Welkom op Schijndelwiki - de encyclopedie voor Schijndel

U kunt ons steunen door lid van de Heemkundekring Schijndel te worden.

Klik HIER om lid te worden

Iedere dinsdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in de heemkamer: Cultureel Centrum 't Spectrum, Steeg 9 g, Schijndel.

De straat waarin u woont Houterdsedijk

Uit Schijndelwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De straat waarin u woont Houterdsedijk[1][bewerken | brontekst bewerken]

Houterdsedijk
De Dinthersedijk, was de weg die ons in vorige eeuwen rechtstreeks naar Dinther leidde. Gesteld kan worden dat deze weg wellicht zijn betekenis mede te danken had aan de band die er rond de Middeleeuwen bestond tussen de kerk van Schijndel en die van Dinther. De betekenis van de Houterdsedijk heeft in zekere zin een gelijkenis met die van de Dinthersedijk, zij het dat nu niet de kerk van Dinther maar het kasteel van Heeswijk er aan ten grondslag ligt.

In het midden van de uithoek “Elschodt” ligt de Houterdsedijk, komend vanuit het centrum van Schijndel loopt hij naar het noorden en sluit daar aan op een van de toevoerwegen naar het Heeswijkse kasteel. We spreken dan over de periode voordat de Zuid-Willemsvaart gegraven was. In de oude archieven duikt vele malen de naam Houterd op, en wel in allerlei varianten, zoals Hautart, Hautert, Houtart en Houtert. De vroegste vermelding wordt gevonden in een verhandeling van wijlen A. van Bokhoven: “Historische bijzonderheden omtrent de Nonnenbossche Hoef'. Van Bokhoven haalt daarin een brief aan (copia copiae) d.d. 6 januari 1304 (in Epiphanis Domini 1303) van hertog Jan, waarin hij “al de bouwlieden van Ridder Gherlacus de Buscoducis vrijstelt van alle diensten ten bate van den Hertog, behoudens bijstand in geval van huwelijk of ten krijgsdienst trekken van ’s hertogts kinderen, of van gevangenschap van den hertog enz. ” Zo bezat een zekere Walraven van Benthem rond 1380 in de °Houtart ' drie buunder land.

De geschiedenis van Heeswijk gaat vele jaren verder terug dan die van Schijndel. Gelegen aan de niet onbelangrijke rivier de Aa hadden zich daar vele ridders en andere “gewichtige” personen gevestigd, al of niet in een ‘huis’, ‘geburg(t)’ of ‘slotje’. Zo werd waarschijnlijk door een van de vazallen van de Brabantse Hertog rond de elfde eeuwwisseling het “Huis te Heeswijk ' gebouwd, wat in de jaren en eeuwen daarna uitgroeide tot het Heeswijkse kasteel zoals we dat nu kennen.

In die tijd bestond het noordelijk deel van Schijndel voor het overgrote deel nog uit heide, woeste gronden en natte broekbossen. Toch komen er vanaf die periode steeds meer hoeves ten zuiden van de aangrenzende landerijen van de kasteelheer. Zochten de “hoevenaars” bescherming bij de kasteelheer of was het de kasteelheer zelf die ontginning van de in zijn bezit zijnde woeste gronden op deze wijze wist te bevorderen?

Een vroeg ontgonnen deel in het Schijndelse. Opvallend is de concentratie van hoeves/boerderijen in het noordelijk deel van de Houterdsedijk, als- ook de daar ontgonnen percelen, geheel gelegen tussen de oostelijk aangrenzende broekbosssen en de westelijk gelegen grote heidevlakte. Een groot deel van die heide en woeste gronden waren overigens nog aanwezig tot even na de Tweede Wereldoorlog. Het is ook in deze omgeving waar de hoeves liggen die de Clarissen uit den Bosch door erving in bezit kregen en die onder de naam “Nonnenbossche Hoeven” bekend zijn geworden.

De 'Hautart' lag ook niet ongunstig ten opzichte van de rivier de Aa. Blijkens een aantekening op een oude kaart, zo lezen we bij A.J.L. van Bokhoven, zou deze gemeente in vroegere eeuwen ook een losplaats hebben gehad. De aantekening luidt: “dit is een stukje gemeijnte van Schijndel, van ouden tijden tottenjaere 1603 oopen en onbeheijmt gelegen renen den revier de Aa (tusschen het Gewat en de brug van Middelrode) ende daar eertijds van noode wesende gebruijckt bij leggen van hou, hoeij, hoppe en ander goet…

De weg naar het kasteel
Als eerste bezitter van het kasteel wordt genoemd Almericus (graaf van Megen). Opsomming van al zijn opvolgers is in deze niet relevant, daarover is voldoende literatuur. Voor ons wordt de komst van Cornelis de Glymes belangrijk, ook wel Van Berghen genaamd. In 1499 behoort niet alleen Heeswijk en Dinther tot zijn bezittingen, maar ook Middelrode en Schijndel. Het is zeker geen idee-fixe om aan te nemen dat de heren van het kasteel bij tijd en wijle Schijndel bezochten. Het kasteel had zuidelijk een “uitvalsweg”, die een aansluiting had op de weg door de Hautart naar Schijndel. Nu nog is de “vroegere doorloop” van die °uitvalsweg' via het bruggetje over de Aa en de pilasters op de grens van de eigen (kasteel)weg naar de hedendaagse Houterdsedijk duidelijk waar te nemen, ondanks de afsnijding door de Zuid-Willemsvaart.

Vroeger leidde de Houterdsedijk naar het Heeswijkse kasteel.[2] Vanuit Schijndel kon men naar het kasteel “Weeghen” vanuit de Cluse, via de Laristraat en de Hoetacker op Heuvelstraat den Heuvel en de Houtart. Een alternatief was vanuit de Cluse via de holenwech (hoolen wegh, tegenwoordig de Toon Bolsiusstraat) en het d’Elschodt. Een derde mogelijkheid was vanuit de Regtestraat en de Voirt, alwaar anno 1607 nog een brouwhuis stond waarvan Arndt zoon van wijlen Jan Arntss. van Helmunt een erfcijns van 24 Karolus gulden verkoopt aan Jan Will. Bloemarts, ten behoeve van Antonis Mathijssen van Beeck. Via 'Delschot' en de “Houtert' en de vonder die rond 1625 op last van de baenderheere Grobbendonq, gouverneur van de stad en meierij van ‘s-Hertogenbosch, door de regeerders van Schijndel en Heeswijk over de rivier de Aa moest worden aangelegd, kon men het kasteel van Heeswijk weer bereiken.

Het graven van de Zuid-Willemsvaart in 1826 had voor Schijndel, en natuurlijk ook voor veel aanliggende plaatsen, nogal wat gevolgen. Percelen, toebehorend aan het Kasteel, werden afgesneden, maar ook directe relaties van Schijndel met haar gronden gelegen aan de rivier de Aa werden gestremd. De Aa vormde in het noorden immers de grens van Schijndel. De afgescheiden delen als Laverdonk en Haverdonk raakten nu ten opzichte van Schijndel helemaal geïsoleerd. Van de andere kant beloofde de aanleg van “De kanaal” economische vooruitgang voor Schijndel. Rond het midden van de l9° eeuw neemt de scheepvaart op de Zuid Willemsvaart sterk toe. Ook in Schijndel was er dagelijks gelegenheid om per stoomboot, beurtschepen en pakschuiten goederen en personen te vervoeren.

In 1859 wordt er in de gemeenteraad gemeld: “Onoverzienbare massa’s kribhout zijn van hier naar de rivier de Maas en elders verzonden”. Toen werd bedacht om zelf een haven aan te leggen. In 1872, tijdens raadsvergaderingen in april, wordt er stevig gediscussieerd over verkoop van 38 hectare broekgronden aan F. Waardenburg en H. Jurgens. Hierbij werd schijnbaar niet vermeld dat de gelden bedoeld waren om er een haven van aan te leggen. Tijdens de vergadering op 12 Julij 1872 vindt er een voorlezing plaats: “..van een missive van Zijne Exc. Den Heer Commissaris des Konings betrekkelijk een voorstel tot het maken eener have vanaf de Zuidwillemsvaart naar de kom dezer gemeente en eener beschrijving der uitkomsten van de door de Heeren Th. Dobbe en A.S. van der Korput gedane waterpassing en globale begrootíng der kosten toegelicht door twee uitvoerige tekeningen ”. Waarom de haven er niet is gekomen is niet duidelijk geworden.

Ondertussen was wel gebleken dat de Schijndelse gronden rijkelijk voorzien waren van een zeer bruikbare leemlaag. Er zijn diverse gegadigden die leem willen afgraven voor fabricage van stenen. In de archieven worden genoemd: Jhr. Wesselman uit Helmond, Jan Willem van der Elst uit Zaltbommel en Weijers uit Udenhout. Zij vingen allen bot.

In 1898 werd “Steenfabriek De Molenheide” opgericht. Deze heeft enorm veel leem afgegraven ten behoeve van de steenfabrikage. Zij leverde maar liefst elf miljoen stenen aan de Nederlandse Spoorwegen, die daarmee het hoofdgebouw aan de Catharijnesingel in Utrecht hebben gebouwd. De overgebleven, nu laag liggende gronden, werden later bebost en kennen we nu als broekbossen in de Liekendonk en Martemanshurk.

In 1903 kreeg een zekere Curling uit Den Bosch gelegenheid tot het oprichten van een steenoven, die ook gelegen was “intElschodt”, aan de Steekt. Deze oven kreeg de naam de Perkenoven. Overigens maakt Obdam al melding van een steenoven die vóór 1512 gestaan zou hebben bij het perceel “den Nulant” int Elschodt. Deze oven kwam door erving toe aan Gijsbert van den Bogart.

De beide wereldoorlogen Tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen de Gele Rijders in Schijndel gelegerd waren, werd er door hen veelvuldig gebruik gemaakt van de Houterdsedijk. Ten eerste omdat erin de directe nabijheid nogal wat Gele Rijders gelegerd waren, o.a. in de Hopstraat, Lariestraat en den Heuvel, maar bovendien werd er door het korps op de daar liggende heide nogal eens geoefend. Ook de Tweede Wereldoorlog ging aan de Houterdsedijk niet zomaar voorbij. In juli 1944 lag er op de boerderij van de familie Van de Pol, Houterdsedijk 20, een deel van de KP-ploeg die de overval op het distributiekantoor in het St. Servatiusgebouw had gepleegd. De KP-ers hadden eerder een Duitse wagen overvallen. Met die wagen, en gehuld in Duitse uniformen reden zij naar het Damianenklooster, dat door de Duitsers gevorderd was, om daar heel brutaal munitie te gaan halen. De wagen werd vervolgens in De Liekendonk verstopt. Op 24 juli daaropvolgend vond de overval op het distributielokaal plaats. Tijdens de luchtlandingen in september 1944 crashte er een geallieerd vliegtuig. De vier inzittenden verstopten zich in de sloten van de weilanden rondom De Houterd en De Heikampen. De familie Broeren wist deze mannen onder te brengen, zodat zij voor gevangenneming werden behoed.

De Houterdsedijk heeft een rijke historie achter zich. Het is daarom enigszins jammer dat zij vanwege de aanleg van de Structuurweg als een geamputeerde arm van de kern van Schijndel is afgesloten. De Houterdsedijk was in het verleden een van de belangrijkste straten van het “Sterwegenstelsel' van Schijndel.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Heemkundeblad negende jaargang (1999) nummer 2 bladzijden 20 tot en met 27
  2. Heemkundeblad negende jaargang (1999) nummer 3 bladzijden 2 tot en met 9