Welkom op Schijndelwiki - de encyclopedie voor Schijndel

U kunt ons steunen door lid van de Heemkundekring Schijndel te worden.

Klik HIER om lid te worden

Iedere dinsdagochtend zijn wij tussen 9 en 12 uur in de heemkamer: Cultureel Centrum Spectrum, Steeg 9 g, Schijndel.

Petrus Donders Weeshuis

Uit Schijndelwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Petrus Donders Weeshuis
Weeshuis.jpg
Weeshuis aan de Hoofdstraat in Schijndel.
Gebruik weeshuis
Start bouw 1928
Gereed 1929
Opening 5 november 1929
Sluiting 1956
Bouwstijl Eclectische stijl
Monument status Gemeentemonument GM7254.
Bouwpartners
Eigenaar Congregatie van de Zusters van Liefde van Jezus en Maria Moeder van Goede Bijstand (1993)

Weeshuis Hoofdstraat 71[1][bewerken | brontekst bewerken]

Familie Verkuijlen en het weeshuis[bewerken | brontekst bewerken]

Tegenover het „allereerste klooster‟ hebben drie huizen gestaan waarvan er een toebehoorde aan de familie Verkuijlen. Op de kadasterkaart van 1832 staan drie naast elkaar liggende huizen met de nummers C 1921, 1923 en 1926.
Het „beginnende klooster‟ uit 1836 (de oude pastorie) bevindt zich op de Lochtenburg. De bewuste huizen daar tegenover liggen in het gebied de Roskamp (ook Roskam) aan de toentertijd bekende Laagstraat, rond 1880 de Heikantsche keiweg genoemd en in 1936 omgedoopt tot Pastoor van Erpstraat.
De woningen hebben in 1832 als resp. eigenaars Goijaert van Straalen, Pieter Lambert van de Ven en de weduwe Arnoldus Joost Verhagen.
Maar……het blijkt dat Andreas Verkuijlen (1809-1891), gehuwd met Lamberta van den Bergh (1808-1882) vrij kort na 1832, het jaar waarin hij trouwde, het middelste huis als schoonzoon heeft overgenomen van schoonvader Pieter. In het bevolkingsregister van 1830-1840 staan deze drie woningen geregistreerd onder wijknummer H 232 (van Straalen), 233 (Verkuijlen) en 234 (Verhagen).
Deze Andries Verkuijlen stichtte een groot gezin van in totaal 12 kinderen waarvan er twee vroegtijdig overleden.

Foto met enige familieleden Verkuijlen.
Voor meer details klik hier.
Voornaam Geboren Overleden
Henrikus 11 september 1833 05 februari 1918
Anna 09 oktober 1834 28 april 1890
Maria 15 mei 1836 11 december 1867
Petrus 21 februari 1838 01 oktober 1915
Woutrina 07 september 1839 07 september 1839
Woutrina 04 november 1840 12 juli 1890
Gerardus 12 oktober 1842 30 oktober 1922
Josephus 05 september 1844 28 juli 1921
Johannes 25 augustus 1846 17 oktober 1867
Wilhelmus 19 december 1848 09 augustus 1929
Hendrika 08 mei 1850 08 maart 1921
Catharina 11 juni 1852 13 augustus 1906

Foto met enige familieleden Verkuijlen.
Staand A: 1. vader Andreas Verkuijlen, 2. Petrus Verkuijlen, 3. Josephus Verkuijlen, 4. Gerardus Verkuijlen, 5. Wilhelmus Verkuijlen (de weldoener van het weeshuis).
Zittend B: 1. moeder Lamberta van den Bergh, 2. zuster Maria Antonia (Catharina Verkuijlen), 3. Josephina van der Putten de vrouw van Wilhelmus Verkuijlen.

Zoon Petrus koos voor het priesterambt, werd gewijd 14 juni 1862, was achtereenvolgens assistent op 't Heike te Tilburg, kapelaan te Asten, pastoor te Rijkevoort en overleed als pastoor te Boekel.
Zijn jongste zus Catharina koos voor het kloosterleven, trad in bij de congregatie op 1 november 1873 en nam als kloosternaam Maria Antonia aan. Ze volgde de toenmalige normaalschool van de zusters en heeft achtereenvolgens, als onderwijzeres met de huisakte behorende bij de onderwijswet van 1857, gewoond en gewerkt in Den Dungen, Lieshout, Schijndel (Wijbosch), Sint Anthonis en keerde op 10 juni 1905 weer terug naar het moederhuis, waar ze ruim een jaar later overleed en werd begraven op het kloosterkerkhof.

In pension in het moederhuis.[bewerken | brontekst bewerken]

Willem Verkuijlen met de gezusters van der Putten de weldoeners van het weeshuis.

Zoon Willem Verkuijlen met zijn vrouw Josephina van der Putten, van geboorte een Stiphoutse, en haar zuster Maria van der Putten een deftig en statig huis, daterend van rond 1870, aan de „Groote Straat‟. Later heeft mejuffrouw Maria van der Putten aan, die na de dood van haar zus Josephina de huishouding op haar schouders heeft genomen.

Op 28 oktober 1928 zetten beiden een grote stap door te besluiten in pension te gaan in het moederhuis. De zusters ruimen enige grotere kamers van de kweekschool voor hen in. Willem Verkuijlen is tot op dat moment zeer actief geweest binnen de Schijndelse samenleving op kerkelijk, charitatief en sociaal gebied en wil de resterende jaren van zijn leven in alle rust doorbrengen en zich langzaam terugtrekken uit al zijn functies. Hij staat bij de bevolking in hoog aanzien en wordt gewaardeerd om zijn wijs oordeel in veel zaken en zijn grote ijver in dienst van de dorpsgemeenschap.
In de maand november biedt hij de congregatie aan dat ze zijn herenhuis aan de Hoofdstraat kan kopen, in de veronderstelling dat men hier een tweede rectoraat zou gaan vestigen. Hij schenkt de inboedel, maar wat hij in gedachten heeft loopt anders dan hij verwacht.

Geen rectoraat maar weeshuis.[bewerken | brontekst bewerken]

De congregatie was in de periode van de overdracht van het huis van Verkuijlen sterk groeiende en menigmaal heeft toen de gedachte gespeeld of het zinvol zou zijn naast de dienstdoende rector een conrector te benoemen, vandaar dat Willem Verkuijlen meende er goed aan te doen zijn huis te bestemmen als tweede rectoraat. De bisschop van 's-Hertogenbosch Mgr. Diepen was uiteraard blij met de schenking van de inboedel van het huis aan de zusters, maar kon niet akkoord gaan met de voorgestelde bestemming.
Zijn motieven zijn drieërlei geweest nl.:

  • de congregatie werd in die dagen naast de rector nog extra bediend door paters uit het Damianenklooster aan de Rooiseweg,
  • bovendien was hij van mening dat een dergelijk 2e rectoraat ook te ver verwijderd lag van het moederhuis
  • en het zou niet wenselijk zijn de eventueel aan te stellen conrector een aparte woning aan te bieden, terwijl het rectoraat uit 1885 meer dan ruimte genoeg had.

Men komt met een compromisvoorstel om zijn herenhuis in te richten als weeshuis, waarmee de heer Verkuijlen zich zeer ingenomen toont. Men overweegt de nodige veranderingen in het huis aan te brengen om er in de toekomst een 20-tal meisjes te kunnen opvangen. De kosten voor de verbouwing neemt de schenker ook op zich. Vrij kort daarop gaat de gezondheid van de heer Verkuijlen zienderogen achteruit. Zijn trouwe bezoekjes aan dorpsgenoten kan hij niet meer afleggen en zijn dagelijkse wandelingen in de tuin geven ook al veel problemen. Nog twee geliefde plaatsen blijven over nl. een bezoek aan de kapel en zijn wandeling via de kloostertuin, want dat was de kortste weg naar het weeshuis, om een kijkje te nemen bij de verbouwingswerkzaamheden. Op 9 augustus overlijdt hij in het moederhuis. De avond tevoren is hij bediend door pater jezuïet Pour die op dat moment een retraite leidt voor de zusters. Maar wat blijkt na zijn overlijden….. het weeshuis was dan wel verkocht en de zusters waren in zijn testament benoemd tot enige en rechtmatige eigenaren, maar hij had verder geen gelden of fondsen vermaakt voor het verdere onderhoud. De vraag rijst nu….hoe krijgen we dat prachtige weeshuis in de toekomst verantwoord gefinancierd. Uiteindelijk vormt het door de weesjes te betalen kostgeld geen geweldige bron van inkomsten. Maar gelukkig biedt mejuffrouw Maria van der Putten uitkomst. Ze schenkt al haar bezittingen, gelden en huisraad aan de zusters vanuit de gedachte, dat ze op deze manier dienstbaar kan zijn aan die vele ouderloze kinderen uit Schijndel en van elders, die in het weeshuis een goede verzorging zouden krijgen.

Patroonheilige wordt Peerke Donders.[bewerken | brontekst bewerken]

Op de plaats waar het herenhuis rond 1870 is gebouwd, stond op dat moment nog de bakkerij van Wouter van den Bergh, een hele goede bekende van de congregatie en vooral van de stichter pastoor Van Erp, die destijds nogal eens liep te brevieren in de kloostertuin. Na het breviergebed maakte de pastoor regelmatig een praatje met bakker van den Bergh. Zo krijgt Antonius van Erp (1797 – 1861) van hem bv. toestemming om in de bakkerij het eerste breischooltje van de zusters te beginnen onder de bezielende leiding van juffrouw van den Endepoel en Helena van der Kant.
Een broer van Helena studeert op dat moment theologie en een goede vriend van hem is de bekende Peerke Donders uit Tilburg. Die komt nogal eens op bezoek en op een dag troont de theologant zijn vriend mee naar het breischooltje van zijn zus Helena (Zr. Scholastica).
Een deel van de bakkerij is destijds, men beweert uit piëteit voor „het eerbiedwaardige Peerke‟ blijven staan en pas in 1977 gesloopt.
Saillant detail is, dat toen de school aan de Pompstraat is gebouwd de heer Verkuijlen graag een vlotte doorgang naar de tuin van het moederhuis wilde hebben. Dat verzoek is toen gehonoreerd in ruil voor een stukje van zijn tuin grenzend aan de speelplaats. Door een poortje in de haag kon hij gemakkelijk de Pompstraat oversteken en door het tuinpoortje van de zusters het moederhuis bereiken. Deze ruil is toen zelfs contractueel vastgelegd, zodat er later geen problemen over zouden kunnen ontstaan.
Ruim voor de definitieve opening van het weeshuis is het mejuffrouw van der Putten die op haar kosten een bijna levensgroot beeld van Petrus Donders laat vervaardigen door de heer Jonkergouw uit 's-Hertogenbosch. Het wordt, eenmaal geplaatst in de voortuin, op 5 november 1929 door pastoor Donders plechtig onthuld en het Weeshuis ingezegend. Op die gedenkwaardige dag wordt in de Servatiuskerk een feestelijke eucharistieviering gehouden in het bijzijn van het voltallige hoofdbestuur, de eerste weeskinderen en uiteraard die aangestelde groep zusters en veel belangstellenden uit de dorpsgemeenschap.

In de beginperiode is het weeshuis nog vanuit het moederhuis bediend door een drietal zusters die de zorg hebben gehad, eerst over vier kinderen afkomstig van de „Stichting van Meeuwen‟ uit Rosmalen, die korte tijd later gezelschap hebben gekregen van wezen of halfwezen zoals men ze noemde, uit Schijndel zelf. Het hoofdbestuur signaleert vrij spoedig de problemen die de bediening vanuit het moederhuis met zich meebrengt en hoort van de zusters dat ze niet zo gelukkig zijn, omdat ze een goede dagelijkse leiding missen. Men zet stappen om een bisschoppelijke goedkeuring te verkrijgen om het Petrus Dondersweeshuis te mogen beschouwen als een zgn. succursaalhuis, een dochterstichting van het moederhuis. Monseigneur Diepen gaat hiermee akkoord en op 14 januari 1930 richt men het weeshuis officieel op. Benoemd worden de zusters Antoinette Vermeltfoort als overste, Alène Huijers als eerste raadzuster, Fidelia Adriaans, Henricia Sprangers en Domitilla Valkering, die met goede moed aan hun nieuwe liefdewerk beginnen, met inmiddels 9 weeskinderen.

Alle begin is moeilijk.[bewerken | brontekst bewerken]

Een prachtig herenhuis maar al meteen doet zich een probleem voor nl. het warm stoken van dat grote gebouw. Bakken vol steenkool moeten worden aangedragen om het huis goed te verwarmen.
Wat de maaltijden betreft is men voortaan op zichzelf aangewezen en de financiële situatie is in de beginfase bepaald niet rooskleurig en men moet noodgedwongen zuinig en sober leven. Elke gift van buitenstaanders is van harte welkom. Zo heeft bv. juffrouw Aldegonda Smits in haar testament laten vastleggen dat men na haar overlijden het weeshuis een bedrag van 100 gulden moet schenken.
Waar de zusters ook niet erg gelukkig mee zijn is het feit dat boven in het huis weliswaar een sobere bidplaats is ingericht maar het H. Sacrament ontbreekt in een tabernakel, zodat de zusters voor een echte misviering of een aanbidding van het H. Sacrament in de namiddag of vroege avond nog steeds aangewezen zijn op de Servatiuskerk of de grote kapel van het moederhuis.

Moeder-overste opgesloten.[bewerken | brontekst bewerken]

Op een dag brengt zuster Marie Antoinette in de avonduren een bezoek aan de parochiekerk en duikt er weg in een stil hoekje. De zon is inmiddels al onder en de godvruchtige overste zit daar nog diep in gebed en meditatie verzonken. De koster van de Servatius maakt zijn dagelijkse rondgang, sluit alles goed af en merkt de aanwezigheid van moeder-overste in dat verborgen hoekje in het geheel niet op. Er heerst een doodse stilte in het grote kerkgebouw. Opeens ontdekt zuster Antoinette, die inmiddels haar gebed heeft beëindigd, dat alle kerkdeuren al afgesloten zijn en rammelt zo hard ze kan aan de klink van de deur, maar dat blijkt een vruchteloze poging.
Dan maar naar de deur van de sacristie, in het besef dat het allesbehalve aanlokkelijk is de hele nacht in die koude donkere kerk te moeten doorbrengen, die met alle hoorbare geluiden toch iets geheimzinnigs heeft. De duisternis wordt nog eens extra geaccentueerd door het flakkerend godslampvlammetje. Ineens dringt het tot zuster Antoinette door dat men in het weeshuis wel gruwelijk ongerust zal zijn. Ze snelt naar de sacristiedeur die gelukkig wel open is en maakt een lamp aan, zelfs enige lampen in de kerk in de hoop dat „deze truc‟ argwaan wekt bij attente voorbijgangers. Het blijft opvallend rustig rondom het kerkgebouw. Ze zal dus een andere list moeten bedenken. Ze begint met een zekere felheid op het sacristieraam te kloppen en warempel……een toevallige passant merkt het geluid op en beseft dat er iets ongewoons aan de hand is. Hij waarschuwt ogenblikkelijk de koster en de bevrijding zou nu spoedig volgen. Moeder Antoinette is de koning te rijk en snelt naar het weeshuis, waar iedereen danig onder de indruk was vanwege het gemis van moeder-overste.
Enige jaren na de ingebruikname van het weeshuis heeft men de huiskapel voorzien van het H. Sacrament en kunnen de zusters vanaf dat moment zich thuis in stilte terugtrekken voor gebed en meditatie.
Op 2 februari wordt de eenvoudige kapel door pastoor Donders ingezegend en volgt bovendien de intronisatie van een H. Hartbeeld in het bescheiden weeshuis- klooster.
Intussen is het aantal weeskinderen al gegroeid en wordt het maximum aantal van 20, waar bij de verbouwing rekening mee was gehouden, behoorlijk overschreden.

Bijzondere aantekeningen 1930-1935.[bewerken | brontekst bewerken]

Aantekeningen in een notitieboekje uit het weeshuis:

Uit respect voor weldoener Verkuijlen is er jaarlijks een zingend jaargetijde in de kerk of de huiskapel. Ook wordt een speciale misviering gehouden op resp. 9 augustus, de sterfdag van Willem Verkuijlen en op 12 oktober, de sterfdag van mejuffrouw van der Putten.
Voorjaar 1932 heeft een zekere M. van Driel de boomgaard aangelegd. In elke rij staan 16 bomen en in het midden 17. Zelfs het type fruitbomen, appel- en perenbomen, is uitvoerig beschreven met de pluktijden erbij en de paden waar ze hebben gestaan, zoals Charlemouski, Goudrenet, Burré Hardy, Comtes de Paris, Lemoenappel, Transparant de Cronsel, Bellefleur, Jeloun, 16 struiken Lansbergerrenet en sterappel Beleff.
Men beschikt er over een goede vleesmachine, die jaarlijks wordt geïnspecteerd door monteur W. Rombeek uit de Vredeman de Vriesstraat te Eindhoven-Woensel.
De keukenpomp heeft een buis die door de kelder onder de vloer van de nieuwe keuken loopt en verder door de buitenmuur in de put, die in het zijgangetje ligt onder het raampje. De welput is 4 meter diep. Voor de aanleg van het buizenstelsel moest de druivenserre wijken die men ten slotte heeft afgebroken.
In 1932 is de regenput geveegd.
Elk jaar schenken de dames van Liempt f 25,- voor aankoop van godslampolie.
In 1933 hebben de ooms en tantes van zuster Embertha Thomassen een bedrag van f 30,- geschonken voor aanschaf van een kruisbeeld in het expositietroontje of iets voor de kapel. Dat geld is overigens in het spaarpotje verdwenen, want in deze slechte tijd schafte men alleen maar die zaken aan die heel hard nodig waren.
De vaste schilder voor het huis is de heer Bos geweest.
In 1933 is 50 kilo patentkali, 2 zakken slakkenmeel en 100 kilo kalk gebruikt voor de aanleg van de boomgaard.
In 1935 heeft schilder van Lier het zaaltje met de twee alkoven geverfd voor f 85,- en in augustus van dat jaar de kapel behangen.
De heer Bos verft in hetzelfde jaar het voorhuis en in '37 alle tafeltjes, stoeltjes en bankjes op de speelplaats.
Ten slotte is in 1935 overgeschakeld op butagas tot de dag dat men zich kon aansluiten bij de gasvoorziening van het dorp.
Juffrouw van Lieshout, de nicht van zuster Lamberdine, vermaakt in haar testament f 1000,= aan het weeshuis met als voorwaarde, dat de zusters 25 jaren lang elk jaar vier gezongen missen laten lezen in de Servatiuskerk.
Als afsluiting enige zéér bijzondere berichten vanuit het bisdomblad Sint-Jansklokken in opdracht van monseigneur Diepen.
De bisschop van ‟s-Hertogenbosch verbiedt nl. het volgende: dat in de scholen sluitzegels, prentbriefkaarten, bloempjes etc. worden meegegeven aan de kinderen; hij verbiedt tevens dat het onderwijzend personeel aan de kinderen prikkaarten, loten of busjes van katholieke verenigingen verstrekt of ze in dienst neemt om te collecteren; dat het personeel kinderen ook geen centen laat meebrengen ter versiering van het beeld van O.L.Vrouw in de meimaand of dat van het H.Hart in de junimaand; tenslotte verbiedt hij het plaatsen van missiebusjes in de scholen en dat geen reclame wordt gemaakt via biljetten of toegangskaarten voor diverse uitvoeringen.

Tabel met de namen van de zusters die tussen 1931-1935 zijn overgeplaatst naar het weeshuis, er korte of lange tijd hebben gewoond en gewerkt en er weer vertrokken zijn.

Naam van de zuster Ingekomen Vertrokken
Zr. Maria Henricia Sprangers 19-10-1931
Zr. Maria Domitilla Valkering 24-06-1932
Zr. Benita ter Wee 06-08-1931 24-10-1931
Zr. Benita ter Wee 06-08-1934
Zr. Fulgentia Bollen 29-08-1931 16-04-1932
Zr. Theophile van de Sande 16-04-1932 24-06-1932
Zr. Embertha Thomassen 24-06-1932 25-08-1933
Zr. Maria Verschuren 14-11-1932 07-02-1933
Zr. Maria Arnoltruda Busselaar 07-02-1933 19-06-1933
Zr. Augustini van Helvoort 07-02-1933 19-06-1933
Zr. Odillia Steur 31-10-1933 11-11-1933
Zr. Arnoltruda Busselaar 31-10-1933 06-02-1935
Zr. Francina van Bakel 11-11-1933 28-01-1934
Zr. Thadea Smulders 06-02-1934 28-12-1934
Zr. Monica Voets 06-02-1935 23-05-1935
Zr. Leontia van den Berg 23-05-1935

Testament van Willem Verkuijlen[bewerken | brontekst bewerken]

Willem Verkuijlen laat de notaris het volgende vastleggen:

“Ik Wilhelmus Verkuijlen, oud gemeenteontvanger van en wonende te Schijndel vermaak aan het klooster mijn woonhuis wijk G nr.31 met schuurtjes, erf, tuin en bijtuin sectie D 3912 en 67 zamen groot 0.40.56 hectare met alles wat zich daarop en daarin bevindt, behalve geld, effecten en andere geldswaarde en voorwerpen waarover anders is beschikt onder de volgende voorwaarden:
dat mijne schoonzuster Mejuffrouw Maria van der Putten zoolang als zij zal leven of zoolang als zij verkiest van al het voorbedoelde haar onbeperkt gebruik kan nemen en wat het roerend goed betreft, dus ook geld en effecten enz. daarover als haar algeheel eigendom kan beschikken voor eigen behoefte. voor zooverre door mij daaraan geen andere bestemming gegeven is, om reeds tijdens haar leven uit te keeren”.

Verder is het boeiend om te zien hoe uitgebreid de serie obligaties (en schulden) is die beschreven staat. Ook die tekenen iets van de sfeer uit de jaren '30 van de vorige eeuw en hoe dit soort weldoeners, vaak vanuit een bevoorrechte financiële positie en een breed netwerk van relaties, allerlei katholieke instellingen gedenken in hun testament:

Nr. Omschrijving
01 5 obligaties van ieder F 1000 aan de Vincentiusvereniging speciaal voor de spijskokerij van de hoofdparochie van de H. Servatius.
02 F 1000,= voor de spijskokerij in de parochie Wijbosch.
03 F 500,= aan de H. Familie van bovengenoemde hoofdparochie.
04 F 250,= aan de congregatie.
05 F 1000,= aan het Instituut van Doofstommen te Sint Michielsgestel.
06 Idem voor het blindeninstituut te Grave.
07 F 500,= aan pastoor Buis te China der congregatie van het Goddelijk Woord.
08 F 1000,= aan het missiehuis van de Paters van Steijl.
09 F 1000,= aan de missie van de congregatie in Ned. Indië – Curaçao.
10 F 1000,= aan de abdij te Heeswijk voor de Norbertijnermissie.
11 F 1000,= aan de missie van de priesters van het H. Hart te Bergen op Zoom.
12 F 1000,= voor het missiehuis te Roosendaal.
13 F 1000,= aan de missie van de Capucijnen te Handel.
14 F 2000,= aan de RK kerk van de hoofdparochie van de H. Servatius – deze 2000 gl. aan de RK kerk worden alleen verstrekt als een verklaring door 't kerkbestuur schriftelijk wordt afgegeven, dat het recht, dat ik bij de schenking van de grond waarop de Bijzondere School achter mijn tuin heb voorbehouden na mijn dood, gratis zal overgaan op het liefdegesticht alhier nl. het recht van overweg (of overpad).
15 F 1000,= aan de RK kerk te Wijbosch.
16 2 obligaties van ieder F 1000,= aan het fonds ter verpleging van oude mannen en vrouwen in het gasthuis te Schijndel in het moederhuis.
17 Is vervallen
18 Antoon van Boxtel te Schijndel gehuwd met Johanna Oerlemans moet tot aflossing der hypotheek op zijne boerderij F 2000,= worden uitgekeerd.
19 Vervallen – over de dienstbode.
19a De heer Antoon Bolsius krijgt als ik en Mej. van der Putten dood zijn de vier jacht voorstellende schilderijen hangende in de zaal, benevens een obligatie van F 1000,=.
20 Een obligatie van F 1000,= aan het klooster in de Choorstraat in Den Bosch.
z.nr. Een obligatie van F 1000,= aan de kinderen van Adriaan Timmermans gehuwd met Hendrika W. van Heeswijk.
z.nr. Idem Jan H. van Heeswijk gehuwd met Josina Kuenen en van Martinus van Heeswijk gehuwd in eerste huwelijk met Elisabeth van Kronenburg in tweede huwelijk met Petronella van de Ven.
z.nr. De kleinkinderen van Wilhelmus van Heeswijk en Catharina Verkuilen.
z.nr. De moeder van zuster Martinella een obligatie van F 1000,=.
z.nr. Alle waardeloze aantekeningen en geschriften kan men na mijn dood vernietigen.
21 Vervallen.
22 Johan Brekelmans thans kapelaan te Eindhoven om goed voor mij en mijne familie te blijven bidden F 200,=.
23 Broeders Norbertijnen te Elshout (als die bij mijn overlijden nog bestaan) F 500.
24 Het gymnasium van de Kruisheren te Uden F 1000,=.
25 De RK parochie te Boekel voor onderhoud van de grafmonumenten van wijlen oud-pastoor P. Verkuilen en Mejuffrouw W. Verkuilen F 1000,=.
26 Pater Livinus Verstappen kapucijn F 500,=.
27 De hoofdparochie van de H. Servatius voor onderhoud van het H. Hartbeeld hoek Heeswijkscheweg F 500,=.
27a Op het graf van Mejuffrouw van der Putten moet naast mij op het kerkhof een monument geplaatst worden van minstens F 500,=.
28 De Norbertijnerabdij Windberg een obligatie van F 3000,=.
29 De nieuwe missie van ‟t moederhuis alhier te Sumatra 3 obligaties van F 1000,=.
z.nr. Voor het onderhoud van de grafmonumenten der familie Verkuilen op 't kerkhof te Schijndel – zie contract met pastoor Donders.

Mocht er nog geld over zijn na de dood van Mejuffrouw van der Putten, dan moet dat bedrag verder worden ingezet voor de vier studiebeurzen ter opleiding van RK priesters nl. f 5000,= per beurs en de rest aan de RK universiteit te Nijmegen. Op het grafmonument mijner vrouw z.g. waarnaast ik verlang begraven te worden alleen bij te laten werken als ik dood ben: Geboren te Schijndel, den 19 december 1848, overleden aldaar den ….; op mijn graf moet dan geen afzonderlijk monument meer geplaatst worden.

Groei van het aantal wezen.[bewerken | brontekst bewerken]

Met de gestage groei van het aantal wezen en half-wezen en „andere kinderen‟ zoals ze later in de administratie staan weergegeven is het keukentje van het weeshuis al gauw te klein, vandaar dat in 1932 de keuken is aangepast en is ook een nieuwe keukenkachel aangeschaft met net iets meer capaciteit. Het is heel jammer dat een groot deel van de administratieve gegevens van het weeshuis uit de jaren ‟30-‟40 vermoedelijk onder de oorlog verloren zijn geraakt of tijdens de granaatweken misschien verbrand ten gevolge van granaatinslagen. Dat is verder onbekend. De lijsten van de weeskinderen beginnen eigenlijk pas rond 1940, zodat we nooit een volledig totaalbeeld zullen krijgen van alle kinderen, die aan de zorgen van de zusters zijn toevertrouwd geweest in die dagen. Over de periode 1940-1956 zijn de gegevens volledig betrouwbaar.
Als het gaat om de betaling van het kostgeld worden genoemd het armbestuur van Schijndel, de Godshuizen in 's-Bosch, armbesturen van andere plaatsen, de familie, (pleeg)vader, moeder, ooms of tantes, voogden, de voogdijraad, het Wit Gele Kruis, sociale zaken en de Vincentiusvereniging.

Aantallen per jaar:

  • 1940 – 3 wezen, 16 half wezen, 17 andere kinderen (36)
  • 1941 - 3 wezen, 19 half wezen en 22 andere kinderen (44)
  • 1942 – 2 wezen, 18 half wezen, 5 wegens oorlog, 7 wegens gezinstoestand, 5 andere (37)
  • 1943 – 1 wees, 11 half wezen, 24 andere kinderen (36)
  • 1944 – over dit jaar bestaat geen overzichtslijst
  • 1945 – 1 wees, 12 half wezen, 25 andere kinderen (38)
  • 1946 – geen wees, 18 half wezen, 2 voogdij- of regeringskinderen, 21 anderen, 1 kind bij de opneming verwaarloosd of misdadig (42)
  • 1947 – 1 wees, 20 half wezen, 23 andere kinderen (44)
  • 1948 – 1 wees, 12 half wezen, 1 voogdijkind, 27 andere kinderen (41)
  • 1949 – 18 wezen en half wezen, 1 voogdijkind, 22 andere kinderen (41)
  • 1950 – 18 half wezen, 29 andere kinderen (47)
  • 1951 – 17 wezen en half wezen, 1 voogdijkind en 28 andere kinderen (46)
  • 1952 – 3 wezen, 9 half wezen, 1 voogdijkind en 33 andere kinderen (46)
  • 1953 – 9 wezen en half wezen, 0 voogdijkind en 50 andere kinderen en bestedelingen (59)*
  • 1954 – 5 wezen, 9 half wezen en 34 andere kinderen (48)
  • 1955 – 7 wezen, 6 half wezen, 31 andere kinderen (44)
  • 1956 – 2 wezen, 11 half wezen, 16 andere kinderen (29)
  • * = iemand die ergens in de kost wordt besteed bv. in een liefdadige instelling

Als we de lijsten bekijken valt het op dat de meeste kinderen een periode van 3 tot 4 jaar of korter in het weeshuis doorbrengen, maar daar tegenover staat dat er ook aardig wat meisjes zijn geweest die tussen de 5 en 11 jaren onder de „moederlijke zorg‟ van de zusters hebben geleefd of nu misschien wel met enige reserve terugdenken aan die tijd. Voor veel gezinnen, waarvan of vader of moeder of beiden overleden waren, was de aanwezigheid van het weeshuis een uitstekende sociale voorziening die zeer welkom was, zowel binnen als buiten de oorlogsperiode! In het besef dat de natuurlijke of biologische ouders voor de opvoeding in wezen niet vervangbaar waren, hebben de zusters zich betrokken getoond en zich toch tot het uiterste ingespannen om het zware verlies voor die kinderen te verzachten en ze met de nodige menselijke warmte te omringen om zo hun jonge leven leefbaar te maken.

Herinneringen van Marie Smits[bewerken | brontekst bewerken]

Marie Smits vertelt ons het volgende:
“ Wij zijn op 20 juli 1932 in het weeshuis gekomen. Ons Antje was 2 jaar en bijna 5 maanden, ons Toos was 6 jaar en ik zelf 7 jaar. Ik ben er 7 jaren gebleven en ons Antje en Toos 8 jaren. Toen ik er in 1939 uit gekomen ben was ik 14. We hadden meestal vijf zusters die met moeder overste Zr. Fidelia voor de kinderen zorgden, zeer lieve zusters waren het. Zuster Constant was de kookzuster die heel goed kookte, maar soms ook wel eten maakte dat niet lekker was. Je moest er altijd wel iets van opeten. Van de twee andere zusters ken ik de namen niet meer, maar dat waren de werkzusters die het huis schoon hielden en de was deden. We hadden ook een tuinman, want de groenten werden allemaal zelf geteeld en ook het fruit.
Je kwam er niets tekort.
Er was veel speelgoed, poppen, poppenkleertjes, fietsjes en stepjes. Als je wilde mocht je ook mee helpen stoppen en naaien van wat er uit de was kwam. Ook hadden we een hele mooie kapel. Eens in de week kwam er de priester een mis doen en andere dagen moesten we naar de gewone kerk en dat was altijd vroeg op.
We hebben ook nog een aardbeving meegemaakt. We moesten toen allemaal op bed blijven zitten.
We hebben het niet slecht gehad op het weeshuis. De zusters waren allemaal even hartelijk. Zuster Constant dat was een Belse zuster. In de zomer als het fruit rijp was mochten we naar Bolsius bessen en knoezels plukken (huize Nieuwegaard vermoedelijk) en dan kregen we thee met een koekje. Dan gingen we weer 'n keer naar de paters Damianen in Rooi. Daar hadden ze ook veel fruit.
Ook met Sint Nicolaas kregen we altijd nogal wat kadootjes van de middenstand uit Schijndel. Ook van Jansen de Wit kregen we elk jaar wel wat aan truien, mutsen, dassen en handschoenen.
De zusters kwamen nooit buiten het weeshuis. De knecht deed de boodschappen, ook als je ooit schoenen moest hebben. Ik weet nog dat er markt was en dan moest je met de knecht mee. Ik had misschien maat 37, maar ik moest maat 40 passen, want anders was je er te gauw uitgegroeid.
Ik denk niet dat er heel veel arm waren. Er waren er toen bij die altijd heel netjes gekleed waren. Je had altijd je eigen kleren aan.
In de oorlogsjaren zijn de kinderen nog een paar jaar in Den Dungen geweest, maar ik weet niet hoe lang”.

Tabel met de namen van de zusters die tussen 1935-1944 zijn overgeplaatst naar het weeshuis, er korte of lange tijd hebben gewoond en gewerkt en er weer vertrokken zijn.

Naam van de zuster Ingekomen Vertrokken
Zr. Leontia van den Berg 23-05-1935 21-08-1937
Zr. Johanna de Chantal Versleeuwen 11-03-1936 06-07-1938
Zr. Serafine Kamp 12-03-1936 27-02-1941
Zr. Longina Kouwenberg 21-08-1937 12-02-1941
Zr. Beda Pennings 06-05-1938 12-02-1941
Zr. Jacobina Minten 05-02-1941 05-02-1943
Zr. Ansfrida van 't Hof 12-02-1941 07-02-1942
Zr. Johanna Chrysostoma Sanders 13-02-1941 21-11-1944
Zr. Frederica Mekenkamp (overste) 24-04-1941 31-10-1944
Zr. Himelina Houtappels 18-03-1942 15-02-1943
Zr. Henricio van den Boomen 26-08-1942 07-11-1944
Zr. Liberta de Wit 15-02-1943 08-09-1943
Zr. Edmunda van Ham 10-08-1943 13-11-1944
Zr. Odulphine van der Sande 08-09-1943 15-10-1943
Zr. Huberdina van Ophuizen 18-09-1943 07-11-1944

De aardbeving van 1932[bewerken | brontekst bewerken]

Als één gebeurtenis blijkbaar aardig wat impact heeft gehad dan is dat de hevige aardschok van november 1932. In de hectografen van de algemene overste van 23 november wordt er meer dan eens aandacht aan besteed. Ze haalt de kroniekschrijfster van het moederhuis aan en, overtuigd van Gods hulp in deze, houdt ze de zusters het volgende voor:

“We hebben hier werkelijk eenen nacht van groote zorgen gehad. Alle zusters en alle kinderen waren het grootste gedeelte van de nacht opgebleven en hielden zich in angst en spanning in de beneden vertrekken gereed om, als het nodig was, onmiddellijk het gebouw te kunnen verlaten. Wat is er veel gebeden dien nacht en we zijn God dankbaar dat we gespaard bleven van ongelukken, die we in dien akeligen nacht zoo angstig verwacht hadden. Wat is Gods Almacht, die we voor een oogenblik zoo ongewoon ondervonden, toch groot. Maar denken we er altijd met vertrouwen aan, dat ook zijn beschermende Vaderliefde en goedheid zoo onbegrijpelijk groot is. Ook dezen nacht hebben we weer eenige aardschokken gevoeld, waardoor allen weer op de been waren gebracht”.

Zuster Maria Theresia schrijft enige dagen later:

“We zijn hier ook weer bekomen van de spannende zorgen in den tijd van de aardschokken. 't Was voor ons een groote verlichting dat de kweekelingen van 5-9 december weg waren. Ze konden dan zelf ook weer tot rust en kalmte komen”.

Het betreft hier de aardbeving op de Peelrandbreuk met het epicentrum te Uden dd. 20 november 1932 met een kracht van 5.0 op de schaal van Richter. Het is de op een na sterkste Nederlandse aardbeving van de 20e eeuw geweest. Bekend is dat er toen binnen 10 dagen in totaal 9 bevingen zijn waargenomen.

Weeshuis tijdens en na de granaatweken[bewerken | brontekst bewerken]

Fragment van de voorgevel van het weeshuis.

Het gevolg van de invasie van de Duitsers sinds 10 mei 1940 was, dat veel familieleden de weeskinderen al meteen naar huis haalden, die pas na de capitulatie terugkeerden. Tijdens de oorlogsjaren bleef het in en om het weeshuis redelijk rustig. Die rust werd echter wreed verstoord in de periode van de granaatweken. Op 17 en 18 september waren Geallieerde landingstroepen en parachutisten geland in de omgeving van Schijndel. Omdat het weeshuis aan de Hoofdstraat als grote doorgaande weg lag, werd er 's avonds en 's nachts nogal eens aangebeld. Dat betekende meestal een rechtstreekse aanslag op de schrale voorraden in kelder en provisiekast, want steevast werd om eten en drinken gevraagd. Bekend is dat op een avond de keukenkachel helemaal opnieuw opgestookt moest worden, want men kreeg van een commandant de orders te zorgen voor een emmer pap met de nodige boterhammen, vooral voor gewonde soldaten.
Op 21 september organiseerden de Amerikanen een inval in het dorp. Het werd een akelige nacht van veel rumoer en geweld en zelfs in het voortuintje van het weeshuis is toen gevochten, getuige een ter plekke achtergebleven helm en handgranaat. Na die rumoerige nacht heeft iedereen die nog in huis was voortaan beneden geslapen. In de tuin hadden de Duitsers loopgraven aangelegd waar ze met z'n vieren in konden liggen. Dat was wel erg benauwend. Op een morgen keek moeder Frederica aan de straatkant naar buiten om de situatie eens op te nemen. De zoon van overbuurman van Roessel had dat opgemerkt en ging eens informeren, waarom ze zo bezorgd keek. Het werd al snel duidelijk dat ze zich grote zorgen maakte, omdat het keldertje van het weeshuis wel heel erg klein was voor de zusters en de nog aanwezige weeskinderen.
Van Roessel junior zei: “Zuster…. pak alles bij elkaar wat u denkt nodig te hebben, dan gaan we naar de schuilkelder van Geerkens”. Dat gulle aanbod nam zuster Frederica onmiddellijk aan en onder leiding van de hulpvaardige overbuurman is toen op 23 september het hele weeshuis overgebracht naar de overkant. Een priester nl. de broer van buurman Vugts is meegegaan en kwam dagelijks een mis lezen. Op 'n keer heeft hij zelfs de mis bij het Sanctus moeten onderbreken vanwege het oorlogsgeweld. Na enige tijd ging moeder overste eens poolshoogte nemen en merkte al spoedig dat ook het weeshuis de nodige vernielingen had moeten ondergaan. De gordijnen wapperden uit de gehavende ramen en er was een groot stuk uit de voordeur geslagen.
Omdat het veel te gevaarlijk was om terug te keren zijn de zusters van het weeshuis met de weeskinderen vijf weken lang in de kelder van Geerkens gebleven, te midden van vele anderen. Tot de dag waarop Schijndel kon jubelen van blijdschap, de dag van de bevrijding 23 oktober 1944.

Weeshuis na de oorlogsperiode[bewerken | brontekst bewerken]

Na de granaatweken komt er geen einde aan alle tegenspoed. Overste zuster Frederica wordt ernstig ziek en moet overgebracht worden naar het ziekenhuis van de zusters te Geldrop.
Kort daarop komt het bericht, dat het weeshuis ontruimd dient te worden omdat het voor de komende jaren ingericht zal worden als pastorie. De pastorie aan de Vicaris van Alphenstraat was deels onbewoonbaar en het nog bewoonbare deel werd opgeëist door de Engelsen en Canadezen. Op 14 november 1944 nemen de pastoor-deken en twee kapelaans met hun huishoudelijk personeel hun intrek in het deftige herenhuis. De 25 weeskinderen verhuizen naar het koloniehuis van de congregatie te Eersel. Vrij kort daarop komt daar de tijding binnen dat men in dit huis graag het sanatorium „Kalorama‟ wil vestigen en dan is er voor de weesjes geen plaats meer.
Binnen de congregatie wordt naarstig naar een oplossing gezocht en uiteindelijk is gekozen voor het Antoniusklooster in Den Dungen dat wordt aangewezen voor opvang van de weeskinderen, waar ze vanuit Eersel met een autobus arriveren. Aangezien aan dit klooster een internaat voor schipperskinderen verbonden was geweest, dat indertijd door bemoeienis van pastoor Goulny tot opheffing was gedoemd, was er voldoende ruimte. De inmiddels herstelde zuster Frederica en alle weeskinderen worden er hartelijk verwelkomd.
Het weeshuis zelf blijft door de parochiegeestelijkheid bewoond tot 7 mei 1947. Na hun vertrek worden eerst diverse verbeteringen aan het huis aangebracht en op 24 juli kunnen de zusters met de weeskinderen weer terug naar hun oude vertrouwde omgeving. Men heeft intussen centrale verwarming gekregen aangelegd door de firma Wolter en Dros, de grote slaapzaal aan de zuidzijde is voorzien van dakkapellen en de eetzaal van de kinderen is verder uitgebreid doordat de muur aan de zijgang is uitgebroken en een deel daarvan bij de refter is getrokken.
In 1954 wordt de voortuin onteigend vanwege de noodzakelijke verbreding van de Hoofdstraat. Gevolg is dat het beeld van Petrus Donders moet worden verplaatst naar de achtertuin.
Begin 1955 wordt op luisterrijke wijze het zilveren feest gevierd van het weeshuis. Op 14 januari voor de zusters en de buurt, op 16 januari voor de parochie en de weeskinderen zelf. De pastoor van de parochie had achter in de kerk een offerblok laten plaatsen voor een geldelijke bijdrage voor dit feest. Van de opbrengst is toen een prachtig missaal voor in de kapel gekocht. Pastoor en buurt boden bovendien nog twee zilveren ampullen aan. Het is een komen en gaan geweest van vrienden, bekenden en sympathisanten van het weeshuis die hun felicitaties kwamen aanbieden aan de zusters.
Op 9 april 1955 komt 's middags de rector van het moederhuis, de eerwaarde heer Jos van de Schoor, de nieuwe kleding van de zusters zegenen. Alle zusters hebben zich op dat moment verzameld in de kleine weeshuiskapel met hun scapulier en sluier voor zich. Na de toespraak van de rector is iedereen naar boven gegaan om zich even later te presenteren in het nieuwe kloosterhabijt. Paaszaterdag 1955 is immers voor de hele congregatie de dag geweest waarop de vernieuwde kleding is ingevoerd. Pas vele jaren later neemt men het besluit om over te gaan op burgerkleding.

Gevoelens en gedachten van een weeskind.[bewerken | brontekst bewerken]

De opvoeding in het weeshuis was streng en gebonden aan strakke regels zoals goede tafelmanieren, met twee woorden spreken, iemand aankijken als je met hem of haar spreekt, voor het eten naar het toilet, netjes je handen boven tafel onder het eten enz. Ze had een soort „lievelingszuster‟ die haar hulp en toeverlaat was. Die zag ook wanneer het de kleine Francine niet zo goed ging en bracht dan troost en bemoediging.
Ook kan ze zich de gezellige keukenzuster nog levendig herinneren.
Uit een grote kast op de overloop kwam tegen de winter een grote doos te voorschijn met wollen setjes nl. mutsen, sjaals en handschoenen. Ze hoopte altijd een kleurig setje van de zuster te krijgen, want mooi er bij lopen vond ze wel iets hebben. Ze sliep op zolder en werd 's avonds lekker ondergestopt, keurig netjes met de handen boven de dekens!
Vanaf 's middags vier uur mocht ze eigenlijk niet meer drinken omdat ze 's nachts nogal last had van een nat onderbroekje. Dat wilden de zusters natuurlijk in goede banen leiden. Maar Francine….. dorst is immers erg, dronk dan 's nachts wel eens stiekem uit de wasbak bij haar bed die al voor de volgende ochtend gevuld met water klaar stond. Een van de zusters betrapte haar 'n keer toen ze uit bed was gegaan en er volgde een minder prettig toespraakje van de zuster.
Soms dreigde een van de zusters met de „rattenzolder‟ als het de spuigaten uitliep onder de weesjes. Francine zegt nu dat ze daar lange tijd een soort fobie van heeft overgehouden en een zekere angst voor dieren. In haar latere leven heeft ze die echter wel ruimschoots overwonnen.
Soms is ze wel eens beschuldigd van iets wat ze per definitie niet gedaan had. Zo verhaalt ze dat er op een vrijdagmiddag een H. Hartbeeld van een console was gevallen met het gevolg dat er een handje afbrak. Francine was als verdachte aangemerkt en werd streng ondervraagd. Tot op de dag van vandaag heeft ze daarom rechtvaardigheid hoog in haar levensvaandel staan, want die beschuldiging vond ze bijzonder onrechtvaardig.
Soms trokken de weesmeisjes zingend door de Hoofdstraat.
Leuke herinneringen zijn de bezoeken aan Jansen de Wit rond de kerst en de zondagen dat ik als enig echt weesje mee mocht naar drukkerij van de Wiel. Enigszins jaloers is ze geweest op de drie zusjes Fleskens, wier moeder in 1941 was overleden. Zij sliepen met z'n drietjes op een kamer. Als hun vader op bezoek kwam kregen alle kinderen iets lekkers van hem. Die zusjes hadden wel iets deftigs.
Veel indruk moet ook de bloeiende magnoliaboom gemaakt hebben in de achtertuin.
Van de oorlogsjaren herinnert ze zich duidelijk het verblijf in de schuilkelder bij slagerij Geerkens vooral de herinnering aan haar eerste pop. Blijkbaar was het in die bewuste kelder niet al te warm en als klein meisje vond ze dat vooral haar pop het veel te koud had en dat kon in haar ogen niet. Ze liep naar een brandende kaars…. hield de pop erboven om die wat te verwarmen en…. u raadt het al…. de pop vloog in brand en kleine Francine barstte in tranen uit.
Vanuit Den Dungen is ze uiteindelijk op 5 januari 1945 opgehaald met een tandem door haar neef Thomas en een studievriend van hem. Die hebben haar naar haar grootmoeder gebracht waar ook haar twee andere zusjes verbleven. Na enige maanden volgde opvang in een pleeggezin.
Dit zijn maar enkele „levendige herinneringen‟ van Francine Teunissen.

Een regenton met rondzwemmende kevertjes[bewerken | brontekst bewerken]

Een ander weeskind dat ook met twee zusjes in het weeshuis verbleef, schrijft anno 2008 in wat negatievere bewoordingen hoe er af en toe toch wel verschil werd gemaakt, maar roemt ook over de „lieve zusters‟ die er waren en slechts eentje waar de kinderen niet zo bar veel mee op hadden!
Enige sfeerbeelden van haar hand … als we geen drinken kregen was er altijd nog een regenton om stiekem onze dorst te lessen, ook al kropen er af en toe wel wat kevers en torren in rond, terwijl andere kinderen chocolademelk kregen.
Eens per week was het badtijd en je had heel veel geluk als je als eerste aan de beurt kwam, want dan had je in ieder geval schoon en ook warm water.
Wie een bepaald eten niet lekker vond en er zowat van moest „braken‟ liep het risico dat je het geforceerd moest opeten, graag of niet. Iets wat in huishoudens buiten het weeshuis ook vaak schering en inslag was.
Haar zusje zat in de kapel erg dicht tegen de kachel en viel nogal eens flauw. Die had eens het lef gehad haar beklag te doen bij de overste, waarop de zuster-surveillante „op het matje‟ werd geroepen.

De verjaardag van zuster Fidelia[bewerken | brontekst bewerken]

Als in 1932 de vader van Benny Vervuurt - van den Oetelaar overlijdt blijft moeder achter met acht kinderen, vier jongens en vier meisjes. Haar oudste zus Betsy was 14 jaar en vertelde later hoe Benny in het weeshuis terecht was gekomen. Haar zusjes Corry en Anny zaten er al. Op een zondag is Benny, toen vier jaar oud, met haar moeder op bezoek geweest en heeft daar volop gespeeld met de andere kinderen. Een van de zusters heeft toen aan haar gevraagd of ze niet in het weeshuis bij haar zusjes wilde blijven. Zo gezegd zo gedaan. Toen Benny 9 jaar oud was stierf ook haar moeder op 49-jarige leeftijd, een moeder die vaak ziek was en dikwijls met een natte theedoek om haar hoofd rondliep, als remedie tegen de zware hoofdpijnen. Vrij kort na het overlijden van moeder in 1936 is haar zusje Corry bij een oom en tante gaan wonen en bleven ze met z'n tweeën onder de hoede van de zusters achter.
Als het over het leven in het weeshuis gaat schrijft Benny ………….we hadden het heel goed en wisten niet beter. Ze herinnert zich heel goed hoe op 22 november, de dag van het bekende Ceciliafeest, zuster Fidelia jarig was. De kinderen hebben toen voor hun jarige zuster allerlei voordrachtjes mogen doen. Daags daarna doet Benny een vreselijke ontdekking…. haar zusje Anny verschijnt ineens niet meer aan tafel bij het avondeten. Vertwijfeld is ze toen naar een van de zusters gelopen en kreeg te horen dat Anny in Loon op Zand „nieuwe ouders‟ had gekregen.
Haar zus Anny…… och arm…. ze had eens, zittend in de kapel, een pijnlijke, zwerende en flink opgezwollen vinger. Ze liet dat in de kapelbank snel even aan haar jongere zusje zien, maar een van de zusters zag dat. Benny werd meteen uit de bank gehaald en op haar knieën op een kokosmat gezet. Even later viel Anny flauw, vermoedelijk van de pijn aan die vinger en volgens het verhaal van Benny zou Anny een beetje miswijn toegediend gekregen hebben, in de hoop dat ze snel zou bijkomen of de pijn minder gevoeld zou worden.
Benny is met haar oudste zus Betsy nog 'n keer naar Loon op Zand geweest op het moment dat Anny haar Plechtige Communie deed.
Het Sinterklaasfeest was een echte feestdag voor de kinderen.
Benny verhaalt …..toen de kinderen in de kapel het rozenhoedje hadden gebeden, op tijd naar bed waren gestuurd, hoorden ze aan het gerammel van de rozenkransen, dat de zusters door de gangen op en neer liepen en werd de eetzaal in Sinterklaasstijl versierd.
Ze herinnert zich ook nog heel goed hoe de moeder-overste van het moederhuis op visite kwam. Benny mocht haar na afloop terugbrengen naar het grote klooster, via de tuin van het weeshuis en de jongensschool in de Pompstraat en zo verder. Eenmaal terug in het weeshuis kreeg ze echter wel een standje van de zuster, omdat ze nl. rechts van de eerwaarde overste had gelopen…..en dat paste niet! Ze vond dat verschrikkelijk erg, te meer omdat nooit iemand had gezegd dat het zo moest.
Ook hebben ze ‟n keer een grapje uitgehaald met tuinman Frans. Die had de gewoonte op de speelplaats onder de boom een dutje te doen. Op een middag was hij echt in slaap gevallen en hadden alle kinderen hun stoeltjes om hem heen gezet. Eenmaal wakker scheen hij dat niet zo leuk gevonden te hebben. De kinderen, die natuurlijk het nodige plezier hadden om die grap, hadden zich snel verstopt in de spreekkamer.

Andere bestemmingen van het weeshuis.[bewerken | brontekst bewerken]

In 1954 heeft de gemeente de voortuin onteigend vanwege de verbreding van de Hoofdstraat. Het bekende beeld van Peerke Donders is toen verplaatst naar de achtertuin. In 1955 is nog het zilveren feest gevierd (1930-1955). Vanaf september 1956 tot aan het studiejaar 1962-1963 krijgt het huis een geheel andere bestemming nl. studiehuis voor de hoofdakte-studenten van de zgn. derde leerkring van de toenmalige Mariakweekschool.
Vanaf dat moment heeft het voortaan „huize Petrus Donders‟. Jaarlijks wisselt het aantal studenten, want de hoofdakteopleiding duurde slechts één jaar. Alle meisjes zijn er intern en dus wonen er ook de nodige zusters. Op 24 augustus 1956 is Zr. Huberta Marie den Brok vanuit het moederhuis in het nieuwe studiehuis komen koken, totdat ze op 20 februari 1957 onderweg naar huis ziek werd en niet meer in staat bleek dag in dag uit naar het studentenhuis te gaan.
Zr. Elisia van der Heijden is haar toen opgevolgd (1957-1962), die overigens lange tijd voor halve dagen is geassisteerd door Zr. Gerardia Renders. Alle studenten die destijds in dat studiehuis vertoefd hebben zullen zich deze namen vast en zeker herinneren!
De terugloop van het aantal hoofdaktestudenten is er oorzaak van geweest, dat het „oude weeshuis‟ als studentenhuis is opgeheven. De 6 studenten die zich per 1 september 1962 hadden aangeboden heeft men toen naar elders verwezen. Tot in 1969 bieden de zusters in het gebouw tijdelijk onderdak aan bv. de familie van der Pol van Boxtel omdat hun eigen huis nog in aanbouw was en aan de kinderen van de 1e klas van de lagere meisjesschool o.l.v. Zr. Henrita van Maasakkers, die van augustus '62 tot augustus '63 hun intrek mochten nemen in het grote vertrek aan de tuinzijde. De kapel, rechts van de voordeur, heeft men gesloten en is later overgebracht naar het vertrek waar de schoolkinderen hadden gezeten.
In de periode 1964-1968 zijn de twee grote kamers, links en rechts van de voordeur, gebruikt om jongerencursussen te geven door het Schijndelse vormingscentrum, dat in 1969 is verhuisd naar de Putsteeg.
Op 8 mei 1969 wordt het huis toch weer in gebruik genomen door vier zusters en hun aantal groeit weer. Er is in die tijd wel wat verbouwd aan het huis. Tot aan 1977 is het een komen en gaan van zusters, waaronder de twee algemene oversten nl. zuster Florentina van Calsteren en zuster Veronique van Woerkum. In 1971 houdt het generaal bestuur er haar wekelijkse bestuursvergaderingen.
Dankzij de gastvrijheid van de congregatie kunnen diverse families van leraren aan de Mavo-Havo-school of huishoudschool aan de Pastoor van Erpstraat er een tijdelijk onderdak krijgen o.a. de families Te Dorsthorst uit Lobith, Juffrouw van der Maazen, Pater Schokker assumptionist die docent was aan de PA, de heer Pierre Vliexs uit Geleen leraar Duits aan het Scinlecollege, de familie Creemers met de kinderen Charles en Camille en leraar Frans de heer F. Scheelings.
In 1977 volgt een ingrijpende verbouwing. De daken van het huis en het schuurtje worden vernieuwd en men bouwt een carport. De oude schuurtjes, een 19e-eeuws restant van de bakkerij van Van den Berg worden definitief gesloopt, als ook de waranda en toiletten. De gevelsteen met de inscriptie I.D.V.D.B. dd. 18.10.63 is gespaard gebleven en ingemetseld in de bloembak bij de woonkamer achter het huis. Het jaar daarop worden de slaapkamers vergroot en wordt boven de keuken een zit-slaapkamer gebouwd met uitzicht op de achtertuin.
De huidige tegel van Petrus Donders, in het portiek van de voordeur, dateert van 27 oktober 1979. Hij is vervaardigd door een zekere Antoon Hanenberg. Hijzelf heeft die datum gekozen, ons herinnerend aan de geboortedag van Petrus Donders te Tilburg op 27 oktober 1809.
Het oude weeshuis blijft als „dochterstichting‟ in gebruik door een wisselende groep zusters, waarvan er verschillenden hun zilveren of gouden kloosterfeest hebben gevierd. Door zuster Norbertini is in het weeshuis met enige regelmaat gewerkt aan het congregatie-archief.

Een nieuwe fase[bewerken | brontekst bewerken]

In 1994 is de communiteit zo klein geworden dat slechts drie zusters dat grote huis, dat tevens erg duur in onderhoud was, bewonen. De gemeente besluit het huis op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Schijndel wil in die tijd, in het kader van een nieuw centrumplan, ook heel graag de tuin aankopen waar dan een weg aangelegd zou kunnen worden. De drie zusters Florentina van Calsteren, Agatha Marie Donkers en Antonie Hanenberg vinden een nieuw onderdak in een woning aan de Sint Servatiusstraat nr. 44, tot dan toe bewoond door de familie Van Zutphen, die het van de congregatie in huur had. Het hoofdbestuur laat er weinig gras over groeien en verkoopt „het weeshuis‟ aan de gemeente Schijndel. De officiële koopakte passeert op 21 oktober 1994.
Het wordt aangekocht door de familie van Schaaijk en die neemt architect A. Kooijmans in de arm om een plan te schrijven voor de noodzakelijke verbouwing. Uiteindelijk zullen werknemers van bouwbedrijf De Wit zorgen voor een metamorfose en worden de zijgevels omgebouwd tot winkelpanden. Leo en Ans van Schaaijk houden, mede vanwege de monumentenstatus van het gebouw, de buitengevel maar vooral het interieur grotendeels intact, zoals bv. de ornamenten in de plafonds, de prachtige eikenhouten trappartij, het tegelplateau en de mooie koperen pomp in de keuken en de lange gangen met hun prachtige zwart-wit gemarmerde vloeren.
In januari 1998 werd begonnen met de aanleg van een nieuw parkeerterrein geschikt voor zo'n 80-100 parkeerplaatsen.
Op de open monumentendag van dat jaar is het monumentale pand nog eens extra in de schijnwerpers gezet en in de rubriek „Monumenten onder de loep‟ begint de journalist met de volgende opmerking: “Het omstreeks 1870 gebouwde eenlaagse woonhuis in Eclectische stijl met symmetrische indeling en gevelopzet is karakteristiek voor de laat-19e eeuwse woonhuizen in de Hoofdstraat; de toevoeging van authentieke elementen als raamluiken maken de voorgevel weer als voorheen”.

Monumenten Inventarisatie Project 1990[2][bewerken | brontekst bewerken]

Woonhuis - Dépendance klooster 1863.

Elementen Neo-Barok
Handvorm baksteen, rechte steekankers. Hardsteen lijsten en plint. Gootlijst op klosjes. T-schuifvensters. Eikenhouten vleugeldeur in portiek met siersmeedwerk. Links in portiek rechthoekig reliëf met portret Petrus Donders in terracotta uit 1979.
Gaafheid, cultuurhistorische waarde.
Jaartal: gedenksteen. Geaccentueerde entree met obelisk- en siervaas decoraties.
Hoek- en deurpilasters.
Het was ook weeshuis van de Zusters van de Congregatie.

Voormalig weeshuis Hoofdstraat 71. Woonhuis, weeshuis gebouwd rond 1900. Elementen Art Nouveau. Later kreeg het de bestemming woonhuis annex winkel.
Voor meer details klik hier.
Eikenhouten vleugeldeur toegangsdeur van het weeshuis, Hoofdstraat 71, met siersmeedwerk. Links in portiek een rechthoekig reliëf met portret van Petrus Donders in terracotta uit 1979 Voor meer details klik hier.






















Beschrijving uit de gemeentelijke monumentenlijst 1993.[3][bewerken | brontekst bewerken]

Typering, situering en bouwgeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Het eenlaags pand met zij-aanbouw onder plat, ligt in de rooilijn van de Hoofdstraat nabij de Markt, en neemt vrijwel de gehele breedte in van een groot L-vormige perceel.
Het pand heeft een rechthoekig grondplan en ligt parallel aan de Hoofdstraat. Het afgetopte zadeldak is gedekt met blauwe verbeterde Hollandse pannen. De met een ijzeren hek afgezette voortuin, waarin een beeld van Petrus Donders stond, moest wijken bij de herinrichting van de Hoofdstraat.
Het woonhuis is omstreeks 1870 gebouwd in eclectische stijl. De gedenksteen met het jaartal 1863 heeft volgens de huidige bewoonsters betrekking op twee inmiddels afgebroken schuurtjes in de tuin, en is later in een tuinmuurtje ingemetseld.
De Congregatie Zusters van Liefde kocht het woonhuis in 1928 en namen het in gebruik als weeshuis, waartoe in 1929 en 1932 in het interieur enkele verbouwingen werden uitgevoerd (aanleg wc's, badkamer en eetzaal). Op het diepe achter terrein is een siertuin aangelegd.
Zes zusters van de congregatie bewonen momenteel het pand.

Beschrijving van het exterieur[bewerken | brontekst bewerken]

De voorgevel van het handvorm bakstenen gebouw heeft een symmetrische indeling.
Het centrale portiek wordt aan weerszijden geflankeerd door twee T-schuiframen met bovenlichten. Hoek- en deurpilasters accentueren deze gevelopzet. Bovendien is de gevel boven de ingang opgetrokken tot een dakkapel.
Twee uitpandige bakstenen treden leiden naar een segmentboogportiek met een hardstenen vloer en een bruine eikenhouten vleugeldeur met smeedijzeren roosters, voorzien van ranken en bloemen. In de linker wand is een rechthoekig reliëf van terracotta met een portret van Petrus Donders aangebracht (1979).
De gestucte sluitsteen met bloem in de segmentboog, keert terug in de bogen boven de vensters. De boogvelden aldaar zijn opgevuld met polychroom tegelmozaïek. De hoge vensters bevinden zich in verdiepte muurvelden, die plaats hebben geboden aan luiken (zie ook Hoofdstraat 56;58). De hardstenen vensterdorpels strekken zich uit van de hoek- tot de deurpilasters.
De tweedelige hardstenen plint zet zich evenals de gestucte kroonlijst voort over de pilasters. In de grijs geschilderde kroonlijst is boven elk venster een even breed vlak in reliëf aangebracht. De uitkragende, geprofileerde, houten gootlijst wordt ondersteund door voluutconsoles met acanthusbladeren en bloemmotieven.
Het naar binnen draaiende dakkapelraam met bovenlicht wordt ontlast door een boog met aanzetstenen en gestucte sluitsteen, waarboven een oculus is aangebracht. Om de dakkapel concentreert zich een (barokke) plastische versiering in de vorm van geprofileerde pilasters waarop siervazen staan en een geprofileerde lijst die bekroond wordt door een uitbundige kuif van ranken met bladeren en een pluimspits.
De iets teruggelegen aanbouw aan de linkerzijde heeft twee zesruits schuifvensters met hardstenen dorpels en getrapte strekken. In de top van de linker zijgevel van het hoofdgebouw bevindt zich één naar binnen draaiend raam met gedeeld bovenlicht, hardstenen dorpel en getrapte strek en een rond raam met cirkelsegmenten op de zolderverdieping.
In de top zijn trapsgewijs rechte muurankers aangebracht. De rechter zijgevel heeft drie vensters op de verdieping.

Beschrijving van het interieur[bewerken | brontekst bewerken]

Achter de voordeur strekt een gang zich uit tot de achtergevel. De vloer van zwart en wit marmer is in een ruitpatroon gelegd. De muren en het plafond zijn lichtgroen geschilderd. Halverwege de gang aan de linkerzijde leidt een trap naar de bovenverdieping. De dwarsgang achter de trap zette zich oorspronkelijk voort in het gedeelte rechts van de hoofdgang (zie de vlakkenverdeling van het pleisterwerk in het plafond van de kamer aan de rechter achterzijde).
Het merendeel van de paneeldeuren in het pand is van eikenhout en omgeven door een geprofileerde omlijsting. Voorts zijn de beige plafonds van de meeste vertrekken voorzien van decoratie in stuc. Het meerkleurige stucwerk in de woonkamer aan de linker-voorzijde en het als kapel ingerichte vertrek aan de rechter voorzijde, is geconcentreerd in het midden en in de hoeken van de plafonds en omvat ondermeer de volgende motieven: bladeren, bloemen, fruit, vazen, palmetten en engelen. De wanden van de huidige kapel hebben een houten lambrisering, die in de linker wand wordt onderbroken door vier bijpassende muurkastdeuren en een zwart marmeren schoorsteenmantel met elementen van groen marmer.
De keuken en bijkeuken bevinden zich links achter in het pand. De schouw in de bijkeuken is aan de binnenzijde bezet met witte tegels waarin zich drie tableaus ter grootte van zes tegels met voorstellingen in violet van een hond, een zeilschip en een vaas met bloemen bevinden. Voorts is boven het granito aanrecht een tegeltableau van een vogel in een kooi aangebracht. Bovendien zijn de koperen waterpomp (buiten werking) en vele originele (keuken)kasten met paneeldeuren bewaard gebleven. De keuken is veel minder authentiek. De schouw in dit vertrek is bezet met verspringende gele tegels waartussen kleine blauwe tegeltjes.
De lage aanbouw aan de linkerzijde van het pand is te bereiken via de dwarsgang. Deze ruimte deed dienst als ontvangstkamer en kon van buiten af rechtstreeks betreden worden door een deur in de zijgevel (inmiddels dichtgezet).

Motivatie tot plaatsing op de monumentenlijst[bewerken | brontekst bewerken]

Het woonhuis is een goed voorbeeld van Eclecticisme met symmetrische indeling en gevelopzet met pilastergeleding en gaaf en goed onderhouden interieur met bijzondere decoratie.
Een dergelijk woonhuis is karakteristiek voor Schijndel.
Als voormalig weeshuis diende het gebouw de sociale zorg in Schijndel.

Overige afbeeldingen.[bewerken | brontekst bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Alles heeft zijn tijd, Henk Beijers, bladzijde 271 tot en met 292
  2. MIP gemeente Schijndel 1990, bladzijde 50
  3. Gemeentelijke monumentenlijst 1993