Welkom op Schijndelwiki - de encyclopedie voor Schijndel

U kunt ons steunen door lid van de Heemkundekring Schijndel te worden.

Klik HIER om lid te worden

Iedere dinsdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in de heemkamer: Cultureel Centrum 't Spectrum, Steeg 9 g, Schijndel.

Johannis van Mil

Uit Schijndelwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Johannes van Mil[bewerken]

Het bekende korps Rijdende Artillerie is voor de inwoners van Schijndel geen vreemd begrip. Tijdens de Eerste Wereldoorlog [1914-1918] was een afdeling zelfs gevestigd te Schijndel met hun kantoor bij tramstation Van Veghel, tegenwoordig ‘D’n Bes’ en de officiersmess in ‘de Zwaan’. Achter de domineeswoning uit 1776 hadden ze een exercitieterrein liggen.
Wij kennen ze beter als de Gele Rijders vanwege hun gele uniform.
Stadhouder Prins Willem V is eigenlijk de oprichter van dit korps dat al in 1793 werd geïnstalleerd.
In dit stuk wordt niet verder ingegaan op de historie van dit korps maar het bovenstaande is een korte aanloop naar een veroordeling in 1827 van een zekere Johannes van Mil die in oktober 1822 als vrijwilliger was aangetreden als kanonnier der 2e klasse in de 2e compagnie der rijdende artillerie en die in detentie zat in het provoosthuis, zeg maar de militaire gevangenis, te ’s-Hertogenbosch.
Hij was van huis uit geen geboren Schijndelaar maar had wel een Schijndelse vrouw als 2e echtgenote, vandaar dat we toch zijn handel en wandel als militair wat willen uitvergroten.
Hij was een zoon van Adrianus Egidius van Mil en Anna Gijsberti Smits. Uit dat huwelijk werden o.a. geboren Agnes van Mil dd. 26 januari 1781 te Veghel en 16 jaren later Johannes van Mil dd. 22 januari 1797 te ’s-Hertogenbosch.
Op 33-jarige leeftijd trouwt Johannes te ’s-Hertogenbosch een zekere Maria Schultz uit Delft die echter al op 59-jarige leeftijd op 15 oktober 1848 overlijdt. Johannes is dan 51 jaar en hertrouwt te Schijndel 12 jaren jongere Cornelia Steenbakkers 39 jaren oud en geboren aldaar op 17 januari 1809 als dochter van Johannes Steenbakkers en Catharina van Kemenade, eerder weduwe van een zekere Martinus de Visser.
Hoe hij er tijdens zijn diensttijd uitgezien heeft is af te lezen uit de lijst van persoonlijke kenmerken. Hij is lang 1 el, 6 palmen en 9 duimen, heeft een grof en breed aangezicht, een breed voorhoofd, bruine ogen, een grote neus, een gewone [ordinaire] mond, een ronde kin, donker bruine wenkbrauwen en zijn uiterlijk wordt als ‘licht pokdalig’ beoordeeld en uit de stukken blijkt dat hij niet kon schrijven.

Een militaire belhamel[bewerken]

Als je het dossier doorbladert en indachtig de vereiste discipline en krijgstucht, vraag je jezelf af hoe het mogelijk is dat hij nog zo’n lange diensttijd heeft doorgemaakt, want over de periode 1823-1827 is hij diverse malen voor de krijgsraad verschenen. Een indrukwekkende waslijst van veroordelingen ofwel een bonte lijst van strafexercities, een aantal dagen, soms zelfs weken en ’n keer drie maanden arrest in het cachot, ’n enkele keer op water en brood zitten en het ondergaan van 25 klingslagen. Je zou nu verwachten dat hij van die veroordelingen iets geleerd zou hebben, maar het tegendeel is waar.
Op 22 januari 1827 is het weer zover, waarna hij op de 24e aan een uitgebreid verhoor wordt onderworpen door de auditeur militair.
Allereerst wordt hem gevraagd naar zijn rang en wanneer hij zich heeft aangemeld voor de krijgsdienst. Vervolgens worden hem alle krijgsartikelen zorgvuldig voorgelezen en kort daarop begint het officiële ‘vragenuur’.
Door korporaal Van Hooft is hem enige dagen eerder arrest aangezegd omdat hij, nadat hij kamerwacht had gehad, de kamer niet had schoongemaakt. Zijn antwoord daarop was, dat hij de kamer inderdaad niet had kunnen schoonmaken, want hij moest paarden poetsen en daarna was het te donker geworden. Toen de korporaal hem vroeg met hem mee te gaan heeft hij dat pertinent geweigerd en te kennen gegeven dat de korporaal niet gekleed was. Maar blijkbaar heeft hij meer uitlatingen gedaan, want de volgende vraag was, of hij, als hij de korporaal onder vier ogen zou spreken, hij hem zou wurgen! Johannes antwoordt, dat hij daaromtrent geen woord gesproken heeft! Daarop is de wachtmeester Gonsdeel geroepen en die heeft hem naar de politiekamer gebracht, waarop Johannes bevestigend antwoordt. Voorts zou hij zich hebben laten ontvallen dat korporaal Van Hooft een dief en schelm is. De verhoorder wil daar meer van weten en vraagt waarom hij Van Hooft zo meent te moeten typeren, want het komt neer op een beledigende uitdrukking. Van Mil is helder in zijn commentaar en beschuldigt Van Hooft ervan dat hij, toen kanonnier Bona voor de krijgsraad moest verschijnen, diens mantelzak heeft ingenomen en daaruit heeft gestolen de poetszak, vangsnoer en pompon en die heeft achtergehouden. Volgens Van Mil zou dat goedje aan een spijker gehangen hebben op de kamer van Van Hooft achter zijn hangmat. Maar hij krijgt meteen op z’n brood van de auditeur militair, dat hij zoiets meteen had moeten rapporteren in plaats van de korporaal uit te maken voor dief en schelm.
Vervolgens stelt de auditeur de vraag of Van Mil in augustus 1825 vanwege de weigering om te doen wat zijn meerdere hem opdroeg, zes maanden in detentie heeft gezeten. Volgens kanonnier Van Mil waren het maar drie maanden. Daarmee was het verbaal compleet en werd hem alles nog eens uitdrukkelijk voorgelezen. Om het een en ander te verifiëren worden ook nog andere militairen gehoord, maar in grote lijnen werd door hen het hele relaas bevestigd.

De finale veroordeling[bewerken]

De slotconclusie luidt letterlijk: “Dat, bij vonnis van dezen krijgsraad de gedetineerde Johannes van Mil voornoemd, ter zake voorschreven, zal worden gecontamineerd [= veroordeeld] tot de straf van het wegjagen uit de dienst, als eerloze schelm; mitsdien om gebragt zijnde voor het front der parade aldaar, door de stokkenknegt te worden ontdaan van zijn militaire tekenen, te ontvangen twintig stokslagen, het haar afgesneden en buiten de poort gebragt te worden, onder bevel dat van het zelve vonnis zal worden kennis gegeven aan de regering der geboorte- en laatste woonplaats van den gedetineerde en met condemnatie van denzelven in de kosten en misen der justitie, als mede in de kosten van den processe, des noods, ter tauxatie en moderatie van den krijgsraad. Alles voorbehoudens de approbatie, door de wet gevorderd wordende of wel tot zodanige andere straffe, als dezelve krijgsraad, in goede justitie zal verstaan te behoren’, ondertekend door de auditeur militair.
Dit vonnis is gebaseerd op een serie artikelen uit het crimineel wetboek voor het krijgsvolk te lande alsmede art. 185 der rechtspleging bij de landmacht.