dominee, een geestelijke tekst op je in laten werken die je ergens leest, een ogenblik stil staan bij een prachtige spreuk die je tegenkomt……legio mogelijkheden bieden zich aan. Het betreft dan vaak korte overwegingen, terwijl de meditaties van de zusters van veel langere duur waren. Het hoofdbestuur schreef in het verleden de meditatieboeken voor. Men dacht over het gelezene na en probeerde van daaruit tot overweging en vooral tot gebed te komen. Mediteren werd in het oude directorium dan ook omschreven als ‟overwegend gebed‟.
In dit kader mag niet onvermeld blijven dat in 1977-1978 zelfs een kleine groep zusters zich de vraag gesteld heeft of een bepaalde vorm van contemplatie niet zou passen binnen de religieuze beleving van toen, een beweging die volgens hen wezenlijk is. Ze voelen het ontbreken van gezamenlijke gebedstijden als een gemis. In de congregatiebulletins waarin dit thema nader omschreven wordt willen die zusters vooral „op zoek naar intens gebed in een leven van eenvoud‟. Dit verlangen brengt er sommige zusters toe te overwegen of zij deze roeping binnen de huidige congregatie wel kunnen beleven of dat een overstap naar een contemplatieve of beschouwende orde van slotzusters moet overwegen. In een nadere overweging komen ze tot de conclusie dat door contemplatie binnen een actief leven, bewust op zoek zijn naar rust en stilte in jezelf, het leven daardoor wint aan diepte naar binnen en meer kracht naar buiten zal krijgen. Een andere meedenkgroep wil niet zover gaan dat men in de congregatie zou uitkomen bij het oude, besloten contemplatief leven van slotzusters, want dat zou een breuk binnen de eigen kloostergemeenschap tot gevolg hebben en dat wil men niet. Uit de archiefstukken is niet geheel duidelijk hoe dit verlangen van een kleine groep verder vorm gekregen heeft. Het heeft zeker niet geleid tot een vorm van beleid vanuit het hoofdbestuur.
Vermeldenswaard zijn ook, in het kader van meditatie, overweging of bezinning, de jaarkalenders die intern worden uitgegeven. Die hebben in wezen een dubbelfunctie. Aan de ene kant wakkeren ze het historisch besef van de zusters aan, doordat er veel feitenmateriaal uit de congregatiegeschiedenis in opgenomen is, maar daarnaast zijn er nog twee interessante aspecten aan nl. het gevoel van verbondenheid met alle zusters die zijn overleden en met alle nog levende medezusters waarvan de verjaardagen staan vermeld. Wat in die kalenders tot een moment van overweging kan leiden zijn de prachtige spreuken die onder aan elk kalenderblad staan weergegeven. Een aantal van die spreuken, waarvan er vele afkomstig zijn van de zusters zelf, puttend uit vnl. geestelijke lectuur, dichtbundels, meditatieve teksten of eigen gedachten e.d., zijn bewust her en der in dit jubileumboek geplaatst, zodat ook de lezer van daaruit misschien op een of andere manier geïnspireerd wordt of tot overdenking wordt aangezet.

Silentium, retraites en recollectiedagen.[bewerken | brontekst bewerken]

In de oorspronkelijke regelgeving is een apart hoofdstuk gewijd aan de „stilzwijgendheid‟ aangeduid met de Latijnse term ‘silentium’. In kloostergebouwen was dan ook precies vastgesteld in welke gedeelten van het gebouw dat zgn. silentium van toepassing was door een klein wit plaatje op de deuren met de tekst „slot‟ of „silentium‟ zoals bv. in de kapel, bepaalde gangen en alle slaapzalen. Men hechtte in het verleden bijzonder veel waarde aan die stilzwijgendheid omdat die zou bijdragen aan innerlijke rust, ingetogenheid, bescheidenheid, eenvoud en zusters zou kunnen stimuleren over het religieuze leven na te denken en de wijze waarop ze dat als kloosterling in praktijk zouden brengen. Met enige regelmaat worden de zusters dan ook in circulaires van de algemene oversten vermaand zich stipt aan dit voorschrift te houden en er voor te zorgen dat er in principe, buiten de recreatietijden, altijd stilte heerst in het klooster.

Moet men toch spreken dan bij voorkeur op een stille toon en niet langer dan nodig is. Tegenwoordig is van die oude regelgeving niets meer merkbaar, hetgeen geenszins betekent dat de nu nog levende zusters de waarde van de stilte niet zouden kennen en beleven. Integendeel! Het grote verschil is echter dat het nu niet meer van bovenaf gereglementeerd is maar voortvloeit uit persoonlijke motivatie, persoonlijke beleving van de kloosterregels die in de laatste constituties van 1990 zijn beschreven, individuele behoefte aan stilte in zichzelf. Je zou ook kunnen zeggen…..‟een oude waarheid in een eigentijdse vormgeving‟.
Omdat de boog niet altijd gespannen kan blijven, staan tegenover de vele momenten van stilte ook die van recreatie of ontspanning voor de hele kloostergemeenschap, een bewuste doorbreking van die stilte. Ook dat is in het verleden in regelgeving uiterst gedetailleerd vast gelegd. Alle zgn. recreatiedagen op jaarbasis stonden keurig vermeld in een van de artikelen van de „bijzondere regelen‟. In 1872, maar ook in latere directoria zijn alle dagen die in aanmerking komen voor recreatiedagen exact omschreven. Naast een serie heiligendagen binnen het kerkelijk jaar waaronder feestdagen van de Maagd Maria en van Vincentius à Paulo, komen o.a. ook in aanmerking de dag van de goedkeuring van de H. Regel, het patroonfeest van de heilige waarnaar het klooster is vernoemd, de stichtingsdag van de congregatie, het patroonfeest van de bisschop in wiens bisdom men werkt, het patroonfeest van de algemene overste en de huisoverste, de verkiezingsdag van de algemene overste, het einde van de jaarlijkse retraite. In vooral de hectografen van voor het vernieuwingskapittel van 1968 is recreatie of ontspanning en stilte in het klooster een regelmatig terugkerend thema, waarbij soms de regels weer worden aangescherpt of versoepeld. De recreatie wordt gezien als inherent aan de kloostergemeenschap en juist dat gemeenschappelijk karakter wordt expliciet benadrukt. Daarnaast is er voor iedere zuster natuurlijk ruimte voor een vorm van eigen vrije-tijds-besteding, maar op de recreatietijden ziet men graag dat alle zusters als gemeenschap bij elkaar zijn, ervaringen uitwisselen, elkaar inspireren en elkaar van persoon tot persoon ontmoeten.

Een andere vruchtbare bijdrage aan de groei naar religieuze volwassenheid ziet de congregatie ook in de jaarlijkse retraites en maandelijkse recollectiedagen, als uitgesproken bezinningsmomenten die de zusters geheel in stilte doorbrengen.
In de regelgeving wordt de retraite beschreven onder het begrip „geestelijke afzondering‟. In de oude praktijk maakt men onderscheid tussen de retraite (acht dagen van afzondering met silentium) van het hoofdbestuur met alle oversten van de verschillende succursaalhuizen (dochterstichtingen) en die van de leden der congregatie zonder een bestuurlijke functie. Voorafgaand aan een retraite schrijft de algemene overste soms een circulaire uit om de zusters aan te sporen toch vooral een „vruchtbare retraite‟ te houden. De retraites worden altijd geleid door een priester uit het bisdom of een pater van een van de kloosterorden bv. een Dominicaan, Norbertijn, Jezuïet of Carmeliet, die in die 8-daagse retraite op gezette tijden een „geestelijke conferentie‟ beleggen met de retraitezusters. Aan het einde van de retraite, zeker die van de oversten der huizen, wordt een soort slotcommuniqué uitgegeven. In de hectografen spreekt het hoofdbestuur over de „vergadering gehouden bij het sluiten van de retraite‟. Daarin worden vaak rond de regeltucht de puntjes op de i gezet en nieuwe „bijzondere regels‟ gedetailleerd omschreven bv. ten aanzien van kleding, radiogebruik, dagorde, huisbezoeken door zusters, uiterlijke verzorging, recreatie, studie, boekhouding van elk klooster, kronieken der huizen, reizen van de zusters, familiebezoeken, viering van jubilea, lezing van de H. Regel enz. enz.!
De gemeenschappelijke retraites, een hele organisatie, werden grotendeels ingepland tijdens de zomervakantie, waarbij bepaald wordt in welk klooster de retraite gehouden zal worden en welke zusters uit welke huizen uit de directe omgeving zich daar dan bij aan dienen te sluiten. Na het vernieuwingskapittel waarin pluriformiteit centraal staat ontstaan ook nieuwe ideeën over het type retraite. Zo wordt in 1971 een hele beschouwing gewijd aan de retraitemogelijkheden en wordt onderscheid gemaakt in de klassieke stille retraite, dus een van 8 dagen in volledig stilzwijgen met dagelijks enige geestelijk getinte inleidingen of een retraite in de vorm van een gelovig gesprek vanuit het evangelie en eigen levenservaringen in een grote of kleine groep of individueel, met begeleiding van twee priesters. Ook wordt er in die dagen over gedacht om, bij wijze van experiment, een retraite in te plannen van 4 à 5 dagen die meer het karakter draagt van een creatief-ludiek-bezinnende retraite. Ten slotte retraites die niet meer in volledig stilzwijgen worden doorgebracht, maar waar ruimte is voor onderlinge gesprekken na een thematische inleiding en waar bv. in de avonduren de mogelijkheid tot gemeenschappelijke recreatie wordt open gehouden. Veel retraites zijn in het verleden o.a. gehouden in het in 1964 geopende retraitehuis Maranatha te Duizel.

Daarnaast hebben ook heel lang de zgn. maandelijkse recollectiedagen bestaan, waarin men zich slechts één dag geheel afzonderde en die de zusters in hun eigen klooster geheel in stilte doorbrachten om zich vooral te bezinnen op de regelgeving, hun eigen balans tussen bidden en werken in de dagelijkse praktijk van school, gasthuis, ziekenhuis of huishoudelijke dienst, bijwonen van een geestelijke conferentie naast de reguliere gebedsdiensten. Tijdens zo‟n recollectiedag wordt verondersteld dat geen enkele zuster werkzaamheden verricht. Voorop staat binnen het beleid de gedachte dat één bezinningsdag per maand heilzaam werkt en nodig is om weer nieuwe inspiratie op te doen voor de komende periode.
Nadat allerlei vernieuwingen zijn geïntroduceerd zijn na de jaren ‘70 de retraites niet alleen een stuk korter geworden en is de keuze facultatief geworden, terwijl de maandelijkse bezinningsdagen definitief tot het verleden zijn gaan behoren.

Geestelijke begeleiding van de zusters.[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf de stichting in 1836 is de geestelijke leiding in handen geweest van de pastoor van de Servatiusparochie. Die koppeling tussen pastoraat en tegelijkertijd in velerlei opzichten een fulltime geestelijk leidsman van de congregatie en direct adviseur van het hoofdbestuur is blijven bestaan tot 1885. Aangezien in de tweede helft van de 19e eeuw de parochie Sint Servatius maar bleef groeien, is toen onder druk van de complexiteit van de pastorale werkzaamheden sterk overwogen het pastoraat los te koppelen van het rectorschap van het moederhuis. Door het overlijden van pastoor van Luijtelaar lijkt het proces om over te gaan tot splitsing van beide functies in een stroomversnelling te zijn geraakt.
Door Mgr. Godschalk is vrij kort daarop een kordaat besluit genomen door de Schijndelse pastoors voortaan te ontzien voor wat betreft de geestelijke leiding van het „liefdegesticht‟. Al op 4 augustus 1885 wordt een afzonderlijke rector benoemd in de persoon van de weleerwaarde heer A.M. van Erp, een neef van de stichter. Op 1 september daaraanvolgend krijgt de toenmalige algemene overste, zuster Emmanuël de Gier, verlof over te gaan tot de bouw van een rectoraatgebouw bestaande uit twee verdiepingen en daarvoor de nodige gelden op te nemen. Het bouwterrein is destijds geschonken door oud-burgemeester P.A. Verhagen en zijn zus Helena. Dit heeft in 1885 geleid tot de bouw van een eigen rectoraat.
Vanaf die tijd kent Schijndel dus een eigen parochieherder in de pastorie van de Servatiusparochie en een aparte rector als leidsman voor de zusters van het moederhuis, die zijn intrek neemt in het nieuw gebouwde rectoraat. Ook dat is op dat moment geen overbodige luxe, want zoals de centrumparochie groeit, zo groeit ook de congregatie en komen er steeds meer meisjes naar Schijndel met de uiteindelijke intentie om in te treden in de congregatie.
Naast hun uitdrukkelijk adviseurschap voor de onderscheiden hoofdbesturen die tot 1957 verblijven in het moederhuis zelf, het houden van geestelijke conferenties, voorgaan in alle liturgische vieringen en congregatieplechtigheden, predicaties uitwerken, toedienen der sacramenten, voorbereiden van kapittels, bouwbesprekingen bijwonen, contacten leggen rond de stichting van nieuwe kloosters in den lande, gesprekken met individuele zusters, biechtvader voor het moederhuis incl. voor de internaat leerlingen, is ook een taak voor hen weggelegd als godsdienstdocent en catecheet voor de mulo- en kweekschoolleerlingen. Een veelomvattende functie en een van de spillen waar het gaat om het behartigen van vooral het geestelijk welzijn van de zusters en aanstaande leden van de congregatie. Hoe de onderscheiden rectoren in het verre verleden hieraan gestalte hebben gegeven vindt men meestal niet expliciet beschreven. In het kloosterarchief zijn het vooral de benoemingen en vertrekdata die na te lezen zijn, de „grote werken‟ die ze verricht hebben als adviseurs in financieel en bouwkundig opzicht, maar over de concrete uitvoering van de pastorale functie is nauwelijks iets weergegeven.
Maar ook hier, zoals op veel gebieden binnen de congregatie, zijn de nodige verschuivingen waar te nemen, vooral na de jaren ’50 van de twintigste eeuw. De keuze voor pluriformiteit in beleving van het kloosterleven raakt ook de inhoudelijke kant van het pastoraal werk binnen het moederhuis. Was in het verleden de rector de enige geestelijk leider, halverwege de 20e eeuw komt daarin een kentering en wordt de zorg voor het geestelijke leven van de zusters meer een samenspel tussen rector en zusters. Ze trekken sámen op en denken sámen na over een eigentijdse vormgeving. In dat nieuwe samenspel heeft o.a. rector Jos van de Schoor in zijn bijna 40-jarig dienstverband een cruciale rol gespeeld en een nieuw bewustwordingsproces in gang gezet.
De reflectie op de kern van het kloosterleven heeft geleid tot een geheel andere visie en invulling. De congregatie, waarin de liefdewerken nagenoeg zijn weggevallen, is van een uitgesproken werkgemeenschap naar buiten veel meer een leefgemeenschap naar binnen geworden, maar blijft altijd een levende geloofsgemeenschap, die zich voortdurend wil laten vormen op de weg van Jezus Christus, in verbondenheid met Hem, staande in Zijn traditie, om zo samen te werken aan een betere wereld.
De pastorale identiteit van de congregatiegemeenschap wordt anno 2011 omschreven als een zelfstandige geloofsgemeenschap van vrouwelijke religieuzen, herkenbaar aan een barmhartige levenshouding, die wil meewerken aan het realiseren van het visioen van het Rijks Gods, een rijk van gerechtigheid, vrede en liefde, waarin accenten van leren, vieren, en dienen de wegen zijn waarlangs de zusters hun leven willen verdiepen en verinnerlijken. Een zelfstandige geloofsgemeenschap in verbondenheid met kerk en samenleving. Het „oude type rector‟ heeft plaats gemaakt voor een „congregatiepastor‟ die deel uitmaakt van een pastorale dienst. De zusters zelf gaan ook mee voor in de diensten en vieringen. Ook is het besef sterk gegroeid dat pastorale aandacht binnen de congregatie in de eerste plaats uitgaat van medezusters onder elkaar. De pastor heeft in dat proces een aanvullende en ondersteunende taak. Terecht mag een actieve rol verwacht worden van elke individuele zuster waar het gaat om de spiritualiteit levend(ig) te houden, het eigen gebedsleven te optimaliseren. Inmiddels is er al geen sprake meer van één pastor, maar een pastoraal team bestaande uit een pastor-priester en twee pastorale werkers, die voor de hele congregatie werken. De huidige pastoraatsfunctie omvat eigenlijk enkele gelijkwaardige samenhangende deelgebieden. Het dienen of de diaconie betekent de coördinatie en integratie van de pastorale commissies, het leren of de catechese betekent dat de pastorale dienst geregeld gespreksstof aanbiedt aan alle zusters of aan een afzonderlijke groep die kan leiden tot verdieping en verinnerlijking van het eigen religieuze leven. Het vieren of de liturgie is terug te vinden in het liturgisch beleid en alle concrete vieringen. In dit kader kent de congregatie de eucharistievieringen, woord- en communiediensten, meditatieve vieringen en cantatediensten waarin leden van het pastoraal team zelf voorgaan.
Essentieel in dit verband is het kerkelijk jaar dat strikt gevolgd wordt nl. advent, kersttijd, periode na Driekoningen, passietijd, paastijd, pinkstertijd en de periode na Pinksteren. Bovendien krijgen elk jaar enkele vieringen een zeer speciaal accent nl. het feest van de patrones van de congregatie Maria de Moeder van Goede Bijstand dat wordt gevierd op 24 mei en traditioneel is ook de stichtingsdag op 1 november, het feest van Allerheiligen. Vervolgens de 27e september waarbij Vincentius à Paulo en zijn Vincentiaanse spiritualiteit centraal staan. Voorts de 1e zondag van februari en de 1e zondag van augustus waarop men expliciet alle kloosterjubilea viert van de zusters die 40, 50, 60, 70 of 80 jaar geleden hun intrede hebben gedaan. Deze vieringen hebben een uitgesproken intern karakter, hetgeen betekent dat er dan in de kapel geen „mensen van buiten‟ aanwezig zijn, wat bv. op zondagen door het jaar wel altijd is toegestaan.

Rectoren van tot Overleden of benoeming elders
A. van Erp 1836 1861 in 1861 overleden
W. Ceelen 1861 1870 in 1870 overleden
Th. van Luijtelaar 1870 1885 in 1885 overleden
A.M. van Erp 1885 1886 pastoor te Neerkant
H.A.M. Bogaers 1886 1894 wegens ziekte ontslagen en naar Helmond gegaan
M. Kluijtmans 1894 1903 pastoor te Wamel
J.H.M. Sanders 1903 1910 pastoor te Tilburg
Th.J. Stoute 1910 1911 kapelaan te Tilburg
J.H. van Vlokhoven 1914 1920 pastoor te Breugel
A.J.M. Rubbens 1920 1930 pastoor te Lierop
H. van Heusen 1930 1937 pastoor te Weert
Jos. Verhoeven 1937 1945 pastoor te Orthen
Eerw. Hr. Kersemakers 1945 was verbonden aan het seminarie
A.R.H. van Haaren 1945 1952 pastoor te Waalwijk
A.J.H. van der Schoor 1952 1991 overleden in 1991
G.J.A. de Koning 1991 2000 afscheid 10-9-2000
pastoraal team 2000 W. Gilsing, H. van den Broek en J. Vossebeld

Visitaties.[bewerken | brontekst bewerken]

Een ander begrip dat een plaats verdient in een historische studie als deze is de functie van de bisschoppelijke visitaties en die van het hoofdbestuur van de congregatie, die in het verleden beide hebben bijgedragen aan de vervolmaking van de religieuze volwassenheid der zusters. In de huidige constituties komt deze term niet meer voor, maar dat er visitaties hebben plaatsgevonden bewijzen allerhande notities uit het memoriaalboek.
Hier dient onderscheid gemaakt te worden tussen visitaties verricht door de bisschop van het bisdom ‘s-Hertogenbosch of diens plaatsvervanger en de visitatiebezoeken door de algemene overste met een of meerdere assistenten, waaronder ook zgn. visitatiereizen naar de communiteiten in de diverse ontwikkelingsgebieden. De visitator kan afhankelijk van de tijd die beschikbaar is spreken met de overste en alle eeuwig geprofeste binnen een bepaalde communiteit en die gesprekken zelfs uitbreiden tot postulanten, novicen en tijdelijk geprofeste. Doelstelling is steeds geweest om concreet na te gaan hoe de H. Regel wordt onderhouden in de afzonderlijke kloosters en hoe het met het algemeen welzijn van de zusters is gesteld. Na zo’n visitatie werd in het verleden een visitatieverslag opgesteld Vaak werden de nodige aandachtspunten in het verslag geventileerd, gevolgd door „enige vermaningen‟. Een concreet en tevens illustratief voorbeeld van die vroegere praktijk is bv. te vinden in het memoriaalboek (post 154) waarin de deken van Boxtel, de Eerwaarde Heer J. H. van Gennip, zijn verslag van het visitatiebezoek op 24 september 1901 aan het oude Barbaraklooster doorstuurt naar de bisschop Mgr. Wilhelmus van de Ven. De bisschop schreef daarop op 22 november van dat jaar aan de toenmalige algemene overste het volgende:

“Eerwaarde Overste Onlangs is mij het verslag der visitatie, voor eenige weken in het gesticht te Wijbosch gehouden, toegezonden. Bij het goede dat was opgemerkt, werd ook gewezen op eenige onregelmatigheden en zoo ‘t schijnt, de orde nog al wat te wenschen over te laten, zoowel in de geestelijke oefeningen bv. het morgen- en avondgebed, als bij het ontbijt, de recreatie enz. Dat een en ander diende te geschieden op tijd en gezamenlijk, zooveel het kan. Ook in het gebruik van spijs en drank schijnt wel wat veel vrijheid gegeven of genomen te worden, vooral in geestrijke dranken. Deze moeten vooral door religieuzen niet gebruikt worden, dan alleen op voorschrift van den doctor of geneesheer. Omtrent de belofte van armoede dient opgemerkt dat de zusters, als religieuzen, niets bezitten en dus ook (over) niets hebben te beschikken. Zij hebben slechts het passend gebruik van hetgeen haar gegeven wordt en alleen voor het doel, waartoe het hen gegeven wordt. Elke verdere beschikking behoort aan de Overheid.
Eindelijk heb ik opgemerkt, wat ik vooral niet gaarne heb, dat de zusterlijke eensgezindheid en liefde niet altijd en overal tot hun recht komen. Wat is het goed en aangenaam als broeders in eensgezindheid samen te wonen, zegt de H. Geest.
Wie zal zulk een eensgezind samenwonen genoegzaam kunnen waarderen, als God zelf dat zo gelukkig noemt? Nu, wat hier van broeders gezegd wordt, geldt evenzeer van zusters. Hoe jammer dus, dat men soms dit geluk, dat de aarde met al haar kwellingen in een soort hemel verandert, aan elkaar ontneemt door lastigheid, door knibbelzucht, door verkeerde eigenliefde, door ongenoegzaamheid, door onvoorkomendheid enz. alle zooveele fouten, welke de religieus met zorg vermijden of verbeteren moet.
Herinnert U eerwaarde zusters, dat gij den religieuzen staat hebt aanvaard om God volmaakter te dienen en dat Uw streven moet zijn, altijd in volmaaktheid vooruit te gaan.
Herinnert U, dat ge bij uw professie God als uwen bruidegom hebt gekozen en uwen wil, volgens den H. Regel aan Hem hebt verpand. Haalt dien wil niet gedurig terug, want dit kan God niet aangenaam en U niet voordelig zijn. En dit doet ge toch, zoo dikwijls gij vrijwillig de voorschriften van Uwen Regel en van uwe oversten overtreedt.
Verloochent u zelven zooals de ware dienaressen van Christus doen moeten.
Hebt alles veil, wat kan en mag, voor de onderlinge liefde. Die hier het meeste opoffert ter liefde Gods, zal het gelukkigst zijn. Daar zal God voor zorgen. Weest ware liefdezusters en gij zult zijn ware kinderen Gods, het grootste goed, waarom gij u in tijd en eeuwigheid zult kunnen verheugen.
Geve de Heer u het begrip, den wil en de kracht, om dit in ‘t toekomende, naar best vermogen te betrachten.
Was getekend de bisschop van ’s-Hertogenbosch W. van de Ven.”
Poster van de Koninklijke West-Indische Maildienst uit Amsterdam.

Uit dit visitatieverslag is op te maken dat ook religieuzen zwakke menselijke kanten hebben en correctie daarop of een duidelijke vermaning af en toe een goede zaak was!

Een ander voorbeeld is de visitatiereis van algemene overste Zr. Theodora Slits naar het in 1920 begonnen liefdewerk van Santa Rosa op Curaçao, samen met haar 3e assistente Zr. M. Matheo van Heeswijk, om zich persoonlijk te overtuigen van het werk en de levenswijze der zusters en om van nabij te kunnen zien of er geen aanpassingen nodig waren gezien het subtropisch klimaat op de Benedenwindse eilanden. Op 30 november 1923 vertrekken ze per stoomschip de Oranje Nassau van de West-Indische Maildienst richting Willemstad.
Een geslaagde overtocht, afgezien van de zeeziekte waarmee beide zusters te kampen hebben gehad en de nodige stormen. De ontvangst was hartelijk en een grote groep Curaçaose kinderen vormden een erehaag. Een van de belangrijkste aandachtspunten is de dagorde van de zusters die parallel liep aan die van de kloosters in Nederland, maar het leek Zr. Theodora niet raadzaam die aan te houden. Het vergde teveel van de krachten van de zusters, wat tot gevolg heeft gehad dat o.a. de schooltijden zijn aangepast, meer rustmomenten werden ingebouwd en dat ook aanpassingen werden voorgesteld in het voedingspatroon. Het memoriaalboek geeft verder geen details, terwijl natuurlijk veel meer zaken besproken zijn geweest, want pas op 7 februari 1924 zouden de beide zusters van het hoofdbestuur teruggekeerd zijn naar Schijndel.
Uiteindelijk zou het een week later worden, want juist op 7 februari overleed een jonge veel belovende zuster in het ziekenhuis van Willemstad nl. Zr. Casimira de 1e raadzuster van de communiteit van Santa Rosa. Na een blindedarmoperatie is ze, zoals de annalen aangeven, overleden aan „klemmond‟, ook wel bekend als „kaakklem‟ wat dus wijst op tetanus. Een zwarte dag in de historie van Santa Rosa.
Het vertrek werd een week uitgesteld. Saillant detail is dat de beide zusters werden vergezeld door de Curaçaose postulante Florence Meijer, die voor zichzelf uit piëteit van de overleden zuster, als kloosternaam Casimira had gekozen. Na een volle maand op zee gedobberd te hebben arriveren ze op 14 maart met het stoomschip Van Rensselaer in Nederland. In het memoriaalboek staat dan geschreven: “De geestdrift van de zusters en kweekelingen bij de thuiskomst van de ZEW Overste was buitengewoon. Na een plechtig Lof met Hollandsch Te Deum werden de reizigsters ongemeen hartelijk in den rijk versierden refter verwelkomd”.
In een latere fase verdwijnt de term „visitatie‟ en wordt vervangen door „werkbezoek‟.
De werkbezoeken vinden anno 2011 niet meer plaats, zeker niet nu het aantal kloosters van de congregatie is gereduceerd tot moederhuis en Annahof.

Hectografen, bulletins en berichten.[bewerken | brontekst bewerken]

Een ander beproefd middel om de naleving van de regeltucht, de goede sfeer in de kloosters, het geestelijk en lichamelijk welzijn en de toewijding in de liefdewerken sterk te stimuleren zijn de hele serie hectografen en bulletins geweest, die door het hoofdbestuur zijn uitgegeven. Enerzijds als inspiratiebron voor de zusters anderzijds als nieuwsbulletins met concrete informatie over bepaalde ontwikkelingen binnen de congregatie.
Ook daarin zie je qua schrijfstijl en thematieken een duidelijke ontwikkeling. De tijdgeest en de inzichten in de concrete beleving van het kloosterleven zijn er in af te lezen. Vanaf 1928 zijn alle hectografen gebundeld. In 1970 schakelt men over op congregatiebulletins en in een nog latere fase zijn het de „Berichten Uit Schijndel‟ (BUS).
De hectografen zijn keurig gedateerd en altijd ondertekend door de algemene overste zelf. Historisch zijn ze bijzonder interessant omdat je een mooie indruk krijgt van alle zakelijke en religieuze onderwerpen die binnen het hoofdbestuur besproken werden, de verordeningen die waren opgesteld t.a.v. de dagorde, de recreatie, retraites, de keuze- en zakenkapittels, liefdewerken in de praktijk van alledag, gebruik van radio en TV, familiebezoeken door de zusters, verslagen van seminars over onderwerpen als hoe moet ik mijn taak zien als christelijk onderwijzeres en opvoedster, informatie uit de diverse huizen, kortom…….je treft er informatie aan die voor de geschiedschrijving van de congregatie een uitermate waardevolle bron is, een soort historisch naslagwerk, ook al was het niet als zodanig bedoeld. Vanaf 1968 schakelt het hoofdbestuur over op uitgebreidere bulletins.
De congregatiebulletins, kort na het vernieuwingskapittel van 1968 in het leven geroepen, spelen al veel meer in op de interactie tussen hoofdbestuur, de communiteiten en individuele zusters.
Daar ligt een andere bestuursfilosofie onder nl. die van een democratiseringsproces, alle leden van de congregatie bij het beleid betrekken, laten reageren op elkaar, thema’s die meer aandacht vragen ook behoorlijk ver uitdiepen, informatie over de Stichting Nederlandse Vrouwelijke Religieuzen, de concrete samenstelling en taakverdeling binnen het hoofdbestuur en uitvoerige evaluaties betreffende de gehouden kapittels en nadere uitwerking van plannen. Geheel nieuw in de bulletins is, in vergelijking met de oudere hectografen, dat uitdrukkelijk aandacht wordt besteed aan de zieke zusters en in welk ziekenhuis ze verblijven, individuele zusters die van werkkring en woonomgeving zijn veranderd, aandacht voor de bijeenkomsten van de junioren, medioren en senioren als aparte groeperingen, berichtgeving van de „landengroepen‟, overleden familieleden van zusters, diploma’s die zijn behaald, informatie over de jaarlijkse congregatieprojecten waarin geldelijke steun wordt gegeven aan uiteenlopende initiatieven gericht op de allerarmsten in de samenleving zowel in binnen- als buitenland enz. De congregatiebulletins zijn ook veel opener van karakter. Eind jaren ‘70 worden ze in vier kleuren uitgegeven nl. grijs voor publicaties van het bestuur betreffende de ontwikkelingen binnen de congregatie als grote gemeenschap, rose voor zusters die n.a.v. hun ziekte of jubileum er behoefte aan hebben een dankwoord of iets in die geest te willen schrijven, groen voor alle berichten vanuit de ontwikkelingsgebieden waar de zusters werkzaam zijn en ten slotte oranje bulletins die worden gereserveerd voor de zusters die in Nederland verblijven en vanuit hun kloostergemeenschap belangrijke zaken te melden hebben.
De ‘Berichten Uit Schijndel’ zijn pas ontstaan in 1992. Ze volgen de lijn van de congregatiebulletins en zijn onderverdeeld in diverse categorieën zoals personalia, van de bestuurstafel, om mee te delen en lees mee. Op deze manier biedt het hoofdbestuur aan de zusters de mogelijkheid kennis te nemen van een groot aantal wetenswaardigheden, congregatienieuws, informatie vanuit allerlei commissies en werkgroepen, mondiale projecten die aandacht verdienen, belangrijke geestelijke lectuur en bijzonderheden over medezusters. Het wezenlijke verschil met de bulletins is dat deze uitgaven verluchtigd zijn met eenvoudige symbolische illustraties. Boeiend zijn ook religieuze teksten die er in gepubliceerd worden die kunnen aanzetten tot meditatie en overweging.
Ter illustratie zomaar een willekeurige greep uit enige topics uit de berichten van resp. 1992 en 2009 om de lezer een idee te geven voor welke thematieken zoal aandacht wordt gevraagd of acties worden ondernomen of die inspirerend kunnen werken, zonder verder op de details in te gaan, maar die wel iets zeggen over de (be)leefwereld van de zusters: vredesgroet aan de indianen, politiek vredesavondgebed, Europese pelgrimstocht, vluchtelingenzorg, de positie van de vrouw in de derde wereld, appèl tegen vreemdelingenhaat, wereldconferentie over milieu en ontwikkeling, honger in Afrika, geloven en leven, oecumenische kerken dag, Psalmen dag over gerechtigheid, wereld dag van weigering van de grote armoede, vensters op God, werkgroep mensenrechten, mensen onderweg naar vrede en geborgenheid, stichting vluchtelingen in de knel, studiegroep multireligieuze en multiculturele dialoog, nationale vredesdag religieuzen, stichting religieuzen tegen vrouwenhandel en commissie honger hoeft niet!

Jubileumvieringen in het verleden.[bewerken | brontekst bewerken]

Het zilveren en gouden feest in 1861 en 1886.[bewerken | brontekst bewerken]

Titelblad van de gids met toespraken en feestliederen ter gelegenheid van het gouden jubileum van de congregatie (1836-1886)

Omdat in 1861 de stichter van de congregatie is overleden heeft het toenmalige hoofdbestuur besloten uit piëteit voor pastoor Antonius van Erp het zilveren feest van de congregatie niet te vieren. Het gouden jubileum daarentegen is op plechtige wijze herdacht. Zuster Emmanuël de Gier heeft deze jubileumviering bekend gemaakt bij de toenmalige bisschop van ’s-Hertogenbosch Mgr. Wilhelmus van de Ven, die kort daarop aan de congregatie enige privileges verleent. In het memoriaalboek is een terugblik gegeven op deze feestelijkheden en getoonzet in bewoordingen die typisch 19e -eeuws overkomen. Het verslag luidt als volgt:

“Het gouden jubelfeest onzer congregatie is op den 1sten november 1886 plechtig in het moederhuis gevierd. De kapel was sierlijk uitgedost. Bij het einde der H. Mis sprak de Weleerwaarde Heer Rector in roerende taal tot al de vergaderde leden van het Huis en feliciteerde allen hartelijk met het plechtige feest.
Den 3e november werd in onze kapel het H. Misoffer opgedragen door den Hoogeerwaarden Heer Mgr. A. Kamp Kanunnik en Regent van het Seminarie, geassisteerd door den Weleerw. Heer van Vroonhoven Pastoor van het Wijbosch en den Weleerw. Heer Bogaerts Rector van het Gesticht.
De Zeereerwaarde Heer Rector Baekers, Pastoor van de Parochie Schijndel, hield eene treffende toespraak, weidde breed uit over de verdiensten der Congregatie en bracht uit naam van al zijne parochianen den warmsten dank voor al hetgeen de congregatie gedurende 50 jaren voor het onderwijs en de opvoeding der jeugd en voor de verpleging van zieken, gebrekkigen en ouden van dagen gedaan had.
De deelneming en belangstelling van de gemeentenaren was algemeen en hartelijk. Achtereenvolgens kwamen Burgemeester en Wethouders, de leden van de Raad, de leden der Conferentie, het Armbestuur, de nobles der Gemeente hunne felicitatie aan de Algemene overste en Zusters aanbieden. Een 50-tal meisjes uit onze scholen, daartoe voorbereid door den Heer Michels hoofd der openbare school, brachten uit naam van haar ouders en medeleerlingen in keurige toespraken en feestliedjes hulde aan de opoffering, die de Congregatie en hare leden zich voor de jeugd en den lijdenden evenmensch getroosten.
Die ongeveinsde betuiging van dank en belangstelling verdienen in eeuwige herinnering te blijven bij al de leden der Congregatie. Bij gelegenheid van het gouden jubelfeest zijn aan het Moederhuis verscheidene geschenken gegeven: een geschilderd glasraam door de Oversten der succursaalhuizen, twee beelden van Maria en Jozef van de ingezetenen van Schijndel, een gepolychromeerd altaartje op het koor door onze educandinen, een tapijt voor het priesterkoor door de Erven van der Kant uit Schijndel, een grote Godslamp door Mej. van de Ven te Son, twee kleine Godslampen door den Heer W. Deckers, twee lampen voor het priesterkoor door de Wed. W. van Kasteren, een lofstoel door den Heer J. de Gier secretaris te Kerkdriel, tabellen en schilderij van het Aanschijn door de familie Swagemakers uit Tilburg, een missaalstoeltje door Mej. M. Verhagen uit Schijndel, een missaaltje van de overledenen door den Heer C.N. Teulings te ‘s-Bosch en een barachette van f 260,- door den Heer J.M. Mallens uit Schijndel”.

Door de kwekelingen is een serie samenspraken opgevoerd. In een 80-tal vierregelige rijmverzen bezong men de congregatie.

Laatste berichten:

SCHIJNDEL - „Het gesticht van liefdadigheid alhier vierde woensdag zijn 50-jarig bestaan. Aan alle huizen wapperde de nationale driekleur en het gebouw der zusters en de kapel waren keurig versierd. Een plechtige H. Mis werd des morgens opgedragen door den hoogeerwaarde regent van het seminarie te Sint-Michielsgestel, geassisteerd door den weleerwaarde heer van Vroonhoven pastoor te Wijbosch en den weleerwaarde heer Bogaerts, rector alhier. De weleerwaarde heer pastoor hield als toen een feestpredikatie.
Vervolgens begaven zich verschillende corporaties, waaronder het gemeentebestuur en de schoolcommissie naar het liefdegesticht en boden de eerwaarde overste en de zusters haar gelukwenschen aan en betuigden tevens haar erkentelijkheid voor de vele en goede diensten aan de gemeente en hare ingezetenen bewezen.
Ook de meisjes, leerlingen der zusterschool, brachten in toespraken en liederen aan de zusters haar kinderlijke hulde.
Tevens ontving de eerwaarde overste van vele ingezetenen talrijke geschenken, waaronder twee schilderijen, voorstellende gezichten op het terrein van het liefdegesticht vóór vijftig jaren. Des namiddags bracht de harmonie eene serenade. [2]
Het aparte album dat samen met de twee beelden door de Schijndelse gemeenschap is aangeboden met alle namen van hen die bijgedragen hebben in de kosten.
Het houten beeld van Jozef geschonken door de Schijndelse bevolking.
Het houten beeld van Maria geschonken door de Schijndelse bevolking.

De viering van het 75-jarig bestaan.[bewerken | brontekst bewerken]

Gezien de schaarsheid aan archiefmateriaal mag verondersteld worden dat deze jubileumviering, aangeduid met „diamanten feest‟ niet zo uitbundig is gevierd als het gouden jubileum. De toenmalige algemene overste, zuster Maria Theodora Slits schrijft aan de zusters het volgende:

“Eerwaarde Moeder en Zusters, met een hart vol dankbaarheid begroeten wij de naaste toekomst, den plechtige morgenstond van het Diamanten feest van het bestaan van onze dierbare Congregatie. “Laten wij de Heer danken!”. Geen ander woord kan ik u, mijn dierbare Kinderen, toeroepen dan deze opwekking tot dank en lof jegens de Goddelijke Voorzienigheid, van wie wij, zooals op de eerste bladzijde van het Memorieboek onzer Congregatie staat geschreven, van het begin af, de zichtbaarste bescherming hebben ondervonden. Loven en danken wij de Heer! Hij gaf aan de Congregatie haar bestaan. Hij deed haar bloeien en zich uitbreiden. Hij zond de personen, die in zijne hand het werktuig waren, om de Congregatie te maken tot hetgeen zij nu is.
Uit dankbaarheid voor de zegeningen in de 75 jaren van het bestaan der Congregatie aan onze dierbare instelling bewezen, zullen wij ons samen vereenigen gedurende de negen dagen, die het diamanten feest voorafgaan, en mag elke Zuster bidden: de litanie van de H. Geest, als den Gever van alle gaven en de litanie van den H. Vincentius, onze bijzonderen Patroon en Vader.
Laten wij door vereenigde gebeden nieuwen zegen vragen voor onze dierbare Moeder de Congregatie, den zegen vooral, dat alle Leden wedijveren in deugd en trouwe plichtsbetrachting.
Beseffen wij wel, dat de kracht der Congregatie niet bestaat in het grote aantal Zusters, maar in de ijver harer leden, in betrachting der deugd, in de stipte vervulling van alle voorschriften van den H. Regel, in het eendrachtig samenwerken tot het doel, dat de Congregatie zich voorstelt.
Tot dankbaarheid voor de ontvangen gunsten en ter verkrijging zal op Maandag 6 november in de kapel van het Moederhuis eene plechtige H. Mis worden opgedragen. En om het feest op te luisteren verleen ik bij deze drie dagen recreatie van de 1e klas: op 1, 5 en 6 november, bovendien 5 dagen van de 2e klas, waarvan 5 halve dagen onder het octaaf van Allerheiligen moeten gehouden worden. Zoo zullen wij, na het feest, naar geest en hart verkwikt, ons met vernieuwden ijver weer geven aan onze taak. God geve het!
Met hartelijke toegenegenheid blijf ik Uwe minnende Moeder in Chr. w.g. Zr. Ma. Theodora Algem. Overste

Het eeuwfeest anno 1936.[bewerken | brontekst bewerken]

De rijk versierde hoofdingang van het moederhuis.
De rijk versierde moederhuiskapel

Het eeuwfeest is een bijzonder feestelijke mijlpaal geweest in de geschiedenis van de congregatie.
De voorbereiding op het eeuwfeest heeft een lange aanloop gekend. Al bij de nieuwjaarstoespraak is het jubeljaar als het ware ingezet. Buiten het bidden op elke zaterdag van de litanie van de H. Maagd Maria en het zingen van het Salve Regina, is met name 15 april 1936 een zeer bijzondere gedenkdag geworden, nl. de 100e verjaardag van de gelofte-aflegging van zuster Vincentia de Bref. Bovendien werd iedere maand van het jaar 1936 een feestlied geschreven door een van de zusters of een samenspraak gedeclameerd en in de maand augustus zijn de zgn. „augustusfeesten‟ gevierd. Daar tussendoor verschenen „organisatorische circulaires‟.
Voor de viering van de 100e verjaardag van de congregatie zelf zijn de krantenartikelen mooie historische momenten. Interessant in dit verband is de korte inleiding op het artikel zoals dat verscheen in De Tijd. De correspondent schrijft daar: “Een nederig begin – uit het breischooltje in de bakkerij groeide een congregatie met meer dan veertig huizen……grote werken, waar Gods zegen op rust, beginnen meestal klein, héél klein. Zoals het Verlossingswerk zelf in de stal begon, in een krib. Hier, in Schijndel, waar het stadsleven nog altijd op een afstand ligt, hier begon een groot werk in een kleine bakkerij met een breischooltje, waarin twee vrome meisjes op instigatie van een eenvoudig, doch ver vooruitziend pastoor, de vrouwelijke jeugd van het dorp ’s middags, als de geur van het brood, dat in den morgen gebakken was nog in het lokaal hing, bij trachtten te brengen, wat zij in het leven niet alleen aan technische vaardigheid, doch vooral aan geestelijke waarden noodig hadden”. Alle kranten publiceren uiteraard een terugblik op de historie van de congregatie, schenken ruim aandacht aan de koninklijke onderscheiding als Ridder in de Orde van Oranje Nassau, uitgereikt aan de toenmalige algemene overste zuster Maria Theresia Veltman en de meeste dagbladen reflecteren tevens op opvallende momenten uit de eeuwfeestviering. We volgen hier de verslaglegging van de journalist van de krant Het Huisgezin, om daarmee een sfeerbeeld te geven van dit uitzonderlijk jubileum. Als korte inleiding schrijft de journalist:

“In het mooie Brabantsche dorp Schijndel is gisteren een feest gevierd, dat in ons land en zelfs buiten zijn grenzen weerklank heeft gevonden. Van bijna alle huizen wapperde de Nederlandsche driekleur, beschenen door een vroolijk najaarszonnetje. Door deze daad van warm medeleven door de inwoners, getuigden zij in het openbaar van hun vreugde om het eeuwfeest van de met hen zo nauw verbonden Congregatie der Liefdezusters van Jezus en Maria, Moeder van Goeden Bijstand, welke thans in deze gemeente beschikt over een belangrijk gebouwencomplex van moederhuis, kweekschool en huishoudschool. De omgeving van het klooster was een extra feestelijk aanzien gegeven, feestzuilen, des avonds verlicht, en plantenversiering wezen den weg naar de hoofdingang, welke eveneens met vaste planten en bloemen keurig was verzorgd”.

De eerste jubileumdag bestond uit een huldiging door geestelijke en burgerlijke autoriteiten. In de feestelijke eucharistieviering ging de toenmalige bisschop van het bisdom ‟s-Hertogenbosch, monseigneur Diepen, persoonlijk voor, geassisteerd door een grote groep geestelijken nl. als 1e ceremoniemeester de heer Van Loon secretaris van het bisdom, als 2e ceremoniemeester kapelaan Hellenberg Hubar, deken Spierings uit Boxtel, de diakens pastoor Van Erp uit Wanrooij, pastoor Van Erp uit Baardwijk, beiden familie van de stichter, diaken deken Van Dijk pastoor van de Servatiusparochie, subdiaken de rector van het moederhuis de heer Van Heusen, pater Van Erp uit Oss, professor Jos. van Erp uit Sint Michielsgestel, de heer Stoute voorheen rector van het moederhuis en nu pastoor te Beek, de heer Van Vlokhoven voorheen rector van het moederhuis en nu pastoor te Breugel, de vroegere rector de heer Rubbens thans pastoor te Lierop, de overste van het Damianenklooster te Sint Oedenrode, en als acolieten ten slotte de heren Tilman kapelaan te Schijndel en pater Chrysostemus uit Sint Oedenrode. Een pontificale plechtigheid die werd bijgewoond door de zusters zelf, genodigden, en pensionaire. Het zusterkoor zong o.l.v. pastoor Pessers van de Boschweg de driestemmige „Missa Angelis” van Lodewijk de Vocht.
Oud-rector van het moederhuis de heer Sanders thans deken van Tilburg, verzorgde de feestpredicatie, waarin hij de loftrompet afstak op alle zusters in binnen- en buitenland voor hun belangeloze toewijding in hun werk, ondersteund door enige getallen over gestichte huizen, aantallen leerlingen in diverse sectoren van het onderwijs, de krachtige leiding in de zieken- en gasthuizen onder supervisie van de zusters.

In de gymzaal van de kweekschool volgde een officiële receptie, waarbij de wanden met tapijten waren aangekleed met een groot portret van pastoor Van Erp geflankeerd door de foto’s van de portretten van de huidige algemene overste en al haar voorgangsters. Het hoofdbestuur recipieerde en schudde de hand van behoorlijk wat hoogwaardigheidsbekleders, hoge burgerlijke functionarissen en afgevaardigden van het bisdom en andere kloostercongregaties. Deze plechtigheid werd ingeluid met een jubileumcantate, een paraphrase op het Magnificat, gecomponeerd door Hubert Cuijpers, gedicht door zuster Marie Bernardine, uitgevoerd door het zusterkoor onder leiding van pastoor Pessers.
Diverse personen hielden een feestrede waaronder Mgr. Diepen, pastoor Van Dijk als voorzitter van het feest comité en burgemeester J.J. Janssens van Schijndel, die ook de Ridderorde uitreikte aan de algemene overste namens H.M. de Koningin. In haar dankwoord voor alle bijzondere gelukwensen en waarderende woorden, memoreerde zuster Maria Theresia Veltman aan haar ridderorde, die ze beschouwde als een vorm van respect en waardering voor het werk van al haar medezusters in heden en verleden.

Eeuwfeest 1936 met alle belangrijke gasten en hoogwaardigheidsbekleders.

Eeuwfeest 1936 met alle belangrijke gasten en hoogwaardigheidsbekleders.

De uitreiking van de Ridderorde aan de algemene overste.
De leden van het recipiërende hoofdbestuur
Kinderhulde in de moederhuistuin bij de koepel waar de feestelijke stoet voorbij trok.
Mgr. Diepen omringd door een schare feestvierende zusters.

vierde rij vanaf links: Adr. Smits uit Schijndel, Rector G. Terhorst uit Wijbosch, Pater Anastasius O. Cap. (capucijn) missieprocurator, Pater Overste der Damianen in Sint Oedenrode, Marinus Welvaarts, Fr. Tilman kapelaan te Schijndel – Boschweg, J. van Vroonhoven, J. Looff secretaris van het bisdom ’s-Hertogenbosch, Pater Chrysostomus der Damianen uit Sint Oedenrode, A. de Louw rector te Geldrop, Adr. van den Oetelaar uit Schijndel, P. van Lieshout uit Schijndel.

derde rij vanaf links: Wilhelmus de Visser uit Schijndel, Dr. Verstraaten uit Schijndel, Notaris Baggen uit Schijndel, Cornelis Geerkens uit Schijndel, Leraar kweekschool dhr. Van Velthoven uit Schijndel, Architect Christ van Liempd uit Schijndel, Harrie Bolsius uit Schijndel, Dr. van Oppenraaij uit Schijndel, Mejuffrouw Michels inspectrice van het N.O. in Den Haag, Moeder Petra, Moeder Aquilina, Moeder Gonsalina, Moeder Geetruda, Moeder Susanna, Moeder Imelde, Moeder Andrea, Moeder Marie Arnolda, Moeder Guiberta, Moeder Alphonse, Moeder Marie Paulina, Moeder Marie Helena, Moeder Ida Marie, Moeder Eustochium, Moeder Renildis, Moeder Marie Thérèse, Moeder Veronica.

tweede rij vanaf links: L. de Rooij rector van Hemelrijken – Eindhoven – Woensel, Adr. Timmermans uit Schijndel, Ant. Verkuijlen uit Schijndel, Secretaris Verhagen uit Schijndel, Moeder Marie Elise, Moeder Albertina, Moeder Anna Catharina, Moeder Marie Adriana, Moeder Arnoldina, Moeder Petronellie, Moeder Anna, Moeder Christine, Moeder Theodora, Moeder Seraphine, Moeder Augustina, Moeder Clara, Moeder Petruccia, Moeder Dionysia, Moeder Matheo, Moeder Elise, Moeder Marie Antoinette, Moeder Marie Marie Joanne, Moeder Henri, Moeder Maria Theresia, Zr. Marie Michael generale econome, Zr. Cecile novicenmeesteres.

eerste rij vanaf links: A. Rubbens voorheen rector van het moederhuis en nu pastoor te Lierop, J. van Vlokhoven pastoor te Breugel, A. Pessers pastoor van de Boschweg, Pater de Bruin O.P. = dominicaan op Curaçao, A. van Dijk pastoor te Schijndel, H. van Heusen rector van het moederhuis, A. van Erp deken te Sint Oedenrode, A. Spierings uit Boxtel, Zr. Petronellia, Zr. Vicares, Mgr. F.N.J. Hendriks vicaris van het bisdom, Mgr. A..F. Diepen bisschop van ’s-Hertogenbosch, Zeereerwaarde (algemene) overste Ma. Theresia Veltman, Zr. Lamberdine, Zr. Elisabeth, J. Sanders deken te Tilburg, Burgemeester Janssens uit Schijndel, Ger. van Erp pastoor te Wanroij, Adr. van Erp pastoor te Baardwijk, Pater Urbanus van Erp Carmeliet te Oss, Th. van Erp missionaris van Scheut/Sparrendaal, Th. Stoute pastoor te Donk, A. van Hellenberg-Hubar kapelaan te Schijndel, Jos van Erp professor te Sint Michielsgestel (Beekvliet), L. van Helvoort kapelaan te Schijndel.

PS de genoemde „moeders‟ zijn de oversten van de diverse kloosters van de zusters.

Bij elk feest horen geschenken. Het is niet zo zinvol ze allemaal te noemen, maar die in het artikel van Het Huisgezin staan opgenomen, geven een mooie indruk; een levensgroot kruisbeeld, een 2-tal zilveren schalen te gebruiken bij de professie van de zusters, een prachtig uitgevoerd kruisbeeld van Charles Eijck uit Utrecht bestaande uit een glastegel waarop een zeer fraaie Christusfiguur is geschilderd, het geheel gevat in een verzilverde omlijsting staande op een artistiek uitgevoerde voet, architect Chr. van Liempd bood een fraai beeldje aan van O.L. Vrouw van Goeden Bijstand naar een ontwerp van Herman Walstra uit Utrecht n.a.v. het miraculeus Mariabeeldje te Brussel genoemd de Notre Dame De Bon Secours, door de missiezusters een Chinese sierkist met twee Japanse vazen, een staande klok van rector van Heusen, van de familie Veltman een zware eikenhouten sierbank en door de succursalen van Curaçao een wandversiering waarop de vier huizen van Curaçao geschilderd waren.
In de middaguren een hulde van de leerlingen van kweekschool, mulo en huishoudschool, gevolgd door de opvoering van een door pater Jacques Schreurs M.S.C. geschreven missiespel „Omnis Terra‟.
De dag is voorts besloten met een Plechtig Lof met Te Deum.

De tweede feestdag stond helemaal in het teken van de jeugd. Ruim 1300 schoolgaande jongens en meisjes verzorgden een prachtige huldiging.
Het jeugdige gezelschap droeg gele en blauwe vlaggen, was getooid met de nodige feestelijke strikken en sjerpen en daar tussendoor wapperde her en der de Nederlandse driekleur. De stoet vertrok vanaf de jongensschool aan de Pompstraat en via de „Grootestraat‟ en „Nieuwstraat‟ bereikte de feestelijke stoet het moederhuis. Alle kinderen werden vervolgens in de moederhuistuin door alle zusters van het moederhuis ontvangen, de lokale geestelijkheid, de burgervader en langs de kant stonden ook alle pensionaire van mulo, kweekschool en huishoudschool.
Namens de kinderen sprak pastoor Gabriël van Dijk een oprecht dankwoord aan het adres van de congregatie voor al hun inspanningen en toewijding in die 100 jaren Schijndels onderwijs. Het jongetje Hans van Bussel bracht een bloemenhulde namens alle jongens. Op de meisjesscholen van Heikant, Wijbosch en Boschweg waren van iedere school twee bruidjes uitgekozen die bloemenmanden overhandigen aan de jubilerende zusters. Onder leiding van de heer C. Degreef, muziekdocent aan de Mariakweekschool, zingen alle kinderen drie feestliederen die door de zusters met luid gejubel worden beloond, volgens de journalist van die dagen. ‘s Middags volgde op elke school een heerlijke traktatie in de vorm van krentenbollen en chocola, waarvan heerlijk werd gesmuld volgens ooggetuigen.
In de avonduren volgt er nog een grandioos feestconcert door harmonie Sint Cecilia o.l.v. de heer H. van Abeelen uit Tilburg met als xylofoon-solist een zekere Antoon van den Heuvel. De gymzaal van de kweekschool was tot de nok toe gevuld en iedereen genoot van deze muzikale hulde . De voorzitter van de harmonie, de heer Van Velthoven, tevens docent aan de kweekschool, vergeleek in zijn toespraak de groei van de congregatie met die van een palmboom, die slechts met enkele vezels in de grond geworteld is en leeft van zon en lucht. Bovendien groeit een palm als het moet tegen de verdrukking in, waarbij hij memoreerde aan de beginmoeilijkheden in de vroege jaren van het bestaan van de congregatie.

De derde feestdag was bestemd voor de Schijndelse bevolking. In de parochiekerken werd een mis uit dankbaarheid gevierd. Groot was de belangstelling in de beide „buitenparochies‟ Wijbosch en Boschweg, waar de zusters door bruidsmeisjes vanuit resp. het Sint Barbaraklooster en van Sint-Lidwina naar de parochiekerk werden begeleid. In het centrum zijn ook heel veel zusters bij het moederhuis opgehaald door met bloemen strooiende bruidsmeisjes. Zo bereikte men de feestelijk versierde Servatiuskerk waar pastoor Gabriël van Dijk met assistentie van de kapelaans Hellenberg Hubar en Van Helvoirt de dienst uit dankbaarheid leidde. Het parochieel zangkoor o.l.v. de heer J. van Bussel zong de driestemmige mis van W. Heydt, afgewisseld met het O Bone Jesu van Palestrina en het machtige Laudate Dominum van Teeuwissen. ‘s Middags volgde een feestelijke hulde, geleid door architect Chr. van Liempd, van alle Schijndelse verenigingen, voor de hoofdingang van het moederhuis en later traden de Schijndelse zangverenigingen aan te weten het RK Schijndels dameskoor en het mannenkoor de Dageraad, die ook samen een slotcantate uitvoerden. In de avonduren, zo meldt de journalist, wierpen de schijnwerpers hun grote lichtbundels op het grote moederhuis en kwamen nog velen de prachtige verlichting der versiering gadeslaan.
Een eeuwfeest om nooit meer te vergeten, dat de zusters vast en zeker sterk geïnspireerd zal hebben om met vernieuwd elan de toekomst in te gaan!

Het 125-jarig bestaan in 1961[bewerken | brontekst bewerken]

Bij dit jubileum is de viering op 29 oktober 1961 wat soberder verlopen dan in 1936, maar desalniettemin was ook dat jubileum een hele belevenis voor de zusters van de congregatie. In zijn feesttoespraak ging monseigneur Bekkers in op de roeping van de zusters als zijnde enerzijds een roeping naar God en anderzijds naar de mens. Hij vervolgt met de woorden: “In die geest heeft de congregatie, door Gods kracht en door Gods geest geleid, ook haar liefdewerken opgebouwd”. Hij prijst de zusters om hun vitaliteit door juist, nu het aantal roepingen aan het teruglopen is, toch zusters mondiaal in te blijven zetten voor ontwikkelingsgebieden, waar de noodlijdende mens sterk behoefte heeft aan zorg.
Daags daarna is een feestelijke viering georganiseerd speciaal voor het dienstpersoneel van de congregatie.
Op 31 oktober, daags voor de grote congregatie dag, houden de zusters een speciaal gebedsuur. Als inleiding op deze meditatieve bijeenkomst in de grote kapel is de volgende veelzeggende tekst voorgelezen:

“In dit uur willen wij op alle plaatsen waar de congregatie van Schijndel werkt tezamen zijn in gebed. Wij willen dankbaar zijn voor de vele genaden, die de congregatie in de afgelopen 125 jaar van God heeft ontvangen en heeft mogen doorgeven aan de haar toevertrouwde mensen. Wij willen herdenken degenen die ons zijn voorgegaan met het teken van het geloof en nu rusten in de vrede van Christus. We willen in ernstig gebed ons bezinnen op de taak die ons wacht in de komende jaren. We willen vooral vragen om geestelijke vernieuwing, zodat het ideaal van onze stichter, aangepast aan de tijd waarin wij leven, aan onze omgeving nieuwe bezieling mag geven. Mogen wij in deze geteisterde wereld als religieuze gemeenschap een teken zijn van Gods genadevolle aanwezigheid onder de mensen. Zo willen wij in dit gebedsuur allen samenzijn voor God, dankend, herdenkend en smekend. Wij willen in vurig gebed Gods goedheid ervaren, vol worden van zijn goedheid om, begeesterd met nieuwe moed, onze verdere taak tegemoet te zien. Dat geve God! Amen!”

Op de congregatie dag op 1 november is het de beurt aan rector van de Schoor om de zusters toe te spreken. Hij schetst elementen uit de geschiedenis van de congregatie en kiest verder als thema de „grote en kleine heiligen onder ons‟. De grote heiligen zijn degenen die door de kerk als zodanig worden aangeroepen, maar de kleine heiligen zijn de mensen hier op aarde die, ondanks hun menselijk falen en tekortkomingen, blijven ijveren om te groeien in heiligheid aan de ene kant en onvoorwaardelijk klaar te staan en dienstbaar te zijn aan de mensen in nood, waar ook ter wereld, de Zusters van Liefde van Schijndel.
In de ontworpen en mooi geïllustreerde feestgids kregen de zusters alle gelegenheid de rijke historie van hun congregatie nog eens her te beleven en werd uitvoerig stil gestaan bij alle liefdewerken in binnen- en buitenland. Ja….met zoveel creatieve en poëtische krachten in huis kun je natuurlijk een fantastische feestgids samenstellen in woord en beeld!
Bij gelegenheid van dit jubileum is door de congregatie ook een nieuwe grafzerk geschonken voor het graf van de stichter pastoor Antonius van Erp op het kerkhof aan de Rietbeemdweg omdat men zijn 100e sterfdag herdacht.

Enige impressie van de binnenkomst van Mgr. Bekkers voor de viering in de moederhuiskapel samen met de misdienaartjes die altijd trouw dienst deden, enige acolieten en diverse heren geestelijken.
Enige impressie van de binnenkomst van Mgr. Bekkers voor de viering in de moederhuiskapel samen met de misdienaartjes die altijd trouw dienst deden, enige acolieten en diverse heren geestelijken.

Driemaal goud in 1986.[bewerken | brontekst bewerken]

Drukte in de keuken bij een jubileumviering.

Aan de viering van het 150-jarig bestaan (1836-1986) is een algemene peiling gehouden onder alle zusters in de diverse kloosters van de congregatie met de vraagstelling om suggesties te doen voor de viering van anderhalve eeuw Zusters van Liefde.

Ook is een feestcomité in het leven geroepen bestaande uit 16 zusters van verschillende huizen die in werkgroepen zijn onderverdeeld te weten werkgroep liturgie, representatie, creativiteit en ontspanning, een historische werkgroep, een projectgroep en een werkgroep „hoogtijdagen‟.
De feestelijke viering heeft op verschillende momenten in het jubileumjaar plaatsgevonden met als belangrijkste dagen nl. in mei de feestdag van de Moeder van Goede Bijstand, in september de feestdag van de H.Vincentius à Paulo en op 1 november de stichtingsdag zelf, die werd gevolgd door 2 november als herdenkingsdag van alle overleden medezusters. Via een ingenieus organisatieschema zijn alle zusters van de congregatie in staat gesteld één van die grote vieringen mee te maken in het moederhuis, de thuisbasis van iedereen. In haar toespraak formuleerde de toenmalige algemene overste zuster Florentina van Calsteren het als volgt: “Wij zijn samen 150 jaar congregatie, Zusters van Liefde van Jezus en Maria, Moeder van Goede Bijstand. Het zal in deze beschouwing gaan over ons als religieuze mensen, mensen die in voortdurende bezinning, gedachten-uitwisseling en gebed er proberen achter te komen, dat onze levens van belang zijn, opdat deze wereld er een beetje anders uit zal zien, omdat wij geleefd hebben. Dit wordt een dag van even stilstaan, achteruit kijken, vooruit kijken en daarna moedig verder gaan. We moeten onze eigen plaats bepalen in de geschiedenis van de congregatie, kerk en maatschappij. We doen dit vandaag beschouwend, biddend en ook ludiek.

Op de 16e november was er een zeer speciale viering met voorganger pastor Cor van den Brand, het Gemengd Zangkoor, de Harmonie Sint Cecilia en het Sint Catharina- en Sint Barbaragilde.
In die viering benadrukte pastor Van den Brand dat het voor de zusters van belang is „de lamp tot het einde toe brandend te houden‟ en hij voegde daar een inspirerende gedachte aan toe: “Religieuzen in het algemeen en U in het bijzonder, want het gaat vandaag over de Schijndelse Zusters, weten zich geroepen om door te gaan waar niemand meer gaat, om daar vol te houden waar anderen het hebben opgegeven, om daar te blijven geloven waar anderen niets meer zien, om steen op steen te blijven stapelen terwijl anderen afbreken. Van deze bijzondere kracht van religieuzen was 150 jaar geleden pastoor Van Erp diep overtuigd. De noden van die dagen konden niet anders verholpen worden dan dat mensen zich hiervoor radicaal ter beschikking stelden, vrij van geld en goed, vrij van man en kinderen en vrij van „je leven nemen in eigen hand‟‟…….zo heeft u in een wat verder verleden Uw lamp brandend gehouden, maar datzelfde vuur brandt ook vandaag de dag nog”.
De historische dag bestemd voor de zusters die eens tot de congregatie behoorden, maar waren uitgetreden, is als heel positief ervaren. Oude banden konden weer eens aangehaald worden. Ook het Schijndelse publiek is destijds van harte uitgenodigd om de tentoonstelling te komen bezoeken. Op alle mogelijke manieren is dit jubileumjaar gevierd door de zusters, het dienstpersoneel en de bevolking met o.a. zang, dans, speurtochten, oplossen van puzzels, declamaties, vendelzwaaien door het gilde, een historische expositie, korte en langere sketches en ook het „diner mocht wat meer zijn‟ dan op doordeweekse dagen, maar dat was bij het keukenpersoneel in goede handen! De Schijndelse gemeenschap heeft dit jubileum ook niet ongemerkt voorbij laten gaan. In december 1986 is in de Pastoor van Erpstraat een bijzonder kunstwerk onthuld, aangeboden door de gemeente.

Dankbetuiging van het Schijndelse publiek.
Het kunstwerk van Van Rossum in de haag van de kloostertuin.
De Brandende Braambos van kunstenaar Pieter Wiegersma.

Het beeld dat een plaats heeft gekregen in de fraaie haag die de kloostertuin omgeeft, stelt twee paarden voor, een merrie met haar veulen. Het is een groot kunstwerk, in brons gegoten door Jaap Hartmans uit Woudrichem naar een ontwerp van de Tilburgse kunstenaar Ru van Rossum. Van Rossum had, zo bleek later uit de toespraak van burgemeester Scholten, een vrije opdracht gekregen. Hij moest een werk maken waarin aandacht voor het 150-jarig bestaan van de Zusters van Liefde tot uiting moest komen en dat tevens iets van de verbondenheid van de Schijndelse gemeenschap in zich moest hebben.
Bij de onthulling zagen de mensen er van alles in…..kracht, elan, zorg voor het kleine, een speelobject voor de kinderen enz. Zuster Florentina van Calsteren zag in het beeld een symbolische gave van de gemeente aan de congregatie, ook iets van wat de congregatie is. De kracht, de energie en de aandacht voor de mens die de zusters steeds hadden. Het paard stond als het ware voor de voortrekkersfunctie die men 150 jaren lang had vervuld. Het waren paarden zonder oogkleppen op en zo wilde zij dat de congregatie zich zou opstellen, met een open oog voor de wereld en met een kritisch oog voor kerk en maatschappij. De opmerkingen die gemaakt waren kwamen al spoedig uit, want bij het verlaten van het moederhuis, zagen de gasten de eerste kinderen al boven op het beeld zitten!

De Schijndelse boomkunstenaar Jan Verhagen bood de congregatie ter gelegenheid van dit jubileum enige door hem vervaardigde boomsculpturen aan, die een plekje hebben gekregen in het moederhuis.
Voor een van de bijzondere vieringen in dit jubileumjaar gebruikte het algemeen bestuur voor de uitnodiging aan elke individuele zuster het kunstwerk van Pieter Wiegersma boven de ingang van de kapel nl. de afbeelding van het brandende braambos uit het Evangelie. De tekst die eronder staat symboliseert de keuze van elke Zuster van Liefde voor een leven van stilte, gebed en zich onvoorwaardelijk openstellen voor de noden van de mens, een weg met soms onbegaanbare paden, maar een gebaseerd op Godsvertrouwen.
Kenmerkend in dit verband is de basisgedachte van het bestuur om ook de armen in de wereld te betrekken bij het jubileumjaar. De congregatie kent binnen haar organisatie zgn. landengroepen verdeeld over Chili, Curaçao, Indonesië (Sumatra), Zambia en de Philippijnen. Aan de zusters die deel uitmaken van die landengroepen is gevraagd suggesties in te dienen voor bepaalde projecten in die gebieden. Die zijn ingediend en voor elke landengroep is toen f 15.000 gulden gereserveerd, om daarmee die projecten op lokaal niveau te ondersteunen, gericht op de allerarmsten in de wereld. Door de zusters zelf is op een van de feestdagen een heus cabaret opgevoerd over allerlei facetten van de historie van de congregatie.
Historisch heel interessant is het album dat aan het hoofdbestuur is opgedragen door de succursalen of dochterstichtingen van het moederhuis. Dit album geeft een actuele stand van zaken per 1 november 1936 over de 46 stichtingen van dat moment. Die worden in chronologische volgorde per stichtingsdatum beschreven met een kort stukje historie, de overste die leiding geeft aan die communiteit en een mooi overzicht van de liefdewerken vanuit dat klooster, verluchtigd met de foto van het kloostergebouw, alle zusters die er in wonen en de aantallen zieken, bejaarden, jongeren of kinderen die vanuit die communiteit door de zusters worden opgevangen en begeleid.

Korte impressie 160- en 170-jarig bestaan.[bewerken | brontekst bewerken]

Als afsluiting een korte terugblik op de viering van het 160- en 170-jarig bestaan in respectievelijk 1996 en 2006.
In 1996 is het hoofdaccent uiteraard gelegd op de viering in het moederhuis van de stichtingsdag 1 november, maar in de maanden september en oktober daaraan voorafgaand is binnen elke communiteit dit jubileum op eigen wijze herdacht. In ieder toen nog bestaand convent is in dat kader een eigen expositie uitgewerkt, die op al die plaatsen door alle medezusters van de congregatie is bezocht. Een werkgroep heeft daarvoor een rondreisschema uitgedacht langs Annahof in Wijbosch, Sint Anthonis, Tilburg, Tongelre en Borne. Ook zijn er drie speciale symbolische vieringen gehouden waarvan de bezinningsteksten en de muziek door de liturgische werkgroep vorm hebben gekregen. In de eerste viering is het symbool van het mosterdzaadje het centrale thema….op zoek naar de eigen wortels van de congregatie met een terugblik in het verre verleden. Vanaf die tijd is het kleine zaadje gaan ontkiemen en is uitgegroeid tot een kleurrijke congregatie, volop in bloei staande. Daarop aansluitend het tweede thema waarin het „leven nu‟ is gesymboliseerd via een bloeiende tak en een vaas met veelkleurige bloemen. In de veelkleurigheid van de schepping is iedere mens en dus ook iedere Zuster van Liefde, een unieke persoonlijkheid, die op haar beurt bij heeft gedragen aan de pluriformiteit en de kleurnuances in onze samenleving. In de derde viering staan de rijke oogst en de verscheidenheid aan vruchten na 160 jaren congregatiehistorie in de schijnwerper. In het voorportaal van de moederhuiskapel is een kleine tentoonstelling opgezet en is aandacht besteed aan de wereldwijd uitgegroeide boom die met zijn stevige takken rijke vruchten heeft voortgebracht, die symbolisch is aangebracht aan het altaar in de kapel. Op de stichting dag is in de middaguren ruimte gecreëerd voor een muzikale bijdrage die is onderbroken door een vertolking van de Marialegende Beatrijs door Tine Ruysschaert. Ook heeft men ter gelegenheid van dit jubileum alle medewerkenden die in verzorging, huishoudelijke of facilitaire diensten zich inzetten voor alle zusters, in het moederhuis ontvangen voor een feestelijke bijeenkomst.

Traditiegetrouw wordt ook op elke stichtingsdag een mooi bloemstuk gelegd op het graf van de stichter pastoor Antonius van Erp.
Een bijzonder document mag niet onvermeld blijven nl. een brochure met als titel „In het spoor van Gods barmhartigheid – zich blootstellen aan de ander in zijn armoede en zwakte als religieuze leefwijze‟, waarin de carmeliet Kees Waaijman het leven en de inspiratie van Vincentius à Paulo op een boeiende manier heeft belicht. Deze 51 pagina‟s tellende brochure is op de stichtingsdag 1996 uitgereikt. In haar voorwoord schrijft de huidige algemene overste zuster Truus Sonder op een treffende wijze het volgende:

“Lieve zuster, namens alle medezusters die ooit met jou deze weg gingen, namens alle vrouwen, mannen en kinderen, die jou herkenden als Zuster van Liefde, namens alle mensen die jou omvormden tot liefdezuster, maar bovenal in naam van onze God, die jou lokt, wekt en verplicht tot een leven in het spoor van Zijn barmhartigheid zeg ik: Wees Zuster van Liefde in overeenstemming met het eigene van die roeping. Daartoe zend ik jou vandaag”.

De tijd gaat snel. Een decennium is zo voorbij. In 2006 herdenkt men immers het 170-jarig bestaan. In het oog springend voor deze jubileumviering is het ontwerp van de bekende „waaier‟ die tevens het centrale thema zou vormen op het kapittel van 2006. De jubileumviering en het kapittel vallen min of meer samen. Wat dit jubileum teweeg heeft gebracht is het eenvoudigste te analyseren uit een interview dat zuster Truus Sonder heeft gegeven. Zij legt meteen al het verband tussen het 170-jarig bestaan en de kapittelperiode. Het kapittel is immers het moment waarop we zowel terug- als vooruit willen kijken. We hebben als kloostergemeenschap al 170 jaren lang een „missie‟ en het is goed jezelf daarop serieus te bezinnen. Het „Ora et Labora‟ ofwel „Bid en Werk‟ is de leuze van de congregatie. Al 170 jaren lang hebben de zusters zich ingezet voor God en de wereld om hen heen. Waar zij gevraagd werden, trokken ze heen om aan die „missie of zending‟ gestalte en vorm te geven.
Vooral op de terreinen van zorg en onderwijs.
Wat we in Schijndel gerealiseerd hebben en de sprekende bewijzen ervan kennen we vanuit de Schijndelse situatie, hebben we ook gedaan op heel veel andere plaatsen in binnen- en buitenland. We hebben vanaf 1836 de handen uit de mouwen gestoken als „werkende‟ congregatie, dit in tegenstelling tot contemplatieve orden. Dat werken heeft echter een andere invulling gekregen op de dag van vandaag. De terugloop van het aantal zusters heeft dit met zich meegebracht. Het leven in de congregatie is veranderd.
Van een werkende zijn we meer en meer een leefgemeenschap geworden. We zijn nu duidelijk gericht op het leven met elkaar. We zijn een vergrijzende samenleving geworden, maar ook in het oud worden kun je de volheid van het leven ervaren. Je kunt ook genieten van een kwetsbaar leven, het leven schouwen, met mededogen schouwen en daarin de betekenis vinden voor ons kloosterleven. Een mensenleven bestaat immers niet uit werken alleen. Dat neemt echter niet weg dat de zusters geen open oog houden voor de wereld om ons heen. We volgen nauwgezet de media, we hebben onze interne zorg, maar blijven ons ook betrokken voelen bij bv. vluchtelingen of bij vrouwen in probleemsituaties. Onder de huidige omstandigheden toekomstplannen maken houdt in dat je realist moet zijn. Voor de congregatie is het van groot belang, dat we als zusters zo lang mogelijk met en bij elkaar kunnen leven. Wij willen als religieuzen het leven blijven delen met elkaar. In onze gemeenschap is de aandacht en zorg nu voortaan in hoofdzaak gericht op het individu, op de zorg voor elkaar. Anders gezegd…..waren we vroeger in onze liefdewerken meer naar buiten gekeerd, nu keren we naar binnen. De grote zorg voor de zusters is nu de zorg voor elkaar. Gezien de hoge leeftijd van de zusters is het logisch dat we veel lekenpersoneel in dienst hebben moeten nemen. Afsluitend sprak ze de hoop uit, dat de Zusters van Liefde ingebed blijven in de Schijndelse gemeenschap, in „wederkerigheid‟. We hebben, zo zei ze, veel leven gedragen. Nu hopen we dat wij ons ook gedragen mogen weten door de gemeenschap van Schijndel.
Naast de feestelijke eucharistieviering en de verdere interne viering binnen het moederhuis is vooral rond het 170-jarig bestaan een zeer uitgebreide expositie onderdeel geweest van de jubileumviering. In de benedenverdieping van het moederhuis is een overzichtstentoonstelling samengesteld waarin de complete historie van de congregatie in beeld is gebracht zoals de opeenvolgende besturen, de heren rectoren en het pastoraal team, moederhuis en succursaalhuizen, alle ontwikkelingsgebieden, de vorming van de jonge religieuzen, constituties en kapittels, de zending via de liefdewerken die alle zijn uitgesplitst in allerlei onderwijsvormen, zieken- en bejaardenzorg, opvang van wees-, schippers- en voogdijkinderen, jubileumvieringen, de kloostertuinen, de kerkhoven, de werkorganisatie en het dienstpersoneel, kortom…..alle aspecten van het leven en werken van de zusters.

Moederhuis in Eerste en Tweede Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

De historie van de congregatie is niet compleet als niet enige aandacht geschonken wordt aan de vele Belgische vluchtelingen die door de Zusters van Liefde zowel in Schijndel als ook in Eersel zijn opgevangen en liefdevol verzorgd. Al op 8 oktober 1914 zijn de eerste vluchtelingen vanuit Boxtel naar Schijndel overgebracht. In die maand worden 219 personen financieel ondersteund. De gezinnen ontvangen voor elk kind 20 cent en voor de volwassenen 35 cent per dag. In het patronaat, waar met steenkolen wordt gestookt, biedt men hen dagelijks een middagmaal aan. In de maanden oktober-december 1914 telt men er in totaal 223. Gedurende de eerste maanden van 1915 zijn er weer 185 vertrokken. Een telling over mei-september 1915 geeft het volgende beeld: mei 42 volwassenen en 22 kinderen, juni resp. 39 en 21, juli 24 en 15 en september 17 en 13. In 1916 worden 37 personen geregistreerd.

Er is in die periode een landelijk comité opgericht ter ondersteuning van Belgische vluchtelingen en op de plaatsen waar men rechtstreeks hulp biedt kunnen de kosten gedeclareerd worden bij dat comité. Zo schaft Schijndel de volgende materialen aan: 3 gegalvaniseerde emmers, 3 geëmailleerde emmers, 4 nachtpotten, 1 melkkan, 2 steelpannen, 30 blikken toiletbakken, 5 dweilen, 2 luiwagens met stok, 35 lepels, 200 vorken, touw voor het drogen van wasgoed, 68 strozakken, 90 hoofdkussens en 124 dekens.
Ook in het gasthuis van de zusters worden enige vluchtelingen verpleegd zoals in 1914 Tobias Vanenewijk, Theresia de Groof, Maria Vanenewijk, Felix Drieskens, Liza Faes, Henri Mortelmans die op 12 december 1914 overlijdt, Stephanus Vanenewijk, vrouw Vanenewijk, en in 1915 wordt op 15 januari weer een Henri Mortelmans, die op 19 maart 1915 overlijdt.
In het kader van de concrete hulp aan de Belgische vluchtelingen heeft zelfs Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Hendrik op 19 september 1914 een bezoek gebracht aan het moederhuis. De congregatie heeft zich in het voorjaar van 1918 aangesloten bij de soevereine Orde van Malta, die tijdens de oorlog 1914-1918 de vrijwillige ziekenverpleging heeft georganiseerd. Door verschillende commissarissen van deze orde is hulp gevraagd. Op 20 oktober 1918 zijn 3 zusters vertrokken en daags daarna nog eens 12. Op 18 november zijn die 15 zusters weer naar Schijndel teruggekeerd. Op 2 juli 1919 is de toenmalige algemene overste Zr. Maria Theodora Slits door van Oldemcel tot Oldenzeel gedecoreerd met het „Erekruis der Verdiensten‟ als Ridder der Orde van Malta. Hij had zijn komst wel aangekondigd maar er is toen binnen het moederhuis geen ruchtbaarheid aan gegeven zodat de plechtigheid blijkbaar in alle stilte is verlopen!
De belevenissen tijdens de notities granaatweken in de Tweede Wereldoorlog zijn opgetekend in dagboeken. Het fascinerende van al deze „authentieke dagboeknotities‟ is nl. dat we een helder idee krijgen hoe met name de granaatweken zijn beleefd vanuit het Schijndelse klooster. Ze zijn in een soort staccato-achtige taal of telegramstijl opgesteld.

De aantekeningen die de situatie van het moederhuis beschrijven luiden als volgt:

zondag 17 september We hadden een onrustige recollectiedag vanwege het bombardement van het vliegveld te Volkel en het dalen van de parachutisten op de Rooisehei. Om 6 uur werd de recollectiedag gesloten.
maandag 18 september De nacht was onrustig. Op de namiddag veel vliegtuigen en krachtig afweergeschut haalde er veel neer.
dinsdag 19 september 's Morgens vroeg kanongebulder. 't Was gevaarlijk in de kapel; daarom bleven de zusters in de vestibule van de kapel en in de kloostergangen. In de Grote Straat werd een huis gedeeltelijk vernield door een kanon. De eerste evacuées komen uit de Rooisehei om onderdak vragen op onze boerderij; andere gezinnen vluchtten naar 't patronaat.
woensdag 20 september De ontruiming van de Rooisehei werd voortgezet. Daar werd hevig gevochten, ook op 21 september.
vrijdag 22 september 'n Zeer onrustige nacht; de meeste zusters zijn opgebleven. 's Morgens nog gewoon de gebeden en de H. Mis in de kapel. Onder de H. Mis kwam men ons waarschuwen, dat de Amerikanen er waren. Om 7.15 begonnen hier de straatgevechten, vooral rondom onze gebouwen, die voortduurden tot 1 uur en eindigden met de overwinning door de Amerikanen, die ongeveer 200 krijgsgevangenen maakten. 't Was een treurige aanblik rondom onze terreinen. Vooraan op de wei bij het rectoraat stonden onze drie grote korenmijten in brand, ons paard en verschillende koeien gedood; midden in de wei een rij gesneuvelde Duitse soldaten; hier en daar verspreid gewonde en stervende soldaten. Aan 9 Duitse militairen heeft Mijnheer Rector nog geestelijke hulp verleend. In onze buitentuin achter bij de dennen werd een gesneuvelde Amerikaan door zijn makkers begraven. 'n Tolk van de Amerikanen kwam ons zeggen, dat de boerderij ontruimd moest worden, omdat daar de grens was van niemandsland. Mijnheer Rector kwam met zijn familie, die niet naar Eindhoven kon terugkeren, de recreatiezaal van de Mulo bewonen. Hier en daar in Schijndel grote branden, vooral boerderijen. Er kwamen steeds meer evacuées, die onze kelder onder de huishoudschool betrokken. In die nacht werd een kindje geboren in de bergkamer in de vestibule van de kapel. 's Avonds trokken de Amerikanen zich terug, omdat de Duitse troepen elders een doorbraak geforceerd hadden.
zaterdag 23 september De nacht was zeer onrustig. Om half 8 hoorden wij hevige kanonschoten, zodat de zusters uit de kapel vluchtten. We hadden geen H. Mis wegens het grote gevaar. De kanonschoten hielden aan. Een geweldige slag en de eerste voltreffer kwam neer op het dak van het washuis, dat grotendeels vernield werd.
zondag 24 september Achter in de kapel las Mijnheer Rector de H. Mis aan een noodaltaar dat onder het koor was geplaatst. Zusters en geëvacueerde woonden de H. Mis bij in de vestibule en in de gangen. In het rectoraat vestigde zich het Duitse Rode Kruis. Mijnheer Rector probeerde nog wat lijfgoed uit zijn huis te halen, maar dat mocht niet. Na de middag omstreeks 4 uur bracht 'n soldaat het bericht, dat het gehele klooster binnen een uur ontruimd moest zijn. Waarheen? Richting Boxtel. Grote ontsteltenis bij de zusters, die ieder een pak gereed gingen maken. Ernstige bespreking door het Hoofdbestuur over de te nemen maatregelen. Intussen werd de plaatselijke commandant geraadpleegd. De eindbeslissing was: alle zusters blijven hier. Grote vreugde onder de zusters, die het verschrikkelijk vonden het Moederhuis te moeten verlaten. Alle zusters sliepen die nacht op de begane grond.
maandag 25 september Uitreiking van de H. Communie in de grote refter voor de zusters en in de gangen voor de geëvacueerde. Mijnheer Rector las achter in de kapel de H. Mis evenals gisteren. Voortdurend gebulder in de lucht; dag van spanning.
dinsdag 26 september Zwaar geschut in de nacht en door de dag. Hevig bombardement in Wijbosch en Schijndel. Vele mensen vluchtten en kwamen naar onze kelders. Door de dag kregen we tweemaal 'n waarschuwing om toch te zorgen dat de zusters en de geëvacueerde in de kelders bleven. Deze waarschuwing kwam van personen, die er meer van konden weten dan wij. Het Moederhuis lag in de vuurlinie. Mijnheer Rector gaf allen in de kelders de generale absolutie. Drie kelders in gebruik, de 1e onder de keuken voor 65 zusters (leden en aspiranten) en twee dames, de 2e onder de grote refter voor 19 leden, 31 novicen, 12 postulanten en 10 evacuees, de 3e onder de huishoudschool voor onze knechts en geëvacueerde.
woensdag 27 september De nacht van dinsdag op woensdag was voor ons een vreselijke nacht. Hevig kanongebulder over het Moederhuis en verder over geheel Schijndel. 'n Voltreffer granaat op 't glazen dak en plafond van de grote refter. De kelder daaronder hield 't, maar op verschillende plaatsen viel 't cement eraf en kwam neer op de postulanten, die er juist onder lagen; 'n andere voltreffer op de kapel bij de grote klok, 'n andere in de recreatiezaal van de Mulo, waar een groot stuk uit de muur, een groot raam en een radiator middendoor werd geslagen. In de straten van Schijndel en Wijbosch werd ook veel verwoest. Nooit hadden wij gebeden als in die nacht: “Mijn Jezus barmhartigheid, H. Hart van Jezus ik vertrouw op U, Maria onze Hoop heb medelijden met ons, Sint Joseph zorg. Spaar Heer uw volk enz. enz.” klonk het telkens spontaan bij iedere geweldige slag, die ons huis trof. We hadden er behoefte aan samen hardop te bidden en dat vurig bidden gaf rust en vertrouwen. Heel vroeg in de morgen kwamen vluchtelingen uit Wijbosch en Schijndel hier aan, wier huizen onbewoonbaar waren. We zaten nog in de kelder vol van de spannende nacht, toen hier heel onverwacht zusters uit Wijbosch aankwamen; de bode die zij 's morgens vroeg gezonden hadden, had ons niet kunnen bereiken. 't Is niet te beschrijven wat een vreselijke nacht ook die zusters hebben meegemaakt. De granaatscherven vlogen door de gangen waar de zusters verbleven; enige zusters vluchtten naar buiten en brachten de verdere nacht in de grot, op het kerkhof of in de boomgaard door. In de gang werden Zr. Mathilda en Zr. Arthenia licht getroffen door een granaatscherf; een geëvacueerde die een zuster hielp werd ook getroffen en stierf kort daarop. De meeste zusters kwamen te voet hier aan, zelfs zusters die reeds lang bedlegerig waren; enige zusters per rijtuig, anderen op wagentjes of op een kruiwagen zoals bv. Zr. Alberta die bijna stervende was. 't Was een treurige stoet! Enige zusters gingen door naar het Lidwinagesticht onder voortdurend gevaar van granaten en mitrailleurs. Het souterrain onder de kweekschool werd voor de zusters gereedgemaakt; daar kwamen ook de postulanten en novicen in een afzonderlijk gedeelte. Het H.Sacrament werd overgebracht naar de kelder. 't Tabernakelkastje was daar op de grond geplaatst onder 't eerste kelderraampje tegenover de trap.
donderdag 28 september Opnieuw veel verwoest: de slaapzaal van de Mulo en de oude kweekschool. Nagenoeg alle ruiten stuk.
vrijdag 29 september Zeer angstige nacht; veel gebeden “H. Michael bescherm ons, verdedig ons”. H. Communie in de kelder.
zaterdag 30 september Hetzelfde!
zondag 1 oktober H. Mis in de gang bij de kapel. Angstige berichten uit 't dorp. Hoofdstraat ontruimd vanaf het spoor tot de Pompstraat en Kerkstraat. Het aantal geëvacueerde stijgt steeds; ze worden ondergebracht in de kelder onder de buitenschool. In alle kelders te samen 950 personen. Voedselvoorziening uitstekend; slagers en bakkers hielpen trouw. Op het sportterrein worden 4 Duitse soldaten begraven door hun makkers.
maandag 2 oktober Vreselijke nacht; de kapel weer geraakt door een voltreffer; grote verwoesting aan banken en 't orgel; 'n voltreffer op 'n slaapzaal. 'n oude zieke man overleden, daags daarna begraven op 't kloosterkerkhof. In de Hoofdstraat grote branden, flinke woonhuizen totaal uitgebrand. Ons vertrouwen op O.L. Vrouw van de H. Rozenkrans werd niet geschokt. In de nacht beloofde de Z.E.W. Overste een noveen van H. Missen en H. Communie tot eerherstel en voor de bekering de zondaars.
dinsdag 3 oktober Rustige nacht, Houtert, Keur en Vossenberg moesten ontruimd worden. In de kelder van nu af voortdurend aanbidding bij 't H. Sacrament door twee zusters telkens te beginnen en te eindigen met een kruisgebed,
vrijdag 6 oktober Gezongen H. Mis in de kelder, na de middag Lof met Rozenhoedje in de oktobermaand, Zr. Alberta in St. Lidwina overleden.
zondag 8 oktober 'n Zware dag! Om 3 uur even een dof geroffel, daarna vreselijke knallen. Een der geëvacueerde dodelijk getroffen nabij de koepel; een andere, vader van vier kinderen, werd neergesmakt en stierf enige dagen later. Het hoogspanningshuisje werd getroffen en brandde geheel uit. De muur van de Mulo en de naaste omgeving verwoest; in de kapel weer een nieuwe aanslag. Er kan nu niet meer elektrisch gekookt worden tot overmaat van ramp. Hevige inslag in de varkenshokken; 16 ervan gedood en 14 ervan konden nog geslacht worden.
maandag 9 oktober In de nacht kwamen 3 Duitse militairen 't huis en de kelders doorzoeken, ze zochten Amerikanen. Moeder Annie die hen rondleidde moest eerst met de handen omhoog gaan staan, kon toen haar zak leegmaken en haar portefeuille met aantekenboekje werd nauwkeurig onderzocht. Alles liep goed af. Om 5 uur Zr. Servanda van het Wijbosch in de kelder overleden.
woensdag 11 oktober Zr. Servanda in alle stilte begraven op ons kerkhof. De volgende dagen waren angstige dagen, hoewel er niets bijzonders gebeurde. Allen brachten de tijd zoveel mogelijk in de kelders door, want buiten was het gevaarlijk.
zondag 15 oktober Verkorte recollectiedag. Zware nacht en dag. De regen na de middag was een nieuwe ramp; 't gebouw leed veel door het binnenstromende water. H. Theresia help ons!
maandag 16 oktober 'n Vrouwtje van 92 jaar, de oudste evacuee stief in de schuilkelder. Om half 10 zware slagen; 'n voltreffer verwoestte de voetbaden. Zr. Odrada was in de naaste omgeving, moest over het puin een uitweg vinden; niet gedeerd. Er kwamen enige berichten binnen uit onze huizen. Goddank geen ongunstige tijdingen; 'n maand lang reeds waren we afgesloten van allen, zodat ieder bericht welkom was. Na de middag kwamen drie militairen aankondigen dat we het klooster moesten verlaten en dat het verdere gedeelte van Schijndel moest evacueren. Weer nieuwe spanning en zorg voor 't Hoofdbestuur. Na overleg werd besloten te blijven in 't vertrouwen dat O.L. Heer en onze goede Moeder Maria ons zouden blijven bewaren en beschermen. Later bleek die mededeling onjuist te zijn.
dinsdag 17 oktober Zr. Arnoldine in de nacht overleden; 23 jaren in Wijbosch te bed gelegen en nu als vluchteling gestorven. Zr. Germana voorzien van de laatste H. Sacramenten in de schuilkelder; verlangt naar de hemel. 's Avonds een geweldige brand in de richting van het Wijbosch
woensdag 18 oktober Weer een verschrikkelijke dag, de angstigste tot nu toe, begon vroeg in de morgen. Zr. Arnoldine zou begraven worden; 't kanongebulder was zo hevig dat we in de kelders moesten vluchten en de begrafenis werd uitgesteld. De gehele dag verschrikkelijk kanonvuur. Voltreffers kwamen op het noviciaat, de huishoudschool, de kweekschool, de zolder, Mariahoeve en bewaarschool. Allen moesten door de dag zoveel mogelijk in de kelders blijven; er werd veel gebeden, want alleen van God kon hulp en redding komen. We hoorden gisterenavond: grote brand in Wijbosch; nu vernamen we: 't klooster van de zusters, boerderij en school in Wijbosch verbrand. Ook deze slag hebben wij gelaten uit Gods hand aangenomen: “De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, Zijn H. Naam zij gezegend”. We wisten….alle zusters zijn veilig en dat was een troost.
donderdag 19 oktober Na de H. Mis werd Zr. Arnoldine in alle stilte begraven. Zij ruste in vrede!
vrijdag 20 oktober Een noveen begonnen van H. Missen ter ere van de H. Joseph om uitkomst en opdat alle bewoners van het huis gespaard mogen blijven. Vele geëvacueerde woonden de H. Missen bij evenals het dagelijks Lof en Rozenhoedje.
zaterdag 21 oktober Evenals gisteren geen rustige dag vooral na de middag telkens zwaar geschut over en om ons huis. Allen bleven zoveel mogelijk in de kelder.
zondag 22 oktober Een aller treurigste en aller angstigste dag en nacht. Van half drie tot vijf uur bijna onophoudelijk zwaar kanongebulder. We baden samen al die tijd hardop met vuur en klimmend vertrouwen; 6 voltreffers kwamen op de huishoudschool, de slaapzaal en de toiletten. Bij de grot op 't rotstuintje, één tegen de muur van de refter juist boven een kelderraam van de schuilkelder; een zware inslag bij de bakkerij. 't Was of het hele huis op ons neerkwam; hoe harder de slagen hoe harder en vuriger ons gebed! De nachtwacht kwam ons meedelen wat er allemaal gebeurd was. “Heer Uw wil geschiede! Wij danken U omdat we allen ongedeerd bleven!” Vooral de zusters en de evacuees van de kelder onder de grote refter hadden ontzettende angst gehad daar 't kelderraam naar binnen was gedrukt en een granaatscherf door de zandzakken was heengedrongen. Na de H. Mis hadden we een korte preek in de kelder met als tekst de woorden van 't Epistel : “Broeders zoekt uw sterkte in den Heer. Ja, Lieve Heer, we voelen ons sterk door U en bij U en met U bij alles wat ons overkomt”
Na het middagmaal rustten we allen in de kelders in de hoop het tekort van de nacht in te halen. Toen kwam om 2 uur ineens een geweldig roffelen en knetteren en bulderen en ons huis kreeg weer slag op slag. Een reeks voltreffers kwam neer op de voorgevel; van het grote beeld van de H. Joseph werd het hoofd afgeslagen; de voordeur werd in z'n geheel naar binnen geslingerd. Spreekkamer no.1 was van binnen één puinhoop door 'n stuk muur en 'n raam die naar binnen werden geslagen. 'n Voltreffer verwoestte een deel van het noviciaat, zware inslag in de gymzaal en in de Mariakapel daarboven, een voltreffer op de Aloysiusslaapzaal, één op de oude kweekschool. 't Is niet te beschrijven hoe de voorgevel werd getroffen. Een iedere slag klonk als een bulderend gedonder tot ons door in de kelders, waar we samen baden dat God ons zou sparen. 't Klonk zó dringend en smekend: “Ontferm U over dit huis waarin we reeds zo lang tot U gebeden en U zo dikwijls hebben aangeroepen”. De wachten kwamen ons in de kelders verslag geven over de nieuwe verwoesting, ook in de naaste omgeving; 't grote boerenhuis op de hoek tegenover onze huishoudschool stond in brand. Opnieuw begon ons gebed, nu tot den H. Donatus, om van brand bevrijd te mogen blijven. Op het terras bij de Aspiranten vond men een fosfor bus. We vreesden voor onze gebouwen en in 't gebed zochten en vonden we verlichting in onze angsten. We dachten aan het Offertorium van deze Zondag (21e na Pinksteren); de Jobstijdingen volgden elkaar op, maar we zochten onze sterkte bij den Heer.
maandag 23 oktober Dag van bevrijding….maar….ten koste van een gedeeltelijk verwoest Moederhuis, 'n half vernield Schijndel en zeer angstige uren voor iedereen. Het begon middernacht 10 minuten vóór 12; een oorverdovend kanongebulder dat aanhield tot 1 uur, zonder een ogenblik onderbreking. We baden met uitgestrekte armen Rozenhoedjes, meerdere malen. 't Salve Regina Memorare, volmaakt akte van berouw, schietgebeden tot Maria, Sint Joseph. “H.Hart van Jezus, wij vertrouwen op U!”. Onder geknetter en trommelvuur reden de tanks binnen, de gevechten begonnen….'t bleef nu rustig van 1 tot kwart voor 6. Toen begon 't opnieuw, maar nu nog erger. De vorige granatenregen was langs ons heengegaan; nu leek 't of ons gebouwencomplex doelwit was van het kanonvuur. Het was een knetterende inslag op inslag. Nu werd de achterkant van het gebouw zwaar beschadigd. Twee ramen boven 't altaar met 'n stuk muur en 'n stuk gewelf werden naar binnen geslingerd; 't hoofdaltaar gedeeltelijk beschadigd, het grote beeld van Maria van 't voetstuk geslagen, 't hele priesterkoor puin en glas, bij 't Maria-altaar een stuk uit de muur, weer 2 voltreffers tegen de refter, de koepel vernield, de snijmachines helemaal weg en alles onder puin, de Mulo aan die kant opnieuw getroffen., 't grote tuinbeeld van Sint Vincentius het hoofd afgeslagen evenals als dat van Sint Joseph aan de voorgevel (de H.Joseph en de H.Vincentius hebben hun hoofd gegeven om onze levens te redden, zeiden de zusters). De muur tussen binnen- en buitentuin kapot, grote gaten in de daken van Mulo en kweekschool, gaten in de hoge schoorsteen van de centrale verwarming. O wat hadden we gebeden met klemmende aandrang en we trachtten met ons gezamenlijk gebed boven het donderend lawaai der kanonnen uit te komen. 't Waren verschrikkelijke uren voor ons die de bevrijding voorafgingen. Om half acht werd 't stiller, doch uit voorzichtigheid hielden we de zusters nog in de kelders. Eindelijk kwam het bericht: de Engelsen staan op de fabriek en de tanks trekken op naar de Boschweg. Dat bracht verlichting: Schijndel was vrij. Al spoedig kwamen de Engelsen in en rondom ons gebouw en toen ze de verwoesting aan de achterzijde zagen zeiden ze: “Caen!” 't Is ook werkelijk een troosteloos gezicht en 't maakt onwillekeurig een weemoedige indruk, vooral onze mooie kapel die aan alle zusters van de congregatie zo dierbaar is om de heerlijke herinneringen, die er aan verbonden zijn. En toch moeten we elke keer opnieuw weer zeggen: wat is O.L. Heer goed en bezorgd voor ons geweest, dat Hij ons aller leven heeft gespaard en geen enkele zuster van het moederhuis ook maar in 't minst gedeerd, terwijl toch vele zusters in grote gevaren moesten werken: de keukenzusters die dagelijks voor 2 warme maaltijden moesten zorgen voor 950 personen en dikwijls bij 't schieten en bulderen der kanonnen in de kelder moesten vluchten. Zr. Labre heeft met grote onverschrokkenheid in de vleeskamer haar werk gedaan en kroop bij het grootste gevaar nu en dan even in de koelcel, die ongedeerd is gebleven. Zr. Francisca van Sales heeft tot het einde met een moedig vertrouwen op Gods bescherming haar werk blijven doen in de wasserij en zó haar diensten bewezen voor de geëvacueerden, die er haar dankbaar voor waren. Zoals we reeds meedeelden was alles buitengewoon goed geregeld, vooral de ruime aanvoer van slachtvee, rogge, tarwe enz. van de boeren, die geëvacueerd en afgebrand waren. Ook hiervoor moeten wij den Goeden God dankbaar zijn, want 't was geen kleinigheid om in zo'n toestand de zusters gezond te houden en de mensen tevreden te stellen wat voeding betreft; Onze eerste zorg na de bevrijding was nu: wat kunnen we doen om de toestand voor de zusters van Wijbosch te verbeteren. De oplossing kwam al gauw, want de Eerw. Moeders uit de omgeving kwamen al dadelijk haar goede diensten aanbieden, waarvan we graag en dankbaar gebruik wilden maken.

Kloosters van de congregatie in binnen- en buitenland.[bewerken | brontekst bewerken]

Nr. Klooster Plaats/land Gesticht Opgeheven
01 Sint-Jozefklooster (moederhuis) Schijndel 1836
02 Sint-Annaklooster Geldrop 1856 1993
03 Sint-Antoniusklooster Den Dungen 1869 1970
04 Heilig Hartklooster Rosmalen 1873 1986
05 Emmanuelklooster Son 1878 1990
06 Sint-Theresiaklooster Raamsdonkveer 1880 1988
07 Heilig Hartklooster Eindhoven-Woensel 1880 2002
08 Klooster Maria Onbevlekte Ontvangenis Eindhoven-Gestel 1884 2008
09 Klooster OLV van Altijddurende Bijstand Berghem 1884 1982
10 Sint-Petrusklooster Boekel 1887 1962
11 Sint-Odaklooster Sint Oedenrode 1888 1975
12 Sint-Alphonsusklooster Mierlo-Hout 1889 1972
13 Sint-Franciscus van Salesklooster Lieshout 1889 1980
14 Sint-Henricusklooster Rijssen 1894 1974
15 Sint-Jozefklooster Oijen 1894 1993
16 Klooster Zoete Moeder Zeelst 1894 1968
17 Sint-Barbaraklooster Schijndel 1894 1997
18 Sint-Johannesklooster Borne 1895 2004
19 Sint-Jozefklooster Beek en Donk 1895 1996
20 Sint-Antoniusklooster Sint-Anthonis 1896 2005
21 Sint-Henricusklooster Beers 1897 1957
22 Sint-Antoniusklooster Twello 1898 1974
23 Sint-Gerlachusklooster Loon op Zand 1899 1971
24 Maria Bijstandklooster Losser 1902 1986
25 Sint-Jacobusklooster Eersel 1902 1972
26 Franciscus Xaveriusklooster Lage Mierde 1904 1961
27 Sint-Jozefklooster Haps 1905 1976
28 Sint-Adrianusklooster Raamsdonk 1907 1972
29 Sint-Ignatiusklooster Eindhoven-Tongelre 1910 2010
30 Sint-Leonardusklooster Beek en Donk 1913 1961
31 Herman Jozefklooster Berndijk-Kaatsheuvel 1914 2002
32 Gerardus Majellaklooster Mijdrecht 1914 1974
33 Sint-Jozefklooster Eindhoven-Hemelrijk 1916 1980
34 Sint-Jozefklooster Santa Rosa Curaçao 1920 1993
35 Sint-Vincentiusklooster Delft 1928 1988
36 Bagan Si-api-api Indonesia 1928 1942
37 Sint-Theresiaklooster Nijmegen 1929 1993
38 Zoete Moederklooster 's-Hertogenbosch 1929 2004
39 Kota Radja Indonesia 1929 1942
40 Sint-Annaklooster Groot Kwartier Curaçao 1929 1948
41 Sint Petrus Dondersklooster Schijndel 1930 1994
42 Sint-Antoniusklooster Pietermaai Curaçao 1931 2009
43 Maria-klooster Montage Curaçao 1931 2003
44 Heilig Hartklooster Maasbracht 1932 1991
45 Permatang Siantar Indonesia 1933
46 Sint-Lidwinaklooster Schijndel 1934 2000
47 Sint-Lidwinaklooster Tilburg 1934 2003
48 Palipi Indonesia 1951
49 Sint-Annaparochie Friesland 1959 2000
50 Kawambwa Zambia 1960 1988
51 Kashikishi Zambia 1962 1990
52 Paparat Indonesia 1963
53 Maranatha Duizel 1964 1999
54 Witmarsum Friesland 1964 2000
55 Mariaklooster Geldrop 1965 2006
56 Lubuk Kapam Indonesia 1967
57 Diasporawerk Duitsland 1967
58 Huize Eveline Steenwijk Curaçao 1968 1992
59 La Calera Chili 1968 1973
60 Serie Grandi Curaçao 1969 1980
61 Llanquiheu Chili 1969 1986
62 Cabildo Chili 1971 1996
63 Vina del Mar Chili 1971 1973
64 Curico Chili 1974 1996
65 San Bernardo Chili 1974 1994
66 Aek Kanapan Indonesia 1979
67 Mansa Zambia 1976 1989
68 Aek Nabara Indonesia 1979
69 Law Deski Indonesia 1979 1985
70 Kazembe Zambia 1986 1989
71 Permatang Siantar 'Mieke de Bref' Indonesia 1989
72 Annahof Schijndel 1993

Schijndelse meisjes ingetreden bij de zusters van Liefde in Schijndel.[bewerken | brontekst bewerken]

Inclusief Eerde en Gemonde.

Schijndel[bewerken | brontekst bewerken]

Nr. Familienaam Kloosternaam Geboortedatum Vader Moeder Intrede Overleden
01 Anna Josepha van den Bergh Zr. Antonia 6 april 1814 Pieter Gerardus Anna van de Ven 28 juli 1840 16 mei 1843
02 Antonet van den Bogaard Zr. Augustina 15 oktober 1838 Arnoldus Hendrien Verhagen 1 mei 1860 17 april 1867
03 Petronella Johanna van Boxtel Zr. Ignace 28 juni 1898 Christiaan Maria Verhagen 26 juni 1917 10 mei 1982
04 Hendrica Josephina van Boxtel Zr. Loyola 11 april 1902 Christiaan Maria Verhagen 5 augustus 1924 8 juni 1995
05 Joanna Maria van Boxtel Zr. Chrysogona 20 mei 1905 Christiaan Maria Verhagen 5 februari 1925 23 september 1982
06 Maria van Giersbergen Zr. Gijsberdina 13 februari 1879 Johannes Gijsberdina van de Schoot 23 februari 1911 23 maart 1941
07 Nikolasina van Heertum Zr. Alphonsa 2 april 1825 Antonie Barbara Smits 28 juli 1840 2 juli 1843
08 Elisabeth Maria van Heertum Zr. Servasa 25 juli 1903 Gijsbertus Francine van de Ven 4 augustus 1930 25 oktober 1999
09 Martina van Heertum Zr. Illuminata 1 juli 1915 Gerardus Johannes Maria van der Mee 4 augustus 1936 25 juli 1999
10 Adriana van Heretum Zr. Seraphina 7 november 1812 Rosier W.R. Adriaantje van de Ven 27 juli 1840 29 juni 1873
11 Hendrica van Heeswijk Zr.Margaretha 17 juni 1860 Mathijs Hendrika Verhagen 24 april 1878 12 januari 1881
12 Adriana van Heeswijk Zr. Syncleta 15 augustus 1861 Mathijs Hendrika Verhagen 6 mei 1879 9 september 1941
13 Huberts van Heeswijk Zr. Catharina 7 november 1873 Jan Francine Keunen 23 mei 1892 9 november 1923
14 Catharina van Heeswijk Zr. Martinella 17 mei 1903 Marinus Pieternel van de Ven 5 februari 1922 26 juli 1994
15 Marina Hellings Zr. Petra 19 maart 1851 Petrus Maria van Heertum 11 juli 1872 14 juni 1906
16 Adriana Hellings Zr. Sebastiana 8 oktober 1845 Petrus Maria van Heertum 18 augustus 1873 13 september 1912
17 Catharina Maria van der Heijden Zr. Josephie 12 maart 1912 Antonius Theodora Leeën 4 augustus 1933
18 Gijsberdina Heijmans Zr. Ursula 27 augustus 1826 Marten Annamarie Voets 7 februari 1854 3 december 1877
19 Henrica Jagers Zr. Adelberta 28 december 1862 Lambertus Johanna van Veghel 5 maart 1883 21 januari 1896
20 Johanna de Jong Zr. Alphonsine 2 augustus 1861 Martinus Maria van Roosmalen 27 oktober 1879 7 februari 1915
21 Helena de Jong Zr. Borremea 4 november 1862 Martnus Maria van Roosmalen 5 mei 1881 21 oktober 1881
22 Helena van de Kant Zr. Scholastica 8 september 1822 Gijsbertus Johanna Maria van Will 12 september 1842 3 september 1892
23 Johanna Maria van Kasteren Zr. Stanislaus 8 augustus 1867 Wilhelmus Maria Smits 1 juni 1885 22 april 1936
24 Anna Maria van Kasteren Zr. Berchma 16 december 1861 Wilhelmus Maria Smits 23 juni 1879 14 juni 1923
25 Josina van Kasteren Zr. Aloysa 2 september 1864 Wilhelmus Maria Smits 25 augustus 1881 13 januari 1908
26 Antonia van Kempen Zr. Petronella 4 september 1853 Wilhelmus Martina Knicknie 22 april 1875 28 maart 1931
27 Adriana van Kempen Zr. Maria Lucia 21 juni 1851 Wilhelmus Martina Knicknie 10 mei 1869 10 januari 1929
28 Hendrika Kluijtmans Zr. Vincentia 10 augustus 1826 Johannes Allegonda van de Rijt 14 augustus 1847 2 mei 1854
29 Wilhelmina Kooijmans Zr. Mauritia 25 mei 1898 Adrianus Adriana van Breugel 5 februari 1922 21 december 1977
30 Henrica van de Kromvoort Zr. Angela 27 april 1838 Mathias Henrica Goyarts 30 september 1856 22 januari 1911
31 Christina de Laat Zr. Marinia 27 december 1902 Marinus Johanna Maria Hubers 5 mei 1923 13 augustus 1984
32 Johanna Maria van Liempd Zr. José 18 januari 1906 Josephus Antonius Johanna Gerits 4 februari 1930 26 oktober 1998
33 Antoinetta de Louwere Zr. Jacinta Maria 23 juni 1930 Antonius Math. Johanna Maria Steenbakkers 4 augustus 1952
34 Woutrina Mallens Zr. Ignatia 1 april 1830 Gerardus Theodora Voermans 22 september 1850 7 augustus 1863
35 Adriana Mallens Zr. Dorothea 1 april 1830 Gerardus Theodora Voermans 17 februari 1871 26 juni 1902
36 Antonia van de Mee Zr. Antoninus 3 januari 1882 Johannes Antonette Pijnappels 18 november 1912 18 april 1960
37 Cornelia Maria Michels Zr. Apollonia 27 april 1882 Johannes Bernardus Elisabeth Johanna Tersmette 19 april 1899 10 maart 1958
38 Adriana Maria Oerlemans Zr. Helena 26 januari 1879 Theodorus Wilhelmus Gerdina van de Heijden 1 mei 1916 22 februari 1977
39 Johanna Maria Oerlemans Zr. Angela 23 maart 1898 Theodorus Wilhelmus Gerdina van de Heijden 26 juni 1916 21 mei 1981
40 Henrica Maria van Oss Zr. Christina 14 oktober 1858 Henricus Hubertus Christina Verhagen 21 juni 1875 24 januari 1937
41 Helena Christina van Oss Zr. Pancratia 10 november 1860 Henricus Hubertus Christina Verhagen 14 januari 1879 8 april 1880
42 Wilhelmina Pennings Zr. Everista 11 mei 1879 Wilhelmus Adriana Speeks 15 januari 1906 4 december 1960
43 Anna Maria Pijnappels Zr. Patricia 12 december 1859 Henricus Johanna Venmans 15 mei 1882 27 november 1932
44 Wilhelmina Maria van de Pol Zr. Egidia 10 december 1881 Antonius Maria van de Schoot + Catharina Pennings 20 april 1911 20 augustus 1973
45 Adriana Johanna van de Pol Zr. Theophila 18 december 1890 Antonius Maria van de Schoot + Catharina Pennings 1 februari 1913 en 5 augustus 1920 29 december 1946
46 Wilhelmina Johanna Maria van de Pol Zr. Everdinie 4 januari 1931 Jan Johannes Mar. Everdina van Boxtel 4 augustus 1949
47 Wilhelmina Martina van Roosmalen Zr. Antónie 23 september 1922 Engelbert A.M. Maria van den Oetelaar 4 augustus 1957 4 juni 2000
48 Johanna van Roosmalen Zr. Thoma 1 oktober 1852 Wilhelmus Emer. van den Heuvel 2 januari 1883 28 april 1903
49 Petronella van Roosmalen Zr. Wilmino 15 februari 1907 Petrus Wilhelmina Ketelaars 5 februari 1925 22 februari 2000
50 Martina van Rooij Zr. Theresia 22 februari 1819 Johannes Ardien van den Bogaard 1837 24 april 1846
51 Hendrika Santegoeds Zr. Venantia 12 januari 1890 Pieter Maria Helena van Rooy 26 februari 1914 13 december 1971
52 Francisca Schellekens Zr. Camilla 3 oktober 1884 Hendrikus Maria van den Oever 3 oktober 1905 29 januari 1936
53 Johanna Adriana Schellekens Zr. Rosalia 11 april 1887 Hendrikus Maria van den Oever 13 mei 1912 9 mei 1965
54 Lucia Schevers Zr. Hendrica 23 januari 1903 Hendricus Johanna van Rixtel 5 februari 1926 17 januari 1987
55 Francisca van Schijndel Zr. Adelbertha 18 augustus 1972 Johannes Henrica van Esch 27 juli 1896 25 januari 1906
56 Martina van de Schoot Zr. Bonifacia 17 april 1841 Gijsbertus Johanna Maria Goyaerts 8 mei 1861 20 september 1861
57 Hendrina Smits Zr. Guiberta 5 december 1882 Hendrikus Francijn van de Kamt 4 mei 1908 18 december 1963
58 Arnoldina van de Spank Zr. Johannita 18 oktober 1913 Adrianus Johanna van Heeswijk 4 februari 1939 13 september 2005
59 Elizabeth van de Spank Zr. Adrianetta 22 augustus 1915 Adrianus Johanna van Heeswijk 4 augustus 1942
60 Wilhelmina van Stralen Zr. Delphine 23 april 1858 Johannes Petronella Hack 4 augustus 1879 11 oktober 1941
61 Elisabeth Maria Timmermans Zr. Theodore 22 augustus 1883 Theodorus Mart. Verhoeven 11 februari 1901 21 april 1921
62 Maria Timmermans Zr. Alphonse 11 februari 1885 Theodorus Mart. Verhoeven 24 januari 1905 13 juli 1975
63 Petronella Maria Timmermans Zr. Ignatia 28 november 1888 Theodorus Mart. Verhoeven 7 mei 1906 2 augustus 1938
64 Wilhelmina Timmermans Zr. Valentiana 29 december 1886 Adrianus Hendrika van Heeswijk 5 maart 1907 5 maart 1907
65 Petronella van de Velden Zr. Barbara 12 februari 1831 Peter Wilhelmina van den Dungen 20 november 1861 9 maart 1902
66 Petronella van de Ven Zr. Coleta 3 april 1827 Hendrikus Johanna Maria van der Aa 1852 9 februari 1855
67 Francisca Theresia van de Ven Zr. Christina Maria 9 november 1925 Wilhelmus Christiana Johanna van Kaathoven 4 februari 1944 4 maart 2000
68 Anna Christina van de Ven Zr. Maria Mechtilde 14 juni 1927 Wilhelmus Christiana Johanna van Kaathoven 4 februari 1949
69 Anna Maria Venmans Zr. Cajetana 12 augustus 1867 Johannes Franciscus Johanna van Heertum 14 april 1890 5 juli 1942
70 Johanna Maria Verhagen Zr. Bernardina 17 januari 1819 Hendrikus Maria van den Meerakker 19 augustus 1851 16 juli 1856
71 Lamberdina Verhagen Zr. Alphonsa 8 augustus 1832 Adrianus Anna Maria Scheffers 20 april 1852 13 februari 1910
72 Anna Maria Verhagen Zr. Benedicta 24 september 1834 Antonius Johanna Maria Verhagen 31 januari 1854 4 februari 1895
73 Johanna Maria Verhagen Zr. Bonifacia 17 januari 1840 Adriaan Johanna Maria Eijmberts 29 november 1864 29 november 1893
74 Anna Maria Verhagen Zr. Patricia 22 februari 1859 Wilhelmus Anna Maria van Liempd 13 november 1879 23 december 1881
75 Christina Verhagen Zr. Mathilda 23 mei 1864 Antonius Henrica Vervoort 21 april 1884 7 november 1944
76 Anna Maria Verhagen Zr. Clara 2 februari 1872 Jan Martina Verhagen 24 juni 1891 24 april 1951
77 Anna Maria Verhagen Zr. Benedicta 3 maart 1873 Johannes Henrica Schevers 20 augustus 1896 22 november 1952
78 Christina Mat. Verhagen Zr. Waltherus 26 oktober 1898 Christianus A. Johanna Maria van de Spank 11 oktober 1917 8 september 1964
79 Anna Maria Verhagen Zr. Christianetto 16 april 1900 Christianus A. Johanna Maria van de Spank 5 februari 1921 20 januari 1983
80 Elis. Maria Verhagen Zr. Liesbeth 24 mei 1943 Marinus Johannes Martina Maria Wouters 19 juni 1970
81 Catharina Verkuijlen Zr. Antonia 11 juni 1852 Andries Lamberdina van den Berg 27 oktober 1873 13 augustus 1906
82 Hendrika Vughts Zr. Vincentia 10 augustus 1826 Marten Gijsberta Spierings 9 mei 1854 23 december 1890
83 Johanna Maria Welvaarts Zr. Maria Christiana 14 mei 1880 Christianus Francina Timmermans 21 april 1897 8 maart 1962
84 Elisabeth Maria Welvaarts Zr. Francina 3 november 1886 Christianus Francina Timmermans 25 mei 1903 17 november 1917
85 Lamberta Maria de Wit Zr. Geradina 23 juni 1905 Gerardus Ardina van Gerwen 4 augustus 1927 6 mei 2006
86 Maria de Wit Zr. Giovanni 11 november 1908 Gerardus Ardina van Gerwen 4 februari 1930 26 april 2001

Eerde[bewerken | brontekst bewerken]

Nr. Familienaam Kloosternaam Geboortedatum Vader Moeder Intrede Overleden
87 J.M. de Jong Zr. Henrina 22 september 1904 Johannes Hendrina Kemps 4 februari 1922 3 september 1991
88 M.J. de Jong Zr. Alphonsinia 24 juli 1902 Johannes Hendrina Kemps 3 februari 1921 15 juni 1945
89 W. van den Oever Zr. Amelberga 17 januari 1899 Wilhelmus Anna Maria van Hooft 10 februari 1920 3 mei 2000
90 P.J. van Roosmalen Zr. Maria Antonina 10 november 1872 Petrus Wilhelmina Ketelaars 7 april 1891 12 april 1962

Gemonde[bewerken | brontekst bewerken]

Nr. Familienaam Kloosternaam Geboortedatum Vader Moeder Intrede Overleden
91 J. van Kasteren Zr. Justine 20 februari 1847 Johannes Lamberdina van den Berg 22 december 1873 24 april 1907
92 A. van Kempen Zr. Lucia 21 juni 1851 Wilhelmus Martina Knicknie 10 mei 1869 10 januari 1929
93 N. Spierings Zr. Joseph 2 augustus 1817 Hendricus Clasina Schellekens 28 juli 1840 4 november 1883

Onderwijs en opvoeding in school en internaat[bewerken | brontekst bewerken]

Pastoor Van Erp besefte maar al te goed dat goed katholiek onderwijs een belangrijke basis zou zijn voor de ontwikkeling van het individu en van de samenleving. Vooral de meisjes uit het dorp, die later een moederrol gingen vervullen, zouden zeer gebaat zijn bij zo’n vorming. Pastoor Van Erp begon met een eenvoudig brei- en catechismusschooltje voor meisjes in de bakkerij van een Wouter van den Berg, op de plaats van het latere weeshuis. De zusters hebben dit verder onder zijn bezielende leiding uitgebouwd. Al in 1858 begonnen ze, als tweede congregatie in den lande, met hun ‘normaalschool’, bedoeld als opleidingsinstituut voor goede vrouwelijke leerkrachten. Die verbleven in het kweekschoolinternaat. Velen van hen zijn na hun studie ingetreden in de congregatie.
In 1906 werd een boerderij van burgemeester P.A. (Peter) Verhagen, pal tegenover het moederhuis, aangekocht om de oude binnenschool te kunnen verplaatsen en werd ter plaatse een tienklassige meisjesschool met bewaarschool gerealiseerd. De school van de zusters had een bijzonder goede naam naast de openbare school uit die dagen.
Naast de stichting van het Sint Barbaraklooster I Wijbosch in 1894 en het klooster annex ziekenhuis van Sint Lidwina in 1934, openden de zusters ook scholen buiten het centrum. Het ging om scholen in Wijbosch en Boschweg, in de parochie Hoevenbraak en in 1970 in de nieuwbouwwijk de Beemd. Na het lager onderwijs volgde automatisch het voortgezet onderwijs met o.a. huishoudonderwijs, een avondnijverheidsschool bekend als Mater Amabilisschool voor werkende meisjes, en het in 1957 gestichte Scinlecollege, thans Eldecollege. De congregatie is voor het Schijndelse onderwijs en dus indirect voor de hele dorpssamenleving, van onschatbare waarde gebleken.
Na 1967 treden geen nieuwe zusters meer in, neemt de vergrijzing binnen de kloostergemeenschap toe. Men ziet zich genoodzaakt zich langzaam maar zeker uit de onderwijssector terug te trekken. Particuliere stichtingen, zoals Sint Servaas en Pastoor Van Erp, hebben vanaf de jaren ’70 de leidende rol van de congregatie voor zowel katholiek basis- als voortgezet onderwijs overgenomen.

Ouderen- en ziekenzorg in Barbara en Lidwina[bewerken | brontekst bewerken]

Grote sociale noden die de 19e eeuwse samenleving kenmerkten waren de armoede onder de bevolking, het grote gebrek aan deskundige zorg voor zieken en bejaarden, het relatief hoog sterftecijfer onder jonge mensen en vooral ook de kindersterfte. De RK geestelijkheid stelde alles in het werk om hierin verbeteringen aan te brengen.
In 1870 verrijst naast het moederhuis, aan de zijde van de Kloosterstraat, een vernieuwd gasthuis toegewijd aan de H. Elisabeth. Zieke en bejaarde dorpelingen worden er verpleegd en ouden van dagen kunnen er in pension. De mogelijkheden binnen het nieuwe gasthuis waren echter beperkt.
In 1934, na de stichting van het Lidwinaziekenhuis annex klooster, zijn de bejaarden vanuit het moederhuis op 8 september van dat jaar overgebracht naar Lidwina. Het ziekenhuis daar was een prachtige aanwinst voor Schijndel. Het heeft gefunctioneerd van 1934 tot 1967 en moest toen opgeheven worden, mede vanwege regionale ontwikkelingen en schaalvergrotingsplannen binnen de medische sector. Het Lidwina-ziekenhuis is voortaan te klein. Het kloostergedeelte blijft bewoond door zusters tot 30 november 1994. Na die periode is het gebouw tot 2000 in gebruik gebleven als zorgcentrum voor bejaarden.
Na de definitieve sluiting is er op politiek niveau veel beroering ontstaan over de uiteindelijke bestemming van het gebouw. De voorgevel is intact gebleven en daarachter is een serie appartementen opgetrokken en is de oude kloosterkapel omgedoopt tot sociale ontmoetingsruimte. Naast Lidwina werden ook bejaarden verzorgd in het in 1953 totaal vernieuwde Barbaraklooster [geheel verwoest tijdens de granaatweken van 1944] met ernaast Annahof als een speciale afdeling voor bejaarde en zorgbehoevende zusters. In 1967 is als bejaardenhuis het Mgr. Bekkershuis geopend, dat nog enige tijd onder leiding van een zuster heeft gefunctioneerd. Nu valt alles onder de stichting Verenigde Zorgcentra Schijndel.

Een herenhuis als weeshuis[bewerken | brontekst bewerken]

Een andere sociale nood was de zorg en opvoeding van wees-, voogdij- en schipperskinderen. De schipperskinderen werden al door de zusters van Schijndel opgevangen in hun klooster in Den Dungen, waar een internaat aan verbonden was. In de Hoofdstraat op no. 71 staat een deftig herenhuis met grote achtertuin wat door Willem Verkuijlen in 1929 is verkocht aan de congregatie van de zusters, terwijl de inboedel werd geschonken.
Aanvankelijk had hij het bestemd als tweede rectoraat, maar het bisdom ging hiermee niet akkoord. Dit vraagt om enige uitleg. De pastoors van Schijndel waren immers tot 1885 tevens rector van het moederhuis. In dat jaar is pal tegenover het moederhuis het zgn. rectoraat gebouwd, de woning van de dienstdoende rector, waar nu sinds 1957 het hoofdbestuur, pastoraal team en administratie zetelt. De functies pastoor van de Servatiusparochie en tevens rector van de zusters van het moederhuis is toen losgekoppeld. Ten tijde van de verkoop van het pand van Verkuijlen was er sprake van de benoeming van een tweede rector of conrector, vandaar dat hij meende dat zijn huis daar heel geschikt voor zou zijn. Hem is toen voorgesteld het huis te bestemmen als weeshuis en dat vond hij een initiatief dat helemaal paste binnen zijn ideeën over naastenliefde en liefdadigheid. De weldoener, een invloedrijke figuur binnen de Schijndelse samenleving, was in pension op het moederhuis en bewoonde daar twee grote kamers van de kweekschool. Vanaf eind 1929 is het weeshuis tijdelijk bediend vanuit het moederhuis. Het huis werd vernoemd naar en toegewijd aan Petrus Donders. Op de 5e november 1929 is in de voortuin het beeld van ‘Peerke Donders’, een geschenk van mejuffrouw Van der Putten, officieel onthuld door pastoor H.J.M. Donders. Pas op 14 januari 1930 geeft de Bossche bisschop Mgr. Diepen verlof om het huis als dochterklooster van het moederhuis te aanvaarden en vanaf die datum gaan er ook zusters wonen. Het blijft als weeshuis in gebruik tot ca. 1956. Over de periode 1930-1956 varieert het aantal weeskinderen van 29 tot 59 met een gemiddelde van rond de 40. Dat verblijf is echter wel onderbroken tijdens de oorlogsjaren. Op 10 mei 1940 hebben veel families hun kinderen tijdelijk naar huis gehaald. Tijdens de granaatweken september/oktober 1944 wordt de pastorie van de Servatiusparochie zwaar getroffen.
De zusters gaan met de weeskinderen tijdelijk naar Eersel en de pastoor, twee kapelaans en huishoudelijk personeel nemen tijdelijk hun intrek in het pand aan de Hoofdstraat tot 7 mei 1947. In juli van dat jaar keren de weeskinderen weer terug en blijven er tot 1956. Vanaf die tijd kreeg het weeshuis verschillende bestemmingen en ondergaat in 1977 nog een verbouwing. In 1994 is het pand verkocht aan de gemeente Schijndel die het huis zou doorverkopen. Het beeld van Petrus Donders is op 20 oktober, daags voor de verkoop, al naar de tuin van het moederhuis overgebracht. Tenslotte is het weeshuis, het pand Hoofdstraat 71, een gemeentelijk monument, gekocht door een particulier, die in een gedeelte ervan een kledingzaak vestigde.

Video[bewerken | brontekst bewerken]

Uitstapjes naar de Keukenhof en de Deltawerken. Zie hier het gefilmde verslag.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Alles heeft zijn tijd, Henk Beijers.
  2. Het Huisgezin nr. 33 – zaterdag 7 november 1886.