Welkom op Schijndelwiki - de encyclopedie voor Schijndel

U kunt ons steunen door lid van de Heemkundekring Schijndel te worden.

Klik HIER om lid te worden

Iedere dinsdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in de heemkamer: Cultureel Centrum 't Spectrum, Steeg 9 g, Schijndel.

City Theater

Uit Schijndelwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
City Theater
City Theater 01.jpg
City Theater
Gebruik bioscoop-café-woonhuis
Gereed Toneelzaal gereed ca. 1933.

1e City Theater gereed ca. 1938.
2e City Theater gereed 1947.

Opening 2e City Theater 10 juli 1947.
Bouwkosten 1e City Theater fl.12.500,--

2e City Theater fl. 94.940,--

Dakhoogte 14.00 meter.
Bouwpartners
Architect Ch.J. van Liempd
Eigenaar Nard Steenbakkers
Voorgevel City Theater

City Theater Hoofdstraat 147[bewerken]

Het City Theater, de eerste 45 jaren, een beknopt overzicht[bewerken]

Doordat de kleedkamers voor voetbalclub ‘RKSV Schijndel’ in 1933 nogal groot uitgevallen waren en de toneelvereniging ruimte zocht, kreeg Nard Steenbakkers het idee om de was- en kleedkamers en trainingslokalen om te toveren in een zaal voor 200 mensen met een podium. De eerste toneeluitvoering werd zo’n succes dat er een reprise volgde. En eind 1933 volgden de eerste films op deze locatie. De basis van het City Theater was gelegd.
In 1937 kwamen de plannen om een echt theater te bouwen: het City theater. Architect C.J. Chris van Liempd uit Schijndel ontwierp een bioscoop met café en woonhuis. De aanneemsom bedroeg 12.500,00 gulden. Het theater had een zaal, met balkon en een aparte brandvrije cabine en telde 400 zitplaatsen. Samen met zijn vrouw Wilhelmina Steenbakkers-Hermes runde Nard de bioscoop.
Alles ging voorspoedig en op 1 februari 1937 werd in het Officieel Orgaan van den Nederlandschen Bioscoop-bond het besluit gepubliceerd om vergunning te verlenen aan de heer L. Steenbakkers voor de vestiging van een permanente bioscoop op adres Grootestraat A146 (nu Hoofdstraat genaamd). Een grote domper toen dat besluit al een week later ingetrokken werd.

Er was in die jaren een grote toename van het aantal bioscoopzalen. In de visie van de bioscoopbond in die jaren: ‘De outsiders maken gebruik van de crisisomstandigheden om op goedkope wijze nieuwe zaken te stichten, waarin echter niet de minste behoefte bestaat.’ Vandaar extra eisen aan de nieuwkomers. Hiervan werd Nard Steenbakkers de dupe. De oplossing werd echter al snel gevonden. De officiële vergunning kwam op naam van W.A. van Dun uit Tilburg, eigenaar van het City Theater en Cinema Royal in Tilburg.
De zaken gingen voor de wind. Bioscoopvoorstellingen werden afgewisseld met toneelvoorstellingen en bonte avonden, die volle zalen trokken. De foto hiernaast is van een vol City Theater in april 1940 tijdens een bonte avond van de Spar. Spaarders bij de Spar werden verrast met een gezellige avond en een verrassing tijdens de pauze, een loterij en een versnapering.

Net als vele andere panden aan de Hoofdstraat werd ook dit gebouw echter niet gespaard tijdens de granaatweken. Het pand ging compleet verloren. Er werd opnieuw begonnen. Aanvankelijk in de kelders onder de slagerij van Geerkens aan de Hoofdstraat. Eind 1944 draaiden daar alweer de eerste films. Om de veiligheid te garanderen moesten er wel de nodige aanpassingen komen, zoals het verwijderen van papieren versieringen. Al snel werden de plannen om het City Theater te herbouwen concreter.
Uit een brief van Nard Steenbakkers aan de Nederlandsche Bioscoopbond te Amsterdam waarin om medewerking wordt gevraagd:
‘Zoals U wel begrijpen zult moest Schijndel hieronder (de gevechten tijdens de granaatweken) veel lijden en jammer genoeg ziet het er hier zeer slecht uit. Slechts enkele huizen bleven gespaard, doch het merendeel werd zwaar gehavend, terwijl een zeer groot aantal huizen met de grond werd gelijk gemaakt, terwijl later nog vele gebouwen gesloopt moesten worden. Hiervan ben ik zeer tot mijn spijt ook de dupe geworden. Van mijn woonhuis-bioscoopzaal en café staat niets meer overeind. Alleen de fondamenten geven aan, waar ik eens mijn kostwinning had. Nu zit ik met mijn 9 kinderen achter in een klein schuurtje te wonen. Zeer langen tijd heb ik geen kostwinning gehad, doch gelukkig heeft mij eenigen tijd geleden de overheid in staat gesteld de beschikking te hebben over een noodzaal. Hiermede ben ik tenminste weer een gedeelte geholpen en behoef niet om steun bij de Gemeente te bedelen. Ik heb de beschikking over een noodzaal en heb een machine in koop, dus indien ik de noodige medewerking krijg, zou ik in staat zijn het Schijndelsche publiek weer eens de hoog noodige ontspanning te brengen.’
Ook het Schijndels gemeentebestuur steunde de komst van een nieuw theater.
Uit een verklaring om de aanvraag van Steenbakkers te steunen: ‘Het cultureele leven in deze gemeente ondervindt groote schade wegens gebrek aan een behoorlijke ruimte voor het houden en engageren van kunstavonden e.d.’
Gezien het grote aantal toneelverenigingen dat Schijndel op dat moment had (8 stuks) was er ook een grote behoefte aan toneelruimte. Ook werd in de verklaring gewag gemaakt van de komst van een opleidingskamp voor 5.000 dienstplichtigen op het Vliegveld Schijndel, waardoor de vraag naar een ruimte voor ‘ontspanning en verstrooing’ zeer dringend werd.
Er werd een nieuw gebouw getekend, wederom door architect van Liempd en er werd een complete financiële onderbouwing uitgewerkt (de kostprijs van het gebouw was inmiddels opgelopen tot fl 107.750,00). Uiteindelijk kwam de goedkeuring. Niet na nog de nodige tegenwerkingen. Zo vond Gedeputeerde Staten de tijd blijkbaar nog niet rijp voor een bioscoop. Verontwaardiging in Schijndel, verwoord in ‘Schijndelse perikelen’ uit juni 1947. ‘Zegt u nu zelfs eens? Het woord zegt, dat zij gedeputeerd zijn, dus gezonden, afgevaardigd namens het volk, maar over dat volk en hun gerechtvaardigde verlangens naar film en journaal weten zij niet anders te zeggen, dan dat zij er nog niet rijp voor zijn’.

De nieuwe start was ook een impuls om aan de constructie met W.A. van Dun af te komen. De bemoeienis van de Bioscoop-bond was minder in die naoorlogse jaren en zo kreeg Nard op 24 juli 1946 een eigen inschrijving in het bioscoopregister. Op 10 juli 1947 opende het City Theater zijn deuren. Mrs Miniver, de met 6 Oscars onderscheiden film over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog voor een Engels gezin, was de eerste film.
Kermisfeesten, sinterklaasvieringen, toneelvoorstellingen en natuurlijk heel veel films volgden. Tijdens de kermis van 1954 een spectaculaire vernieuwing, een film in 3d ‘De man met de wassen beelden.

De films werden nauwlettend in het oog gehouden door de Plaatselijke commissie van toezicht op de bioscoop onder voorzitterschap van G. Bolsius. Lid van deze commissie waren H. Aldenhoff, A. de Hommel, J. Hovenier en N. Verhagen. Tot de voornaamste taken van de commissie behoorden ‘het houden van toezicht op de aanwezigheid van de keuringskaarten en speciaal die van de Katholieke Film Centrale en het uitoefenen van toezicht op de leeftijden waarvoor de films toegankelijk zijn’.
Detaillijsten van alle gedraaide films werden door de exploitant bijgehouden en door de commissie beoordeeld.
De Katholieke Film Centrale (KFC) werd in 1929 opgericht met als doel: overeenkomstig de katholieke beginselen de zedelijke en maatschappelijke gevaren verbonden aan bioscoopvoorstellingen te voorkomen of te bestrijden. De KFC beoordeelde de classificatie van de landelijke keuring en splitste de volwassenfilms in drie extra categorieën, C3 film waren bijvoorbeeld alleen geschikt voor volwassenen met veel levenservaring, de zogenaamde ‘rijp-ontwikkelden’.
Volgens het huishoudelijk regelement van de Plaatselijke commissie moesten er twee kaarten aanwezig zijn van elke film, een ‘Rijkskeuringskaart’ en een zogenaamde ‘witte kaart’ indien de film goedgekeurd was door de KFC. De plaatselijke commissie vergaderde regelmatig en uit de notulen blijkt het scala aan onderwerpen waarmee ze zich bezighielden.
Zo was er op 29 maart 1950 commentaar door de heer Aldenhoff op het niveau van de filmrecensies in het plaatselijk blad. Hij mist daarin ‘de juiste kern om het goede in de film te ontdekken’. In juni 1950 werd er door de commissieleden geklaagd ‘over de achteruitgang in het gehalte van films’. Uit de notulen: ‘De bioscoopexploitant, de heer L. Steenbakkers, komt intussen ter vergadering. Breedvoerig zet de heer Steenbakkers uiteen dat ook hij gaarne beter films zou brengen. Hij moet echter rekening houden met de smaak van de massa van het bezoekend publiek. Een z.g. ‘Jungle-film’ brengt hem veel meer op dan een werkelijk hoogstaande film. Hij tracht bij voortduring het culturele peil te verhogen. De huur van een werkelijk hoogstaande film gaat echter steeds gepaard met de afname van nog minstens een tiental andere films.’ Dit wordt door de commissie verder besproken en in 1951 wil men toch proberen op een rustige dag, de donderdag wordt het meest geschikt geacht, over te gaan ‘tot het vertonen van een goede film.’ Er worden lijsten opgesteld van ‘voor Schijndel geschikte films’ en films die minder gewenst zijn in Schijndel.
Tot deze laatste categorie behoorden bijvoorbeeld ‘Samson en Delilah’ en ‘Morgen is het te laat’. Als geschikt voor Schijndel werd gezien: Schipper naast God, Liefde kent geen muren, en God heeft de mensen nodig.

Een regelmatig terugkerend punt op de agenda van de commissie is de leeftijdshandhaving. Met name het voorkomen dat er reclame voor films voor boven de 18 wordt gemaakt tijdens andere filmvoorstellingen wordt als probleem gezien. Maar ook dat er toegang wordt verleend aan te jonge personen. De bioscoophouder krijgt zowel vanuit de commissie als vanuit de gemeente hier regelmatig klachten over. Zo ziet op 14 september 1948 Ant. Van Liempd, onbezoldigd gemeente-veldwachter, dat Adrianus van der Heijden, uit de Elschotseweg, oud 15 jaar, de bioscoop na afloop van de film ‘Noordster’ uitkomt. Eerder op de avond werd hij door Van Liempd weggestuurd omdat hij te jong was. Aangezien Steenbakkers dat gezien had wordt hij ernstig vermaand. In 1953 volgt een officiële waarschuwing toen meerdere personen onder de 14 toegang tot de film ‘Guerilla op de Philippijnen’ gekregen hadden. Het bleef een moeilijk punt, nog regelmatig werd erover vergaderd in de commissie.

In 1959 werd er verbouwd en kort daarop werd de zaak overgenomen door zoon Leo. Tijdens de verbouwing werd de aankleding van de zaal vernieuwd en werd de voorzijde van het balkon donkerblauw gewatteerd wat de geluidsweergave ten goede kwam. Men kon weer enkele jaren vooruit.
Maar de jonge Leo kreeg te maken met een steeds groter wordende concurrentie van de TV. Ook werd het gemakkelijker om naar de stad (Den Bosch of Eindhoven) te gaan. En terwijl er vanaf 1947 dagelijks voorstellingen geprogrammeerd werden, moest men dat in oktober 1963 beperken. Alleen nog voorstellingen in de weekenden. Maar zelfs met een subsidie van fl 5.000,00 die verleend werd door de gemeente Schijndel kon eigenaar Leo Steenbakkers het niet bolwerken. In februari 1964 besluit hij te stoppen. De toekomst zag er somber uit voor het City theater.
Maar toen besloot de broer van Leo, Ad Steenbakkers samen met zijn vrouw Annie de zaak over te nemen. Zij beheerden al sinds 1955 café de City Bar. Zij gingen voortvarend van start en startten met een interne verbouwing.
De entree werd voornamer gemaakt, de toiletten en de garderobe vernieuwd en de houten stoelen werden vervangen door stoelen met rug- en zitkussens van rode en zwarte pluche. De zaal beneden werd geschikt gemaakt om ook als feestzaal te kunnen dienen door onder andere de plaatsing van een bar. Ook was het de bedoeling dat er vaker cabaret- en toneelvoorstellingen geprogrammeerd zouden worden. De jaarlijkse subsidie door de gemeente Schijndel werd gecontinueerd, en daarvoor werd de zaal een vastgesteld aantal keren voor Schijndelse verenigingen ter beschikking gesteld.

Onder grote belangstelling werd het City Theater in juni 1964 heropend.
Sinds die heropening wisten veel artiesten de weg naar het City theater te vinden, zoals Theo Diepenbrock en de Pipo’s, en regionale en lokale bands. Er werden modeshows gehouden, maar ook het onderwijs wist de weg naar het City theater te vinden.
Toch bleven de bezoekcijfers achteruitgaan. In 1968 zocht Ad Steenbakkers naar nieuwe wegen om het filmbezoek te stimuleren. Hij besloot ook nachtfilms te draaien. Op 9 oktober 1968 in het Brabants Dagblad eufemistisch ‘speciale’ films genoemd. De eerste was ‘Meisjes op bestelling’.
Dit viel in Schijndel eind jaren zestig nog niet bij iedereen in goede aarde. In 1971 werd er een raadsdebat aan gewijd. Gemeenteraadslid J.P. Witlox had zich geërgerd aan de affiches die aan de openbare weg waren opgehangen om reclame te maken voor de film: ‘Anatomie van de liefdesdaad.’
Volgens Witlox waren die ronduit pornografisch. Burgemeester A.Th.J.H. van Tuijl en ook de andere raadsleden waren het volmondig met Witlox eens, maar konden niets uitrichten. De film en ook de affiche waren toegelaten voor vertoning door de centrale filmkeuringscommissie. De Katholieke Filmkeuring was in 1968 afgeschaft. Besproken werd of het mogelijk was de jaarlijkse subsidie, die nog steeds op fl 5.000,00 vastgesteld was, in te trekken of aan de voorwaarde te verbinden dat aan de openbare weg geen zedenkwetsende affiches worden gehangen. Dit was ook niet mogelijk, volgens burgemeester van Tuijl, omdat de bijdrage van de gemeente niets met de bioscoop te maken had, enkel met het huren van een zaal. Aangezien de subsidie voor 1971 al was toegekend, besloot men contact op te nemen met de familie Steenbakkers om te vermelden dat de gemeenteraad niet bereid zal zijn in de toekomst subsidie aan het City theater te verlenen als er nog zedenkwetsende affiches opgehangen werden.
Dat er belangstelling was voor dit soort films blijkt uit de bezoekersaantallen. ‘Wat zien ik’, een film van Paul Verhoeven waarover ook veel ophef was over de seksscènes trok in Schijndel in een week van donderdag tot en met zondag zo’n 1000 bezoekers.
Helaas overleed Ad op 41-jarige leeftijd. Zijn weduwe Annie Steenbakkers-van den Heuvel stond er alleen voor. Hulp kreeg ze van Evert Wierda. Hij beheerde meerdere bioscopen en was ook de eigenaar van reisbioscoop Arfi. Samen zetten ze de exploitatie van het City Theater voort.
In 1977 was het tijd om het theater weer te vernieuwen en volgde een heropening. Evert en Annie Wierda- van den Heuvel, die inmiddels getrouwd waren, ontvingen de gasten vanaf toen in gloednieuwe stoelen, terwijl de entree, de hal en de achterbouw aangepakt werden. Mevrouw van Galen-Sleutjes en de heer M. Hermus werden onderscheiden met een bondsspeld voor hun 12.5 jaar jubileum als kassière respectievelijk bedrijfsleider. Jo Jansen kreeg een gouden bondsspeld voor zijn 40-jarige betrokkenheid bij de administratie van het theater.
Wierda gaf in een interview met het blad Film aan op dat moment geen vastomlijnde toekomstplannen te hebben. “Daar hoef ik bij mijn vrouw ook niet bij aan te komen. Ze vindt het voorlopig wel genoeg zo.’
Toch volgde in 1979 nog, ter ere van het 45-jarig bestaan, een opknapbeurt van de foyer en de entree. Het theater was klaar om de volgende vijfenveertig jaar tegemoet te gaan.

Historie van de bouw van het City theater Schijndel Hoofdstraat.[bewerken]

Op 7 december 1933 vraagt Leon Steenbakkers een vergunning aan voor de bouw van Toneelzaal met kleedkamer aan de Hoofdstraat nummer 147, kadestraal bekend sectie 4523. In de aanvraag en de bijbehorende stukken wordt niet vernoemd wie de architect is geweest, gezien de kwaliteit van de tekeningen lijkt het erop dat de tekeningen gemaakt zijn door de aanvrager of door de aannemer. De bouwkosten van het 128 m2 grote gebouw wordt uit de stukken niet duidelijk.
Door de opzichter van Bouw en Woningtoezicht wordt op 14 februari advies uitgebracht voor de bouw waarbij de opmerking wordt geplaatst dat de ruimte boven de toneelzaal niet mag worden gebruikt als opslagplaats omdat die hierop niet berekend is. Onder deze voorwaarde wordt op 16 februari 1934 een bouwvergunning verstrekt. Gezien de opmerkingen van 14 februari 1934 dat de toneelzaal onvoldoende voorzien is in lichttoevoer (± 6 m2) en ventilatie (± 3 m2) en dat Steenbakkers toezegt dat dit spoedig in orde wordt gebracht, wijst erop dat op het moment van het verstrekken van de bouwvergunning de bouw grotendeels was gerealiseerd.

Reconstructie van het city theater van1938.

In 1938 is de eerder gerealiseerde toneelzaal vervangen door een bioscoop. De aanvraag en de tekeningen zijn waarschijnlijk tijdens de brand in het gemeentehuis in 1944 verloren gegaan. Tijdens de aanvraag voor herbouw is in 1946 blijkbaar een reconstructietekening gemaakt.
Tijdens de granaatweken, 17 september tot 23 oktober 1944, werd de in 1938 gebouwde bioscoopzaal volledig verwoest. Het schaderapport voor bioscoop vermeldt een totaalbedrag voor theater en woonhuis-café groot f. 36.350. Voor dit bedrag wordt op 20 november 1946 een aanvraag ingediend voor noodherstel. Op 10 juli wordt een overeenkomst gesloten voor de sloop van de fundering van Hoofdstraat 147 (bioscoopzaal) voor een bedrag van f. 400,00. De bruikbare materialen die vrijkwamen uit de bovenbouw zijn gebruikt voor herstel van woonhuizen.

Op 21 mei 1946 wordt door L. Steenbakkers, wonende Hoofdstraat 146, een vergunning aangevraagd voor de bouw van een bioscoopgebouw op het perceel, groot 448.30 m2., kadastraal bekend sectie D nummer 3533 en 3559. De bouwkosten zijn begroot op f. 80.000,=. Architect is Ch.J. van Liempd die gezamenlijk met F. van Meerendonk de uitvoering zal realiseren. Op 29 mei wordt door de gemeente Schijndel de vergunning verstrekt.
In februari 1947 wordt een rapport geschreven gericht aan het college van B&W waarin alle zaken voor de herbouw van de bioscoopzaal worden toegelicht. Vermeldt wordt dat de kosten voor de bouw van deze zaal in 1932 f. 4.000,00 bedroeg en dat deze zaal in 1938-1939 voor f. 23.000,00 is verbouwd tot de in 1944 verwoeste bioscoopzaal. De kosten voor de herbouw bedragen f. 79.750,00 waarvoor een rijksbijdrage van f. 36.350,00 wordt verkregen. Het rapport pleit voor het bevorderen van aanvulling van de rijkssubsidie voor de herbouw van de bioscoopzaal. Op 16 april 1947 wordt door het Ministerie van wederopbouw en Volkshuisvesting een tegemoetkoming van f. 43.700,00 toegezegd. De totale bouwkosten inclusief kelder (later toegevoegd) en architecten honorarium bedragen f. 94.940,00.
De betreffende bioscoopzaal werd over de periode 1938 tot en met 1945 verhuurd aan een bioscoopexploitant W.A. van Dun, in 1947 is aan de heer Steenbakkers inmiddels een bioscoopvergunning verstrekt.

Op 11 oktober 1948 vraagt L. Steenbakkers, drankslijter, een gunning aan voor de bouw van een drankslijterij met woonhuis op het perceel kadastraal bekend sectie D nummer 3533. Bij de bouw wordt ook de doorgang naar de bioscoop gerealiseerd. Op 18 oktober 1948 wordt door de gemeente Schijndel vergunning afgegeven voor de bouw.
Op 28 mei 1952 wordt door L. Steenbakkers, directeur bioscoop, een vergunning aangevraagd voor de bouw van een foyer bij het city-theater, op het perceel kadestraal bekend sectie D nummer 3533. Architect is Ch. J. van Liempd, Hoofdstraat 263 Schijndel. De kosten voor de realisatie van de bouw bedragen f. 9.750,==. Op 3 juni wordt door de gemeente Schijndel vergunning verstrekt voor de bouw.

Op 27 maart 1956 vraagt A. Steenbakkers, Hoofdstraat 145, een vergunning aan voor de bouw c.q. verbouw van een café op het perceel kadestraal bekend sectie D nummer 3533. De bouwkosten bedragen f. 9.850,==. Architect is P.J. Rooijakkers, Hoofdstraat 178 Schijndel. Op 17 april verstrekt de gemeente Schijndel de vergunning voor het verbouwen van een café kadestraal sectie D nummer 4885.
In 1978 vraagt E. Wierda, vanaf 1972 eigenaar wonende op Markt 13 in Schijndel, een vergunning aan voor het verbouwen van het City Theater plaatselijk bekend sectie G nummer 434. De geraamde kosten voor de verbouwing bedragen f. 10.000,==. Architect is G.C.C. Tegenbosch Meester Michelsstraat 19 Schijndel. De gemeente Schijndel verstrekt op 2 oktober 1978 de vergunning voor verbouwing.

Fotoalbum[bewerken]

Fotoalbum City theater