Welkom op Schijndelwiki - de encyclopedie voor Schijndel

U kunt ons steunen door lid van de Heemkundekring Schijndel te worden.

Klik HIER om lid te worden

Iedere dinsdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in de heemkamer: Cultureel Centrum 't Spectrum, Steeg 9 g, Schijndel.

Kerkelijke vieringen

Uit Schijndelwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Kerkelijke vieringen[1][bewerken | brontekst bewerken]

De Broederschap van het Hart van Maria.[bewerken | brontekst bewerken]

De geschiedenis van deze instelling gaat terug tot 1838. Destijds heeft pastoor Antonius van Erp (1797 – 1861) een schrijven gericht aan de toenmalige bisschop en apostolisch vicaris van ’s-Hertogenbosch Monseigneur Henricus den Dubbelden om in de Servatiuskerk van Schijndel te mogen oprichten een vereniging of broederschap onder de titel “Vereniging van gebeden ter ere van het Allerheiligste en Onbevlekte Hart der Allerheiligste Maagd”. De Mariaverering stond binnen de katholieke kerk van die tijd in hoog aanzien en de pastoors speelden toentertijd graag in op de gevoelens van de gelovigen en hun diepe eerbied voor de Moeder Gods. Een uitgesproken vorm van 19e-eeuwse geloofsbeleving in optima forma en anno 2017 niet meer denkbaar sinds de secularisering binnen onze geloofsgemeenschap. Maar desalniettemin historisch gezien een bijzondere traditie!

Bij een kerkelijke vereniging horen natuurlijk ook statuten en door de 10 artikelen die daarin zijn opgenomen te analyseren krijgt de lezer een scherp beeld van wat men voor ogen had met de stichting van deze Broederschap.

De statuten nader beschouwd.[bewerken | brontekst bewerken]

In artikel 1 noemt men het een genootschap van gebeden ter ere van het Onbevlekte Hart van Maria om door haar voorspraak en haar verdiensten de bekering der zondaars te verwerven. Deze broederschap is op 18 april 1844 in de parochiale kerk van de H. Servatius te Schijndel ingesteld en verenigd met het Aartsbroederschap, daterend na de pauselijke goedkeuring de toenmalige Paus Gregorius XVI, van 24 april 1838. Zijn pontificaat liep van 2 februari 1831-1 juni 1846.

Men sloot niemand uit, want in artikel 2 werd nog eens uitdrukkelijk aangegeven, dat alle katholieken, van welke ouderdom of geslacht of natie die ook zouden mogen zijn, worden uitgenodigd deelgenoot te worden van dit Broederschap.

Wie, volgens artikel 3, wil delen in alle geestelijke voordelen, zal zijn doop- en familienaam moeten opgeven die in het register van het Broederschap zal worden opgenomen. Daarna volgt de officiële aanneming, waarbij elk lidmaat een gewijde medaille ontvangt de zgn. miraculeuze medaille die hij/zij met eerbied en godsvrucht zal dragen! Op die medaille was een kort gebedje ingegraveerd met de tekst “O Maria, zonder zonde ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot u nemen”.

In artikel 4 is vastgelegd dat de pastoor van de Servatiusparochie centrum automatisch de bestuurder is van deze broederschap, neemt zelf de lidmaten op, schrijft ze in in het register wat hij ook zelf in bewaring heeft. Bovendien benoemt hij een assistent-bestuurder gekozen uit de parochiepriesters van de Servatiusparochie.

De leden van het broederschap zullen, volgens artikel 5, trachten al de goede werken, gebeden, aalmoezen, godsvruchtige oefeningen, verstervingen en boetvaardigheden van de gehele dag elke morgen moeten toewijden aan het H. Hart van Maria.

Volgens artikel 6 mag men van alle leden verwachten dat ze bij al hun goede intenties eenmaal daags en meer met het hart dan met de mond godvruchtig bidden “Wees gegroet Maria etc.” en ook het smeekgebed en de aanroeping “Toevlucht der zondaren bid voor ons”.

Alle leden moeten er zich bewust van zijn, volgens artikel 7, dat het bijzonder door de zuiverheid des harten is, dat zij de bescherming van het H. Hart van Maria verdienen en daarom zullen ze hun best doen om die zuiverheid te verkrijgen door goed en dikwijls te biechten en te communiceren en wel bijzonder op de feestdagen van het broederschap.

In artikel 8 wordt nader ingegaan op de diverse feestdagen en daarbij worden genoemd: de voornaamste feestdag is de eerste zondag van de meimaand, dé Mariamaand die plechtig wordt gevierd. De andere feestdagen zijn achtereenvolgens de Besnijdenis des Heren [1 januari ofwel de 7e dag na Kerstmis], Maria Lichtmis [2 februari], Maria Boodschap [25 maart], Onze Lieve Vrouw der Zeven weeën [15 september], Onze Lieve Vrouw Geboorte [8 september], Onze Lieve Vrouw Hemelvaart [15 augustus], de Onbevlekte Ontvangenis [8 december], de bekering van de H. Paulus [25 januari] en de feestdag van Maria Magdalena [22 juli]. Ook zijn voor de leden van het broederschap vooral de eerste zaterdag van elke maand dagen van devotie tot het H. Hart van Maria, waarvan men hoopt dat ieder lid ze op een bijzondere wijze zal vieren.

In artikel 9 is vastgelegd dat juist op die zaterdagen door het jaar en heel bijzonder op de genoemde feestdagen aan het Maria-altaar in de Servatiuskerk een Lof gevierd zal worden ter ere van het Allerheiligste Hart van Maria, waar ook de litanie van O.L.V. gezongen zal worden, waarna de dienstdoende priester een korte toespraak zal houden of een voorlezing ter ere van Maria.
Na de aanbeveling der zondaars bidt men gezamenlijk het rozenhoedje in het perspectief van de volmaakte bekering der zondaars.

Tenslotte artikel 10, dat vermeldt dat op alle zaterdagen in het jaar, uitgezonderd paaszaterdag, de eerste Mis gezongen zal worden aan het altaar van het Broederschap. Op alle eerste maandagen van het jaar wordt de H. Mis ook gezongen en gedenkt men speciaal de overledenen van dit Broederschap. Tijdens die vieringen gaat de schaal rond ter goedmaking der onkosten!

Verzoek om twee beelden te mogen kopen.[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de archiefstukken troffen we ook een brief aan gedateerd 9 juli 1886 en geschreven door N.W.L. Baekers pastoor en F.R. Manders secretaris van het kerkbestuur met een reactie van Mgr. Godschalk van de toenmalige bisschop van het Bossche bisdom. De tekst luidt:
“Monseigneur in onze Kerk bestaat sedert vele jaren het broederschap van het H. Hart van Maria ter bekering der zondaars. Tot dat einde [lees: doel] wordt elken zaterdag eene H. Mis en Lof gezongen en gaat alsdan de schaal rond, waaruit de honoraria der Missen, volgens het hier geldend tarief worden betaald. Thans is er een overschot van een weinig meer dan twee honderd gulden. Het Kerkbestuur van Schijndel vraagt nu bij dezen met den meesten eerbied aan Uwe Doorl. Hoogw. de vereischte machtiging:
*1] om het genoemde overschot twee honderd gulden [f 200,-] te mogen besteden, tot gedeeltelijke dekking der onkosten die de Kerk, volgens vroegere machtiging die U.D.H. gemaakt heeft, voor het aanschaffen en plaatsen van twee beelden voorstellende de HH. Harten van Jezus en Maria
*2] Om vervolgens telken jare het overschot te mogen besteden, tot een doel dat het meest nabij komt aan dat van het Broederschap of anders de wijze te kennen waarop U.D.H. de overschietende gelden wilt besteed hebben
*3] Tevens vraagt het Kerkbestuur ootmoedig de machtiging tot het laten restaureren van den ouden gotischen kelk, die de kerk bezit, van welke restauratie de kosten door deskundigen geraamd zijn op ruim tachtig gulden.

Met den diepsten eerbied, een gunstig antwoord tegemoet ziende, noemen wij ons, Monseigneur Van Uwe Doorl. Hoogwaardigheid, gehoorzame dienaars, namens het Kerkbestuur N. Baekers pastoor en F.R. Manders secretaris”.

De machtiging wordt verleend!

Het verhaal van de Mirakuleuze Medaille.[bewerken | brontekst bewerken]

Om een volledig beeld te krijgen van hoe destijds de leden van het Broederschap werden ingeleid in de devotie voor de H. Maagd Maria is de typisch historische tekst die werd aangeleverd bij de medaille veelzeggend en in de taal van toen enigszins verrassend. Hoe men dit medio 19e eeuw onderging en ervoer zullen we nooit weten!
De begintekst luidt: O Maria, zonder vlek ontvangen, bid voor ons die tot U onzen toevlucht nemen. Daarna volgt de letterlijke tekst:
“Omtrent het einde van het jaar 1830, werd in de Kapel van het Moederhuis van de Zusters van Liefde te Parijs, eene jonge Zuster, zedig dorpsmeisje, sinds eenige maanden slechts in het noviciaat getreden, met een bezoek van de Allerheiligste Maagd bevoorrecht.
Het was des avonds, toen de Zuster in stilte hare gebeden ten hemel stierde. Eensklaps dacht de onschuldige bevoorrechte van Maria langs den kant des Altaars als het geruisch van een zijden kleed te hooren. Zij verheft de oogen. Wie beschrijft hare ontroering. De Kapel was vervuld met een helder licht; in het koor op eenige hoogte van den vloer stond de Koningin des Hemels, schitterend als de zon, en reikte haar minzaam de armen gelijk eene moeder die haar kindje wil omhelzen. Het gelaat van Maria was zo schoon dat later de arme zuster zich onmachtig verklaarde er den luister van te beschrijven. De kleederen der Moeder Gods, haar mantel, haar sluijer, waren van eene onbeschrijflijke blankheid; men zou gezegd hebben eene stof uit licht en zijde geweven, waarin zich het Hemels blauw met het morgenrood paarde. Hare vingers waren omgeven met diamant en edelgesteenten en van uit Hare beide geopende handen, schoten vurige stralen tot op den bol waarop de voeten van de Heilige Maagd rustten. De schitterende verschijning stond als ingelijst, in eene Ovale beeltenis, rond welke in gouden letters deze woorden glinsterden: O Maria, zonder vlek ontvangen, bid voor ons die tot U onzen toevlucht nemen.
Welhaast keerde de beeltenis zich om en op de keerzijde zag de Zuster de letter M bekroond met een Kruis en onder de M de Heilige Harten van Jezus en Maria.
Terzelvertijd zegde haar eene geheimzinnige stem: “Doe eene medaille slaan volgens dit model; en de personen die ze met aflaat verrijkt dragen, en godvruchtig dit kort gebed lezen, zullen op eene bijzondere wijze door de Moeder Gods beschermd worden”.
De Zuster verhaalde meermaals aan haren biechtvader deze wonderbare verschijning en het bevel dat haar de Heilige Maagd had gegeven van de medalie te doen slaan.
De wijze priester, in wien de groote voorzichtigheid met eene uitstekende godsvrucht gepaard was, aanhoorde haar langen tijd met eene schijnbare onverschilligheid. Nogthans nadat dezelfde verschijning eene tweede en eene derde maal had plaats gehad, legde hij de zaak uit aan den Aartsbisschop van Parijs Mgr. de Quélen, die na twee jaren overweging en streng onderzoek, eindelijk de toestemming gaf de medalie te slaan [1832].
Met een ongelooflijke snelheid verspreidde de medalie zich de gansche wereld door, en overal bewerkte zij een zoo groot getal wonderen, dat zij welhaast niet meer anders genoemd wierd dan de miraculeuze medalie, de Medalie die geneest, die bekeert of enkelijk de Medalie. Schijnt het niet dat de goede God zich van dit kleine middel, zoo gering in de oogen der menschen, heeft willen bedienen om de uitspraak van het geloofspunt der Onbevlekte Ontvangenis voor te bereiden? En inderdaad, toen den 8e december 1854 de Paus Pius IX aan de geheele wereld deze troostvolle woorden toestuurde: “Ja, wij moeten het gelooven, Maria is onbevlekt in hare Ontvangenis” toen reeds geloofde de gansche Kristene wereld dit voorrecht van Maria, toen reeds herhaalde zij sedert 22 jaren met steeds vuriger geloof: O Maria, zonder vlek ontvangen, bid voor ons die tot U onzen toevlucht nemen.

Vier jaar later, in 1858, had wederom een arm meisje van Lourdes het geluk de Koningin des Hemels te zien en uit haren mond deze zoete woorden te hooren: “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis”. Ditmaal ook heeft de goede Moeder ons een pand Harer liefde gelaten, pand zoo gering als de eerste, te weten eene waterbron. Maar de druppels van dit water evenals de kleine medalies zijn machtiger dan de hel; beide verjagen den duivel van de ziel en de krankheden van het lichaam.
O wat is het zoet, wat is het vertroostend voor de arme verlatenen dezer aarde te zien hoe de goede God met minachting nederziet op den hoogmoed der rijken en machtigen, en onder hunne oogen zijne grootste wonderen verricht door zijne zwakste schepselen. Twee arme dorpsmeisjes, eene waterbron in de holte eener rots, kleine beeldjens der Heilige Maagd, meestal op een gemeen metaal geprent, zie daar de krachtige middelen, die de Allerhoogste verkiest om ontelbare mirakelen te doen en om de merkweerdigste gebeurtenis onzer eeuw, de uitspraak van het geloofspunt der Onbevlekte Ontvangenis zijner Goddelijke Moeder te geleiden en te bekroonen.
Dragen wij dan de mirakuleuse Medalie, hangen wij ze aan den hals onzer kinderen, geven wij ze aan vrienden en armen, aan de bedrukten, zieken en zondaars; kussen wij ze dikwijls met liefde; het is de beeltenis onzer Moeder, beeltenis door Haar zelf geschetst, door Haar zelf uit den Hemel op aarde gebracht. Dat dikwijls, bijzonder in de oogenblikken van droefheid en strijden, deze zoete aanroeping als een verkwikkende balsem op onze lippen zweve: O Maria, zonder vlek ontvangen, bid voor ons die tot U onzen toevlucht nemen.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Heemblad Rond die Cluse 24e jaargang nummer 2 bladzijden 9 tot en met 14