Welkom op Schijndelwiki - de encyclopedie voor Schijndel

U kunt ons steunen door lid van de Heemkundekring Schijndel te worden.

Klik HIER om lid te worden

Iedere dinsdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in de heemkamer: Cultureel Centrum 't Spectrum, Steeg 9 g, Schijndel.

Joden in de Meierij

Uit Schijndelwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Joden in de Meierij, hun integratie en assimilatie[bewerken]

Het is alweer meer dan 200 jaar geleden dat een zekere Dominee Hanewinkel door de Meierij wandelde. Van deze wandelingen hield hij dagboekjes bij die later onder de titel: “Reize door de Majorij van ’s-Hertogenbosch in den jaare 1798” en “Reize door de Majorij van ‘s-Hertogenbosch in den jaare 1799” werden uitgegeven. In deze dagboekjes heeft hij onder andere opgeschreven hoe de bewoners van de Meierij over de joden dachten. Hij schrijft over een voorval in Eersel: “Voor de herberg, waarin ik mij bevond, stonden eenige Jooden op de straat met elkander te spreken, zij beledigden niemand. Enige rooms-gezinden zich met mij in de herberg bevindende, en deze Israëlieten ziende, gaven hun haat tegen deze mensen, die hen niets gedaan hadden, met woorden en gebaren zeer duidelijk te kennen: zij spogen, zo dikwijls zij hun ogen op de joden sloegen, met ene diepe verachting op de grond, trokken allerlei lelijke gezichten, vloekten op hen en noemden hen verdoemde Smousen, hun tevens alle kwaad toewensende”. Het woord Smousen was indertijd een scheldwoord voor de joden.

Tijdens een wandeling naar Bergeyk maakte hij het volgende mee. Zijn wandelgenoot riep naar een voorbijkomende jood: “Dag Smous! Lus je wel spek?” Toen ds. Hanewinckel hem vroeg waarom hij dat deed, zei hij: “Het is maar een Smous. Hij is van dat volk, dat onze Heer gekruist en bespogen heeft, hij is toch verdoemd en wij mogen altijd een Smous voor de gek houden”.

Aan het einde van de achttiende eeuw werden, net als elders in Nederland, in de Meierij de Joden als een aparte groep gezien. Van een assimilatie met de overige bewoners was geen sprake. De Joden hadden de status van ‘vreemdeling’ en werden in bepaalde gemeenten door het plaatselijk bestuur en de bewoners als vreemden, die niet te vertrouwen waren behandeld.

In de tijd dat ds. Hanewinckel door de Meierij wandelde hoorde deze regio tot de Bataafse Republiek. Hoewel niet helemaal duidelijk is, wat toen de grenzen van de Meierij waren gaat men ervan uit dat de vier kwartieren Peelland, Kempenland, Oisterwijk en Maasland tot de Meierij hoorden. Het onderzoek is beperkt tot het oostelijk gedeelte van Noord-Brabant. Het gebied ten oosten van het kwartier Oisterwijk.

Met de komst van de Fransen en onder invloed van de Verlichting (Vrijheid, gelijkheid en broederschap) ging de overheid anders tegen de aanwezige joden aankijken. Tot 1796 werden de joden als een “vreemde natie” gezien. Door het decreet van de Nationale Vergadering op 2 september 1796 “over de gelijkstaat der Joodschen met alle andere burgers” krijgen de joden dezelfde rechten en plichten als de andere inwoners van ons land. Dit decreet wordt eerst, na een herhaald verzoek van een aantal Bossche Joden, pas op 22 juni 1797 in Brabant bekend gemaakt.
De vraag is, of de Joden na dit decreet in de samenleving zijn geïntegreerd en geassimileerd. Of hebben ze hun eigen identiteit vastgehouden? En hoe gingen de bewoners van de Meierij na 1796 met hen om. Om te kunnen beoordelen of iemand geassimileerd is heb ik de definitie gebruikt die Jan Lucassen en Rinus Penninx in hun boek “Nieuwkomers, Immigranten en hun nakomelingen in Nederland 1550-1985” hanteren.

Maar wanneer is iemand eigenlijk een Jood?
Volgens de streng orthodoxe Joodse opvatting is alleen hij of zij een Jood of Jodin, die uit een Joodse moeder geboren is. Er zijn ook mensen die zich wel Jood voelen en niet uit een Joodse vrouw geboren zijn. Daardoor is het moeilijk om precies te zeggen wanneer iemand joods is. In deze lezing gaat het alleen over de Joden die als zodanig in de bevolkingsregisters geregistreerd staan.

We hebben, met het reisverslag van ds. Hanewinckel, gezien hoe de burgers in de Meierij aan het einde van de 18e eeuw tegen de Joden aankeken. Maar hoe was de houding van de overheid in die tijd ten opzichte van de joden?
In een resolutie van 5 juli 1767 werd door de Staten-Generaal bepaald: “hoezeer de Joden op zommige plaatsen in de Meyerij van ’s-Hertogenbosch met’er woon zijn gepermitteerd, zulks nogtans geen regul moet uitleeveren, waarom deselve in alle andere plaatsen van dien zouden behooren toegelaten te worden.”
Om ergens te kunnen gaan wonen moesten de Joden toestemming aan het desbetreffende stadsbestuur vragen. Zo vroeg in 1680 een zekere Jacob Worms uit Amsterdam aan het bestuur van ’s-Hertogenbosch of hij zich met zijn vrouw en kinderen in de stad mocht vestigen. Hij kreeg toestemming en kocht een huis in de Karrenstraat, in het centrum van de stad. Als geldwisselaar en koopman was hij redelijk vermogend. Vijf jaar later legde hij de poortereed voor de Joden af. Waarbij hij met zijn hoed op het hoofd en de hand op de wet de eed aflegde. Daarna kreeg hij het poorterschap van de stad. Het kramersgilde hield hem goed in de gaten. Ze zagen in hem een concurrent en beklaagden zich bij het gemeentebestuur over, zoals ze zeiden de “vuile praktijken met betrekking tot het geld wisselen en het koopmanschap van Jacob Worms”. Het kramersgilde kreeg het zelfs voor elkaar dat het gemeentebestuur in 1689 in een resolutie vastlegde, dat Joden voortaan geen poorterrecht meer zouden krijgen. Hun argument was, dat de Joden slechte en gestolen waren verkochten en dat hun prijzen lager waren dan die van de gevestigde winkeliers in de stad. Er waren regelmatig ongeregeldheden tussen het kramersgilde en de Joden. Zodat het stadsbestuur in 1747 het besluit nam, dat alle “Joden en slegte lieden” de stad op staande voet moesten verlaten. Daarna waren er toch weer joden in de stad gaan wonen. Op 11 november 1790 werd opnieuw een maatregel genomen waardoor alle in de stad wonende Joden de stad moesten verlaten. Door al deze maatregelen was Den Bosch in de 17e en 18e eeuw voor de joden geen aantrekkelijke stad om zich te vestigen.

Elke gemeente had zo haar eigen manieren om het de Joden moeilijk te maken zich te vestigen. Het gemeentebestuur van Eindhoven liet de joden extra belasting betalen. Als Lazarus Benedictus uit Woensel het gemeentebestuur van Eindhoven vraagt om zich in Eindhoven te mogen vestigen, krijgt hij geen toestemming. Het argument van de magistraat was: “dat hunne burgers en ingezeten ten sterksten murmureeren tegen het inwonen van meer joden en dat ze als aller nadeligst zijnde in hunnen handel, rust en vrijheid, dewijl de burgerlijke maatschappij alhier altoos afkeerig is van den omgang met de Joden.”

Rond 1770 kwam een zekere Benjamin Elias met zijn vrouw Judith Cohen in Schijndel wonen. Hij was geboren in 1744 in Titz, dat in Noord-Rijn Westfalen in Duitsland ligt. In Schijndel kwam hij in een omgeving terecht die opviel door een kleinschalig landschap, met zandpaden, kleine bosjes en vochtige broekgronden. In die tijd was men, door het voorpootrecht, druk bezig met het poten van populieren ten behoeve van de klompenindustrie.

Hoeveel joden woonden er nou eigenlijk in de 19e eeuw in deze regio? In 1809, woonden in het onderzoeksgebied van 22 gemeenten in Brabant ongeveer 170.000 inwoners waaronder ongeveer 600 joden. Een eeuw later was het aantal joden gegroeid tot 1274 personen. Het grootste aantal joden in deze regio werd rond 1879 bereikt. In 20 gemeenten woonden 1474 personen. Hieruit kunnen we de conclusie trekken dat ze zich niet verder over het gebied hebben verspreid maar bij elkaar zijn gaan wonen. Aan het einde van de 19e eeuw neemt hun aantal snel af. Veel jonge mannen en jonge gezinnen waren, om economische redenen, naar het westen van Nederland vertrokken, waar sinds 1860 de industrialisatie op gang was gekomen. De groep joden die aan het begin van de 19e eeuw in Brabant woonden stierf langzaam uit.

In 1809 woonden er 5 joden onder de 3116 inwoners van Schijndel. Het was het gezin van Benjamin Elias Wolf en Judith Cohen en hun kinderen Schoontje, Geertruida en Elias. Op 25 december 1811 neemt zoon Elias Wolf samen zijn broer en zus de achternaam Van de Waal aan. De 24 joden in 1849 waren de leden van drie gezinnen Van de Waal met hun personeel. De stamvader Benjamin Elias en zijn oudste zoon Elias Benjamin van de Waal leefden niet meer. In de wijk Elschot, aan de Groote Straat, woonde Johanna van Hessen, de weduwe van Elias, met haar vijf kinderen en haar schoonzusje Geertruida. Haar oudste zoon Benjamin woonde met zijn vrouw Anna Docters uit Oirschot met zeven kinderen in De Kluis in Elschot (zie hieronder). Zoon Barend woont met zijn vrouw Jeanette Seijffers en twee kinderen aan de Groote Straat in Wijbosch. Terwijl in oostelijk Noord-Brabant het aantal joden in de tweede helft van de negentiende eeuw toeneemt blijft het aantal joden in Schijndel in 1879 op 24 steken. Dit waren Benjamin van de Waal met twee kinderen en hun dienstmeid Heintje van Buren evenals Isaac van de Waal met zijn vrouw en twee kinderen en Jeanette Seijffers, weduwe van Barend Elias met enkele van haar kinderen en kleinkinderen. Naast leden van de familie Van de Waal woonde in die tijd nog slager Jacob Benjamin van Dijk, afkomstig uit Geffen, en zijn vrouw Bertha Broekman en hun dochtertje Regina in Schijndel. De grotere joodse gemeenschappen waren in die tijd overigens te vinden in Eindhoven, ’s-Hertogenbosch, Tilburg en Oss. Net als elders in de regio neemt na 1879 het aantal joden in Schijndel fors af. De kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van Elias Van de Waal en Johanna van Hessen waren naar elders vertrokken of overleden. Na het vertrek in 1898 van de weduwe van slager Jacob Benjamin van Dijk en haar zes kinderen naar Veghel wonen er geen joden meer in Schijndel.

Waar kwamen de joden die rond 1796 in het onderzoeksgebied woonden vandaan? Veel joden waren al in de 17e en 18e eeuw, al dan niet via Amsterdam, naar Brabant gekomen. Meestal ging het om joden die in de Duitse landen en de Pools-Russische grensgebieden door allerlei belastingmaatregelen en vervolgingen onderdrukt werden. Ze worden de Asjkenazische joden genoemd. Hoewel ze zich tot 1796 als ‘Vreemde Natie’ niet overal in de Republiek vrij mochten vestigen, hadden ze hier een betere toekomst dan in het land van herkomst. Zou 1796 voor de joden, niet alleen op papier, maar ook in de dagelijkse praktijk een keerpunt worden? Zouden ze door de andere inwoners als medeburgers worden geaccepteerd? En gaan ze zich voortaan alleen op godsdienstig terrein van andere burgers onderscheiden zoals de bedoeling was? Omdat er zo weinig joden en zo verspreid in deze regio woonden, was het te verwachten dat deze kleine groep, na de decreten van 1796 en 1797, snel in de Brabantse samenleving zouden worden opgenomen.
Al gauw bleek, dat er in de praktijk van de Franse leuze “vrijheid, gelijkheid en broederschap” weinig terecht kwam. In ’s-Hertogenbosch bleef het kramersgilde, ook na 1796, sterk tegen de komst van handeldrijvende joden ageren. Voor het krijgen van het poorterrecht moesten ze nog steeds aan allerlei voorwaarden voldoen, die niet voor de andere inwoners van de stad golden. In een resolutie van het Departementaal Bestuur van Brabant van 5 februari 1807 staat, dat er bij koning Lodewijk Napoleon klachten zijn binnengekomen omdat in een aantal gemeenten de joden niet tot de plaatselijke gewapende burgerdienst werden toegelaten. In deze resolutie werd deze gemeentebesturen nog eens te verstaan gegeven, dat ze geen onderscheid mogen maken tussen joden en andere ingezetenen van het Rijk en dat de joden op dezelfde manier als alle andere burgers behandeld dienen te worden. Eerst nadat het poorterrecht in 1808 wordt afgeschaft en koning Willem I in 1818 de gilden als publiekrechtelijke organisaties opheft, kunnen de joden zich vrij vestigen. Daarna wordt het voor hen pas mogelijk hun sociale en economische positie te verbeteren. Maar Den Bosch was niet de enige plaats die aan het begin van de 19e eeuw het de joden moeilijk maakte. Zo stuurde Lazarus Abraham uit Geffen op 26 december 1806 een brief aan het gemeentebestuur van Sint-Oedenrode met het verzoek om daar te mogen wonen. In 1811 nam Lazarus Abraham de achternaam De Wit aan. Zijn nazaten hadden rond het midden van de negentiende eeuw veel contact met de joden die in Schijndel woonden. In het bevolkingsregister van 1809 staat achter zijn naam “sans fortune”. Hij was arm. Of de eerste joden in Schijndel ook arm waren is niet bekend.

In een extract uit 1809 uit het verbaal van de Landdrost van Braband is te lezen dat een groot gedeelte van de joden in een staat van “vernedering en armoede” verkeerde. De landelijke overheid nam allerlei maatregelen om de positie van de joden te verbeteren. Eén van de maatregelen was, dat de vroeger onderling onafhankelijke kerkelijke gemeenten hiërarchisch werden ingedeeld in hoofd-synagogen, ringsynagogen en bijkerken. Zo ontstond in 1814 het Israëlitisch kerkgenootschap. De overheid ging zich met de benoeming van rabbijnen bemoeien. In preken, officiële documenten en het onderwijs werd het gebruik van het Nederlands verplicht. De Bijbel en de gebedenboeken moesten uit het Jiddisch in het Nederlands vertaald worden. Een kerkelijk huwelijk moest door een burgerlijk huwelijk voorafgegaan worden. Sinds 1799 mogen de joodse kinderen alleen naar de openbare school als ze daar Nederlands zouden spreken. Om van de situatie van de joden op de hoogte te blijven liet Lodewijk Napoleon in 1808 in diverse steden nagaan of het bestuur de joden nog anders behandelde dan de andere inwoners. Tegelijkertijd droeg de regering de lagere overheden op, ervoor te waken dat er nog meer arme joden uit het buitenland de grenzen over kwamen. Men was bang dat die uiteindelijk ten laste van de armenkassen zouden komen. Voor arme joden werden de grenzen gesloten.

De joden stonden in die tijd kennelijk niet al te best aangeschreven. Op 1 maart 1824 waarschuwde de vrederechter de bevolking van Grave voor een bende “asociale joden” met het verzoek, “om op de aankomst en het verblijf van vreemdelingen en onbekende personen, vooral joden, te doen letten”. De bescherming van de plaatselijke handel en het weren van armlastige joden uit het buitenland heeft waarschijnlijk het nodige effect gehad op de groei van de joodse bevolkingsgroep. De overheid en de inwoners van deze regio moesten nog aan de nieuwe situatie, dat de joden dezelfde rechten en plichten hebben, wennen. Maar hoe reageerden de joden zelf op hun nieuwe status van medeburger en hoe groot was de invloed van hun eigen cultuur op hun integratie en assimilatie? Hierna volgen een vijftal aspecten.

Huwelijksgedrag[bewerken]

Nadat de joden dezelfde burgerrechten hadden gekregen dan de andere inwoners van ons land, werd het mogelijk een niet-joodse partner te trouwen. Dit zou de integratie kunnen hebben bevorderen. Uit een onderzoekje naar het huwelijksgedrag van de joden in het onderzoeksgebied blijkt, dat de joden de hele 19e eeuw met iemand van joodse afkomst trouwen. In de eerste helft van de 19e eeuw was er maar weinig keus. De kinderen en kleinkinderen van de eerste joden in Schijndel, Benjamin Elias van de Waal en Judith Cohen, vonden een partner in en buiten de regio. Zoals in Lith, Oirschot, Den Bosch en Alphen aan de Rijn, Baarn en Amsterdam. De groep joden was zo klein dat ongeveer 75% van de joodse mannen uit deze regio met een huwelijkspartner van buiten de provincie trouwde. Soms kwam de huwelijkskandidaat helemaal uit Duitsland.
Het gebeurde ook regelmatig, dat met een familielid getrouwd werd. Een neef/nicht huwelijk kwam nogal eens voor. Zoals bij de joden in Sint-Oedenrode.
Aan het einde van de 19e eeuw zochten de joden nog steeds een huwelijkspartner in eigen kring. Doordat veel jonge mannen om economische redenen vertrokken waren ontstond in ’s-Hertogenbosch zelfs een vrouwenoverschot. Het cultuurverschil tussen de joden en niet-joden was blijkbaar zo groot, dat deze kloof moeilijk te overbruggen viel. Voor de joden waren de uitoefening van hun godsdienst en de voedselvoorschriften belemmerende factoren om met een niet-jood te trouwen. Bovendien zal er waarschijnlijk sprake zijn geweest van een zekere sociale controle van de joden, de rooms-katholieken en de protestanten op hun eigen geloofsgenoten. Binnen alle drie richtingen stond men in die tijd sceptisch tegenover het huwen buiten de eigen kring.

Beroepsstructuur[bewerken]

Met een onderzoekje naar de beroepsstructuur is nagegaan of de joden de kansen grepen om op de economische ladder te stijgen. Bovendien geeft dit een indicatie van de mate waarin ze al dan niet geassimileerd en geïntegreerd raakten.
Aan het begin van de 19e eeuw hadden de joden, door het verzet van de plaatselijke kleinhandel tegen hun aanwezigheid, nauwelijks ruimte om zich beroepsmatig te ontplooien. Alleen de beroepen die het kramersgilde tolereerde konden ze uitoefenen.
“Besser ein klaaner soucher als ein grousser knecht” geeft aan dat ze liever een kleine ondernemer waren dan een loonslaaf. Bovendien wilden de joden niet op zaterdag, de Sabbath, werken. In een vrij beroep konden ze gemakkelijker aan de joodse gebruiken vasthouden. De meesten hadden hun bestaan in ‘hak-pak-en zak’. Het staat voor slager, marskramer en lompenhandelaar.
De eerste joden die zich in een plaats vestigden waren vaak slager van beroep. Dat is niet zo vreemd als we bedenken dat de joden alleen koosjer vlees mogen eten. Zodoende was het voor een slager geen probleem om zich ergens te vestigen.
Welk beroep Benjamin Elias Wolf (later Van de Waal) bij zijn komst in 1770 naar Schijndel uitoefende is niet bekend. Waarschijnlijk had hij hetzelfde beroep als zijn zoon Elias Benjamin (Wolf) van de Waal die vleeshouwer, leerlooier en veehandelaar was. Elias was eind 1827 zo ziek dat te verwachten was, dat hij niet beter zou worden. Drie dagen voor zijn overlijden, op 12 januari 1828, laat hij een testament opmaken.
Na zijn overlijden wordt zijn weduwe, Johanna van Hessen, eigenaresse van de slagerswinkel in de Groote Straat in Elschot. Haar oudste kind was toen 16 jaar en haar jongste kind werd een week na het overlijden van haar man geboren. Haar ongehuwde schoonzusje, Geertruida de Waal, komt bij haar wonen om haar te helpen.
Het slachten van vee gebeurde doorgaans op straat. Het vee werd op een ladder voor het huis gebonden. Omdat het op een gegeven moment de spuigaten uitliep, maakte het stadsbestuur van Eindhoven in 1853 een einde aan deze situatie. Het werd voortaan verboden om “op de openbare wegen en straten of voor de huizen langs deze straten varkens, runderen en kalveren te slachten en op een ladder tegen de huizen te hangen”. Als we dit lezen denken we al gauw dat deze verordening om hygiënische redenen uitgevaardigd werd. Daar dacht men toen nog niet aan. Het was een veiligheidsmaatregel. De voorbijkomende paarden schrokken zo erg van de lijken langs de huizen en de geur van het bloed dat daardoor steeds meer ongelukken met paard en wagen voorkwamen.
Zowel de slager als de veehandelaar waren afhankelijk van de conjunctuur in de landbouw. Deze was tot het midden van de 19e eeuw niet erg gunstig. Veel kleine boerenbedrijfjes balanceerden in deze tijd op de rand van armoede. De aardappelziekte en de roggemisoogsten tussen 1845 en 1849 had een groot gedeelte van de plattelandsbevolking in grote armoede gebracht. Door het aantrekken van de vraag naar landbouw- en veeteeltproducten, in met name Engeland, verbeterde de situatie na 1850. In die tijd was de handel in slachtvee en gebruiksvee op de Brabantse zandgronden “zeer levendig”. Voor de afzet van vee, vlees en zuivelproducten was de boer afhankelijk van boterhandelaren en de opkopers van vee. Een groot gedeelte van die handel was in handen van joden. Eén van die veehandelaren was de kleinzoon van Benjamin Elias Wolf en de oudste zoon van Johanna van Hessen Benjamin Elias van de Waal.
De joden kochten het vee op de boerderij. En bepaalden dat, voor dat de boer betaald werd, de boer zelf het vee naar een bepaalde plaats, bv de boot, moest brengen.
Naast ’s-Hertogenbosch en Eindhoven was Veghel in de tweede helft van de negentiende eeuw een belangrijk centrum van de veehandel. In Veghel en omgeving woonden dan ook veel joodse veehandelaren en slagers. In het verslag van de Kamer van Koophandel uit 1870 staat, dat het mesten van kalveren van jaar tot jaar grotere vormen aanneemt. Het jongvee dat gemest moest worden kocht men in het buitenland. In 1876 vroeg de joodse veehandelaar Monnickendam uit Veghel aan de gemeenteraad of hij hiervoor rundvee uit Pruisen mocht invoeren.
In Schijndel tekenen op 17 januari 1877 de twee kleinkinderen van Benjamin Elias Wolf (Van de Waal), Elias en Hanry bij notaris Jan Gijsbert van Beverwijk een akte waarbij ze een Vennootschap aangaan onder de firmanaam Gebroeders Van de Waal. Ze handelden in vee en leer.
De Brabantse kalvermesters hadden geen keus. Ze moesten wel met de joodse kalverhandelaren in zee gaan, omdat ze vooral de Engelse markt onvoldoende kenden. In de Meierij was de “kalverjood” een bekend begrip. Door hun monopoliepositie konden de handelaren de prijs voor het vee bepalen. Hierdoor werd aan het einde van de 19e eeuw deze handel door de boeren steeds meer verafschuwd. Om deze monopoliepositie te doorbreken werd in 1898 in Veghel de ‘Meierijsche Boerenbond’ opgericht. Het doel van deze bond was, de tussenhandel uit te schakelen en de vetgemeste kalveren voor export naar Engeland rechtstreeks naar de Rotterdamse markt te brengen. Volgens pater Gerlacus van den Elsen doorstond de ‘Meierijsche Boerenbond’ de strijd tegen de knoeierijen in de kalverhandel glansrijk. Doordat in de ‘tachtiger jaren’ van de 19e eeuw in Groot-Brittannië, onder andere door de uitbreiding van de eigen veestapel, geen levende beesten meer mochten worden ingevoerd, gingen de veehandelaren zich toeleggen op de export van vlees. Ook in de Meierij ontstonden exportslachterijen van joodse ondernemers. Bekend zijn de bedrijven van Zwanenberg en Co, opgericht in 1887, en van Hartog, opgericht in 1883. Deze slachterijen, die in Oss gevestigd waren, groeiden in de 20e eeuw uit tot de grootste slachterijen van Nederland. Door de komst van deze exportslachterijen raakten de zelfstandige joodse slagers in de Meierij werkloos. Ze trokken naar de grote stad. Op zoek naar werk. Meestal was het Amsterdam of Rotterdam waar nieuwe industrieën voldoende werkgelegenheid boden.
De joodse gemeenschap bestond niet alleen uit slagers en veehandelaren. Er waren ook joden die met “pak” en “zak” de kost verdienden.
Nadat aan het begin van de 19e eeuw een slager zich in een gemeente had gevestigd, breidde de joodse gemeenschap zich vaak verder uit met handelaren en marskramers. Deze mensen handelden in alles wat er maar te verhandelen viel. Een voorbeeld hiervan is Simon Hartog (na 1811 heette hij Hartogensis) in ’s-Hertogenbosch die aan het begin van de 19e eeuw ongekwalificeerd splitser in de loterij was. Daarnaast was hij koopman in goud, zilver en juwelen en kassier en koopman in tabak. Zijn vrouw Sara Kann had een winkeltje in garen, lint en band en verkocht in de dorpen van de Meierij haar handelswaar langs de deuren. Hun zoon Herodus verkocht loten. Zijn broer Jacob verkocht koperwerk. Andere zaken die door de joden verkocht werden waren: todden, oud ijzer, koper, tin, lood, haar en aardewerk.
In deze tijd hadden de joden in Eindhoven dezelfde beroepsstructuur als in ’s-Hertogenbosch. Van de 20 geregistreerde joden in het ‘Registre Civique” waren 15 joden “fripier” wat wil zeggen dat ze voddenkoopman waren. In 1819 waren onder de 12 joodse patentplichtigen in Eindhoven 11 winkeliers in oude kleren en binnen- en buitenlandse manufacturen. Zij waren ook arm.
Rond het midden van de 19e eeuw worden de economische omstandigheden voor de joden beter. Behalve slager en handelaar gaan ze ook andere beroepen uitoefenen. In de bekeken bevolkingsregisters komt het beroep van schoenmaker, tandarts, fabrikant, ambtenaar, commissionair, brillenslijper, parapluiemaker, kantoorbediende en sigarenmaker ook onder de joden voor.
In ’s-Hertogenbosch waren de meeste commissionairs ooit als verkoper van loten begonnen. Eén van de eerste joodse fabrikanten in ’s-Hertogenbosch was Samuel Jacoba Benjamin uit Amsterdam. Hij woonde samen met zijn vrouw en zoon aan de Waterstraat. In 1843 had hij 8 mensen in dienst. Hij had de grootste sigarenfabriek van ’s-Hertogenbosch.
In Schijndel hebben tegen het midden van de 19e eeuw de drie zoons van Elias Benjamin van de Waal en Johanna van Hessen het beroep van hun vader overgenomen.
Benjamin wordt veehandelaar/leerlooier/vleeshouwer. Barend en Abraham worden beiden leerlooier. In 1847 koopt Johanna van Hessen, ze is dan weduwe van Elias, een huis en erf aan de Hoofdstraat in Schijndel. Dit huis wordt later na een verbouwing ‘De Hoge Jood’ genoemd. Waarschijnlijk is ze daar niet meteen gaan wonen. Opvallend is namelijk, dat in het bevolkingsregister van 1850 vermeld staat dat Johanna van Hessen met vijf van haar kinderen en haar ongehuwde schoonzusje Geertruida nog steeds aan de Groote Straat in Elschot woont. En dat ze daar een slagerswinkel heeft.
Wel worden op 29 maart 1848 de roerende goederen van Johanna van Hessen tijdens een openbare verkoop verkocht. Het brengt ruim f 600,- op. De reden van deze openbare verkoop is niet duidelijk.
Uit het bevolkingsregister van 1860 kunnen we opmaken dat Johanna van Hessen haar winkel in Elschot van de hand heeft gedaan. Op dat moment woont ze bij haar dochter Geertruida en haar twee kinderen. Geertruida is in 1857 weduwe geworden van Hertog Lazar de Jongh. Ze wonen in wijk F 935. Geertruida verdient als koopvrouw de kost.
Haar zoon Benjamin woont met zijn vrouw en elf kinderen bij hen in de buurt op F nr. 965. Dit huis met een erf, tuin, boomgaard, bouw- en weiland huurt hij voor f 210,-- per jaar.
Zoon Barend en Jeanette Seijffers wonen met hun kinderen en een huisonderwijzer in wijk F nr. 917. Dus: Johanna van Hessen met haar dochter Geertruida en haar zonen Benjamin en Barend wonen rond 1850 vlak bij elkaar in wijk F.
In de zomer van 1856 laat Johanna van Hessen bij notaris Van Beverwijk in Schijndel haar testament opmaken.
Na 1850 vond er in een steeds sneller tempo een mechanisering van het productieproces plaats. De huisnijverheid nam af. Door de uitvinding van de stoommachine kon men tot massaproductie overgaan. Door de Vestingwet van 1874 werd ’s-Hertogenbosch als vestingstad opgeheven en werd grond buiten de stadswallen bouwrijp gemaakt. Doordat in Brabant de arbeidskrachten goedkoper waren dan in het westen van het land gingen een aantal joodse fabrikanten zich in deze regio vestigen. Door een malaise in de Leidsche textielindustrie kon de Brabantse textielnijverheid zich ontplooien.
In 1856 kocht de jood Jozef Elias uit Eindhoven uit een nalatenschap een fabriek met een woonhuis. Hij begon hierin een linnenfabriek. Het werd uiteindelijk één van de grootste fabrieken van de provincie. In 1874 werkten hier 120 personen.
Een andere bekende joodse textielfabrikant in Eindhoven was Jacob de Heer. Hij was als sigarenfabrikant begonnen en breidde later zijn bezit met een linnenfabriek uit.
Een andere tak van industrie dat het in die tijd goed deed was de leerlooierij. Door deze leerlooierijen konden zich gemakkelijk schoenenfabrieken ontwikkelen. Centra waren: Loon op Zand, Kaatsheuvel, Waalwijk, Dongen, Oisterwijk en ’s-Hertogenbosch.
In Schijndel waren sinds het begin van de 19e eeuw diverse leden van de familie Van de Waal leerlooier. Eén van hen, Barend, had rond 1870 een leerlooiersbedrijf en schoenenfabriek aan de Hoofdstraat in Schijndel. Barend van de Waal overlijdt op 30 oktober 1873.
Bij zijn begrafenis kwamen de joden van heinde en verre om hem de laatste eer te bewijzen. Hij werd gememoreerd als “een rechtschapen burger en als een ongeveinsd vroom Israëliet die voor zijn godsdienst en zijn onbemiddelde geloofsgenoten veel over had”.
Zoals al in zijn overlijdensadvertentie stond, werd de zaak voortgezet. Op 11 november van dat jaar legde zijn vrouw Jeanette Seijffers in een acte vast, dat haar kinderen Carolina en Maurits onder de firma B. van de Waal handel mochten drijven in huiden, leer en schoenen.
Waarschijnlijk zijn haar andere kinderen het hier niet mee eens geweest want een paar dagen later, op 23 november, werd bij notaris Van Beverwijk door Jeanette Seijffers, en haar kinderen Catharina, Carolina, Elias, Isaäk en Maurits opnieuw een akte ondertekend. Waarbij een vennootschap werd aangegaan voor het handel drijven in huiden en leer, het uitoefenen van een looierij en een schoenenfabriek.
Op 2 juni 1877 werd deze vennootschap ontbonden. Elias stapt uit de zaak en gaat naar Tiel. Isaac en zijn moeder Jeanette Seijffers gaan nu samen een vennootschap aan. Zoon Maurits wordt door zijn moeder gemachtigd haar zaken te behartigen. De zaken bij de firma B. van de Waal gaan waarschijnlijk zo goed, dat er ruimtegebrek ontstaat. In 1878 werd een tweede verdieping op het huis gebouwd. Zo werd het een hoog en smal gebouw van 20 meter diep. Het pand telde 15 kamers en stak ver boven de omringende panden uit.
Rond 1880 was het adres Dorp G 1086 en G 1087. Op nummer 1086 woonde Izaäk met zijn gezin en op nummer 1087 woonde Maurits met zijn vrouw, een dochter, een schoondochter, een paar kleinkinderen en zijn moeder Jeanette Seijffers. Later was dit het adres Hoofdstraat 128. In de volksmond werd dit huis de ‘De Hoge Jood’ genoemd.
Het pand liep niet in een lijn door naar achter. Aan de rechter achterzijde sprong de gevel naar binnen. En aan de linker voorzijde sprong het een meter uit. Het stond aan de zuidzijde van het oude marktplein, pal tegenover het Oude Raadhuis. In de fabriek hadden de gebroeders Van de Waal dus hun leerlooiersbedrijf en schoenenfabriek. Het leer werd in een donkere ruimte bewaard. Op een grote tafel met een leistenen blad werd het leer gesneden. In het waslokaal stonden loodkuipen. De schoenenfabriek en de leerlooierij hebben niet lang bestaan. Doordat er financiële problemen ontstaan werd het besluit genomen de vennootschap te ontbinden. Dit gebeurde op 25 oktober 1885. Zoon Maurits moet de liquidatie regelen. Uiteindelijk kregen Isaac en Maurits ook nog onenigheid over een vordering van f 3.000,-- die Isaac op Maurits had. Het ene na het andere familielid vertrok uit Schijndel om elders werk te zoeken. Isaac ging met zijn gezin naar Wageningen. Behalve Jeanette Seijffers vertrekken daarna de andere bewoners van ‘De Hoge Jood’ naar Amsterdam. Jeanette Seijffers overlijdt op 26 december 1890. Ze heeft geen testament gemaakt. Haar vijf kinderen zijn erfgenaam.
Zij besluiten het herenhuis, het woonhuis met de synagoge, de grote schuur, de leerlooierij, het bouw- en weiland en een perceel dennenbos en heide in het openbaar te verkopen. Alle onroerende goederen waren vrij van hypotheek. De openbare eindverkoping heeft 30 november 1891 ’s middags om 12 uur plaats in het koffiehuis van de weduwe Heesters in Schijndel. De joodse slager Jacob van Dijk koopt voor de Israëlitische gemeente het herenhuis, het woonhuis met de synagoge en de grote schuur voor f 3.000,--. De looierij en het bouw- en weiland worden verkocht aan Mozes Heijman. Het dennenbos en de heide worden door Christiaan Geerkens gekocht. De totale opbrengst was f 5.025,--.
Doordat Maurits in staat van faillissement is verklaard heeft op bevel van de Arrondissementsrechtbank in Den Bosch op 30 maart 1892 de boedelscheiding plaats. Daarbij bleek dat de schulden groter waren dan de inkomsten uit de verkoop van de onroerende goederen.
Na het overlijden van Jacob van Dijk, in 1898, verhuist zijn vrouw Bertha Broekman met haar gezin naar Veghel. Zij was het laatste overgebleven lid van het Israëlitische Kerkgenootschap van Schijndel. Het huis met de synagoge werd verkocht aan schoenmaker Quirinus van Roessel, die in 1900 de synagoge sloopte. In 1941 wordt Leonardus van Roessel eigenaar. Helaas is de ‘Hoge Jood’ de oorlog niet ongeschonden doorgekomen. In 1950 zijn de laatste overblijfselen van het huis opgeruimd. Nu rest nog een stoeptegel bij de ‘Glazen Boerderij’, als herinnering aan ‘De Hoge Jood’ en haar geschiedenis.
De fabriek van de joodse familie Van de Waal was niet de enige schoenenfabriek in de regio dat in joodse handen was. In ’s-Hertogenbosch stond o.a. Van den Bergh’s Stoomschoenfabriek. De oprichter van deze fabriek was de jood Maurits van den Bergh. Hij haalde zelfs meisjes uit Engeland die onder leiding van een Engelse werkmeester leestklare schoenen maakten. Hij had in 1890 200 werknemers in dienst. De gebroeders Ferdinand en Izaak Cahen waren directeur van een papierwarenfabriek en drukkerij. In Oss waren de producenten van margarine, met name de families Van de Bergh en Jurgens actief. Voor de productie van deze ‘kunstboter’ maakten ze gebruik van goedkope arbeidskrachten. Aanvankelijk waren ze elkaars concurrent. Maar in 1927 fuseerden beide firma’s. Van de Bergh en Jurgens groeide uit tot de twee grootste margarineproducenten van de wereld. Uiteindelijk gingen beide bedrijven op in het grote Unileverconcern.
Veel joodse ondernemers bouwden voort op de beroepen die ze van oudsher hadden. Het traditionele joodse beroep van veehandelaar, slager en (boter)handelaar en hun buitenlandse contacten gaf de joodse ondernemers een voorsprong op de rest van de lokale bevolking. Er waren ook joodse ondernemers die het wel aandurfden om zich met voor hen niet traditionele producten bezig te houden.
In Eindhoven woonde aan het einde van de 19e eeuw twee joodse sigarenfabrikanten: Abraham en Jakob van Collem. Een andere sigarenfabrikant was Jacques van Kalker. Hij was in 1889 van Amsterdam naar Eindhoven verhuisd en had samen met Norbert Reuth een sigarenfabriek in Stratum. In ’s-Hertogenbosch is Maurits Azijnman sigarenfabrikant. De fabriek draaide zo goed dat hij in 1898 900 m2 grond aan de Havensingel kocht om een groter fabriekscomplex neer te zetten. Hij was naast fabrikant ook importeur van Havannatabak.
Een bijzondere fabriek in ’s-Hertogenbosch was de capsulefabriek van de jood Falk Lewin. Deze fabriek stond tussen de Zuid-Willemsvaart en de Aa. Een belangrijk deel van de productie werd zelfs naar de Verenigde Staten, Australië en Japan geëxporteerd.
Geconcludeerd kan worden dat aan het einde van de 18e en in het begin van de 19e eeuw de joden overwegend in de handel en de slagerij hun kost verdienden. Door de beperkingen die er aan het begin van de 19e eeuw nog voor joden waren, veranderde aanvankelijk weinig in hun beroepsstructuur. Eerst rond het midden van deze eeuw kiezen de joden ook andere beroepen. Hoewel ze vaak voortbouwden op de beroepen die ze vanouds hadden, hebben ze door het mechanisatieproces de kans gekregen op de economische ladder te stijgen. Hun contacten buiten de regio gaven hen een voorsprong op initiatieven van de lokale bevolking. Een aantal joodse industrieën hebben een grote positieve bijdrage geleverd aan de economische ontwikkeling van de Meierij.
Aan het begin van de 20e eeuw waren er ook nog steeds joden die met hun handelswaar langs de deuren gingen en markten en kermissen bezochten en in lompen en oud ijzer handelden.

De synagoge[bewerken]

Op 26 februari 1814 vaardigde koning Willem I een nieuw besluit uit voor de kerkelijke organisatie van de Israëlieten. Voor Brabant werd ’s-Hertogenbosch de plaats voor de hoofdsynagoge. In 1820 was de officiële indeling van het synagogaal ressort-Noord-Brabant een feit. Er werden 8 ringsynagogen aangewezen. In het gebied van een ringsynagoge werd in diverse plaatsen geregeld godsdienstige bijeenkomsten gehouden. De opperrabbijn bezocht eenmaal per jaar Brabant en bracht verslag uit over het godsdienstig leven, de bereiding van het koosjere voedsel en het onderwijs. Zoals al in de bevolkingstabellen te zien was, neemt het aantal joden in deze regio in de tweede helft van de 19e behoorlijk toe. Er zijn dan voldoende kerkleden en financiën die het mogelijk maken om een nieuwe synagoge te bouwen.
In Schijndel was aan het begin van de negentiende eeuw nog geen zelfstandige joodse kerkelijke gemeente. Sinds 1818 kwamen de joden uit St. Oedenrode, Schijndel, Uden en Veghel bij elkaar in een bijkerk in Veghel. Dat betekende dat ze vanuit Schijndel over zandpaden naar Veghel moesten lopen. Eerst rond 1840 woonden er in Sint-Oedenrode en Schijndel voldoende meerderjarige mannen om een synagogedienst te kunnen beleggen.
Namens hen vroeg Benjamin Elias van de Waal uit Schijndel in 1842 aan de oude kerkvoogd Herodus Hartogensis in ’s-Hertogenbosch, of hij aan de Hoofdcommissie wilde vragen of Sint-Oedenrode een bijkerk kon worden. Hun argument was, de grote afstand naar de synagoge in Veghel. Op 19 augustus 1842 werd de eerste kerkgang in het huis van Jacob van Saxen, aan de Heuvel, gehouden. De joden in Veghel waren hier niet blij mee, omdat daardoor bij hen het aantal leden terugliep. Ondanks de bezwaren die Veghel bij de Hoofdcommissie inbracht, kreeg men in Sint-Oedenrode toch jaarlijks een vergunning om een kerkgang te houden. In 1849 werd aan de Hoofdcommissie om een erkenning als bijkerk gevraagd.
Pas in 1855 besloot de hoofdcommissie om Sint-Oedenrode als bijkerk aan de Minister van Binnenlandse zaken voor te dragen. Bij Koninklijk Besluit van 25 juni van dat jaar werd Sint-Oedenrode een bijkerk onder de ringsynagoge van ’s-Hertogenbosch. Het aantal joden bleef stijgen. Ook omdat de joden uit Schijndel nog steeds in Sint-Oedenrode naar de synagoge gingen. De zolderruimte bij Jacob van Saxen werd langzamerhand te klein voor de 60 kerkleden. De behoefte aan een eigen synagoge groeide. Besloten werd, om samen met de joden uit Schijndel, een nieuwe synagoge te bouwen. De kerkmeesters kochten alvast een huis met de bijbehorende tuinen aan De Dijk voor f 570, --. Het pand lag tegenover huize ‘De Kolk’. Er werd een fonds gevormd om de benodigde gelden bij elkaar te brengen. Door het uitblijven van subsidies zat er na vijf jaar nog steeds te weinig geld in dit fonds. De bouwkosten, incl. eenvoudig meubilair, werden begroot op f 2.600, --. Ds. Oosterzee uit Oirschot trok zich het lot van de joden aan en bood zijn hulp aan. Hij benaderde de rijke joden in Amsterdam met de vraag of ze een bedrag wilden schenken. Bij de Hoofdcommissie vroeg hij een subsidie aan. Op 16 november 1865 nam Koning Willem III het officiële besluit de eerste termijn van de subsidie toe te kennen. Ze zullen blij geweest zijn met het bericht dat de subsidie verleend werd. Met het geld van de donaties, de toegezegde subsidie, de opbrengst van de afbraak van de twee huisjes, het geld in de kas en een renteloze lening, was er voldoende geld aanwezig om met de bouw te starten. De Commissaris van de Koning moest het bestek en de begroting goedkeuren. In januari 1866 worden beide zaken bij de Commissaris van de Koning ingediend. De hoofdingenieur van Rijkswaterstaat moest het beoordelen. Hij maakte nogal wat opmerkingen over het ontwerp. Bovendien zat de aanvraag vol spelfouten. In maart van datzelfde jaar werd een gewijzigd bestek met een begroting en een tekening ingediend. Dit wordt goedgekeurd. Op 11 april 1866 vond de aanbesteding plaats.
De bouw kan beginnen. Op 24 mei 1866 legden de kerkmeesters Jacob Van Saxen uit Sint-Oedenrode en Barend van de Waal uit Schijndel de eerste steen. Deze steen is als herinnering aan de synagoge die er ooit stond, ingemetseld in het nieuwe appartementencomplex aan de Borchmolendijk in Sint-Oedenrode. De bouw verliep voorspoedig. Nog datzelfde jaar, op 7 december 1866, had de plechtige inwijding plaats. Dat was in 2016 dus 150 jaar geleden. Het was een groot en imposant gebouw, waarschijnlijk op de groei gebouwd.
Rond 1868 kregen de joden in Schijndel, die voornamelijk uit leden van de familie Van de Waal bestonden, steeds meer behoefte aan een eigen synagoge. Barend van de Waal liet aan de achterzijde van zijn huis een nieuw kerkgebouw met een kerkelijk bad maken. Het gebouw was voorzien van een inrichting dat nodig was voor het houden van hun bijeenkomsten. Op 20 augustus 1871 ondertekenen 8 leden van de familie Van de Waal een brief aan de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Ned. Israëlitisch Kerkgenootschap met het verzoek om als bijkerk erkend te worden. De synagoge voldeed aan alle eisen en was bovendien schuldenvrij. Barend van de Waal was tot kerkmeester benoemd.
Er werd een reglement opgesteld waarin staat wie er lid van de Israëlitische gemeente kan worden. Nadat de joden in Schijndel toestemming kregen een bijkerk te mogen worden wordt op 11 september 1871 de synagoge plechtig ingewijd.
Om 11 uur ’s morgens werden, onder bazuingeschal, de Thora (de heilige wetsrollen) binnengedragen. Daarna werden, zoals gebruikelijk, de zeven omgangen gemaakt. Opperrabbijn Lehman uit Nijmegen sprak een feestelijke leerrede uit. Op zaterdagavond zat de synagoge “eivol zowel van dames als heren om de godsdienstoefening bij te wonen” stond in het Nieuw Israëlitisch Weekblad. Daarna volgde een “zeer geanimeerd bal”.
Uit dit alles blijkt, dat de joden in het onderzoeksgebied, ondanks hun kleine aantal, gehecht bleven aan hun eigen cultuur. Voor het beleven van hun cultuur was het hebben van een eigen kerkgang, daarna een bijkerk en nog weer later een synagoge van grote betekenis. Hoe klein de joodse gemeenschap ook was. Kosten nog moeite werden gespaard om dit te realiseren.

De Joodse begraafplaats in Schijndel[bewerken]

Op een kaart uit 1750 is te zien hoe groot het heidegebied tussen Schijndel en Sint-Oedenrode in die tijd was. Bij de markering ‘Hoog Hekken’ werd later de joodse begraafplaats aangelegd. Sinds wanneer deze begraafplaats werd gebruikt is niet bekend. Wel is in het jaarverslag van de gemeente Schijndel uit 1851 te lezen dat deze begraafplaats “sinds mensenheugenis” op de grens tussen Schijndel en Sint-Oedenrode ligt. Het ligt nu tussen de wijken Hoevenbraak en Hulzebraak. Op deze begraafplaats werden de joden van Veghel, Uden, Sint-Oedenrode en Schijndel begraven. Bij het vaststellen van de kadastrale kaarten in 1828 wordt de joodse begraafplaats voor het eerst genoemd. Met een grenswijziging in 1875 werd de begraafplaats vergroot en kwam de hele begraafplaats door een grenscorrectie op het grondgebied van Schijndel te liggen. Tegelijkertijd werd een gedeelte afgescheiden voor de nabestaanden van de familie Van de Waal. Achteraan op de begraafplaats zijn tegen de muur 13 leden van de familie Van de Waal begraven. Ook als ze elders woonden, werden ze nog vaak op deze begraafplaats begraven.
Waarschijnlijk is de stamvader van de familie Van de Waal, Benjamin Elias van de Waal hier in 1811 begraven. Helaas is de grafsteen niet meer aanwezig. De oudste steen dateert uit 1823. De kerkmeester van Schijndel was “toezigter en verzorger van alle kerkhofaangelegenheden”. Met enige regelmaat hadden de joden uit de vier dorpen onderling ruzie. In 1859 beklaagde de kerkmeester uit Schijndel zich bij de Hoofdcommissie in ’s-Hertogenbosch. Er waren joden uit een naburige joodse gemeente die alle “wereldlijke en geestelijke wetten” overtraden. Hij schreef: “Onlangs kregen wij ’s avonds ten 10 ure berigt dat voor den anderen dag ’s morgens ten 9 uure van Vegchel een lijk ter aarde besteld zou worden”. Voor één van de gebroeders Van de Waal betekende dit, dat ze naar Wijbosch moesten gaan om het hek voor de toegang tot de begraafplaats open te maken en de plek van het graf te wijzen. Hoewel de kerkmeester op tijd aanwezig was, zag hij tot zijn stomme verbazing dat twee Israëlieten uit Veghel bezig waren om een graf te delven. En nog wel op een verkeerde plaats. Terwijl ze geen sleutel hadden om het hek van de begraafplaats open te maken. Kerkmeester Van de Waal schreef naar de Hoofdcommissie in Den Bosch: “Het Mes (stoffelijk overschot) wilde men de laatste eer bewijzen door er mede over een sloot te springen, een kuil te maken en het er in te stoppen. Ziet deze gruweldaad is onder ons gepasseerd.” De kerkmeesters uit Schijndel zagen de begraafplaats min of meer als hun eigendom. Joden van elders moesten betalen om begraven te worden. Het kwam zelfs voor, dat de kerkmeester in Schijndel een dode, uit een andere gemeente, om wat voor reden dan ook, niet wilde begraven. Terwijl de begrafenisstoet al voor de ingang stond. Dat zorgde voor de nodige onderlinge frustratie. Zeker als men bv. vanuit Uden al enige uren, al lopend of met een rijtuig, onderweg was geweest. De kerkmeesters van Veghel klaagden regelmatig bij de Hoofdcommissie in Den Bosch over het gedrag van de kerkmeesters van Schijndel. En zo klaagden ze over elkaar. Met enige regelmaat werden de grafzerken op de begraafplaats vernield. Een poging in 1912 door de joden uit Veghel om de begraafplaats te ommuren liep door een gebrek aan financiën op niets uit. Nadat in 1923 weer graven vernield waren, kwamen een aantal joden uit Veghel, Uden en Sint-Oedenrode bij elkaar om opnieuw de ommuring van de begraafplaats te bespreken. Weer was het beschikbare geld onvoldoende. Met een loterij hoopte men dit probleem op te lossen. Helaas viel de opbrengst tegen. Doordat de drie joodse gemeenschappen in de loop van de jaren steeds kleiner waren geworden, was er zelfs nauwelijks geld om de begraafplaats te onderhouden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden veel grafstenen, doordat ze als schietschijf gebruikt werden, vernield. Na het opheffen van de joodse gemeente in Veghel kwam de begraafplaats in handen van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap in Amsterdam. Zij zorgden ervoor dat er een stevige muur en een toegangspoort kwam.

Onderwijs[bewerken]

Voor de joden is het volgen van onderwijs belangrijk. Daarom wilden het Gouvernement en de liberale joden, na 1796, het onderwijs gebruiken om de joden te emanciperen en in de niet-joodse samenleving te integreren.
Als het mogelijk zou zijn geweest, had men het liefst alle joodse kinderen verplicht om naar de openbare school te gaan. De meeste joden voelden hier niet voor. Bij hen stond het godsdienstonderwijs centraal, aangevuld met algemene vakken. Het was voor hen gunstig dat ze geen rekening hoefden te houden met de Onderwijswet van 1806. Men kon de joodse ouders immers niet verplichten hun kinderen te laten onderwijzen in de ‘algemeen christelijke deugden’. Aan de andere kant waren de ouders van de leerlingen van de openbare scholen vaak ook niet blij met de komst van joodse kinderen.
Uit een onderzoek uit 1816, naar de kwaliteit van het onderwijs op de joodse scholen bleek, dat veel scholen in een verwaarloosde staat verkeerden. Het peil van het onderwijs was, in vergelijking van andere scholen, laag. Op een groot aantal joodse scholen werd Jiddisch gesproken. Van de onderwijsinspectie moest dit direct worden afgeschaft.
Een commissie kreeg daarna de opdracht ervoor te zorgen dat voortaan de kinderen op de joodse school alleen godsdienstig onderwijs kregen. En dat ze voor het maatschappelijk onderwijs naar de stadsarmenschool gingen. Als er geen school in de buurt was, moest de joodse school behalve godsdienstlessen ook alle andere vakken aan het lesprogramma toevoegen. Deze scholen werden voortaan met het openbaar onderwijs gelijkgesteld.
De kosten van dit onderwijs en het onderhoud van deze scholen kwam voor rekening van de gemeente. Met deze maatregelen kreeg de overheid “greep” op de kwaliteit van het onderwijs op de “jodenscholen”. Over de joodse scholen in deze regio zijn weinig gegevens bewaard gebleven. In ’s-Hertogenbosch was aan het begin van de 19e eeuw een joodse school waar alleen godsdienstonderwijs gegeven werd. Deze school stond bij de synagoge achter de Mortel. In 1825 zaten er 11 jongens en 6 meisjes op deze school. Rijke ouders stuurden hun kinderen naar een joodse particuliere school of namen een joodse huisonderwijzer in dienst. Voor het maatschappelijk onderwijs moesten de kinderen naar de stadsscholen. Daar werd nauwelijks gebruik van gemaakt. In 1853 constateerde Opperrabbijn Lehman tijdens een inspectie dat het onderwijspeil de laatste jaren weer gedaald was. De kinderen van welgestelde joodse ouders gingen voor het vervolgonderwijs naar de Latijnse school en het Stedelijk gymnasium. Als hun ouders de kosten van de H.B.S niet konden betalen was het mogelijk een beurs aan te vragen bij Loge van de Vrijmetselarij.
In Schijndel maakte de familie Van de Waal gebruik van huisonderwijzers. Hun kinderen kregen waarschijnlijk les in het huis van Barend van de Waal. Later werd er bij de synagoge een school voor deze kinderen ingericht. In 1855 plaatst Barend van de Waal een advertentie in het Israëlitisch Weekblad voor een onderwijzer die zowel godsdienstig als maatschappelijk onderwijs aan 6 à 7 joodse kinderen kon geven. Hieruit kunnen we opmaken dat de joodse kinderen in Schijndel niet naar een openbare school gingen. In dezelfde advertentie wordt een meid gevraagd van joodse afkomst. Vooral dat laatste geeft aan dat ze niet erg in de Schijndelse gemeenschap geïntegreerd waren. Wie toen is benoemd is niet bekend. In ieder geval woont in 1860 de 22-jarge Salomon David Nias bij Barend van de Waal in huis. Na hem kwam meester Cohen. Na zijn overlijden zette Barend van de Waal op 4 maart 1870 opnieuw een advertentie in het Nieuw Israëlitisch Weekblad.
Hij vroeg een onderwijzer die in het Frans les kon geven omdat zijn vier kinderen al anderhalf jaar in het Frans les gehad hadden. Dat is wel heel opvallend. Dit geeft aan dat de leden van de familie Van de Waal tot de bovenlaag van de samenleving behoorde. In die kringen sprak men in die tijd Frans onder elkaar.
In Eindhoven valt uit brieven van de gemeenteraad aan de joodse gemeente op te maken dat er in 1813 een ‘jodenmeester’ in de stad woonde. In 1816 gaf hij aan 19 jongens en 14 meisjes les. Net als in ‘s-Hertogenbosch liet het onderwijspeil op deze joodse school te wensen over. Ook in Eindhoven was het een gaan en komen van joodse godsdienstonderwijzers. Voor het gewone onderwijs gingen de kinderen naar de openbare school waar het grootste gedeelte van de leerlingen en onderwijzers katholiek was. Rond 1875 werd daarom door een groep niet-katholieken het ‘Departement tot Nut van ’t Algemeen’ opgericht met het doel een bijzondere school te stichten. Aanvankelijk was het een meisjesschool. Later werden ook jongens toegelaten. Er gingen veel joodse kinderen naar deze school. Om de Sabbat te kunnen vieren werd op verzoek van de orthodoxe joden het lesprogramma aangepast. Voortaan werd op zaterdag, de sabbat, geen lesgegeven. Daardoor werd de school al gauw een ‘jodenschool’ genoemd. Vooral aan het einde van de 19e eeuw was er steeds meer behoefte aan goed vervolgonderwijs. Bij de totstandkoming van de openbare H.B.S. in Eindhoven hebben de joden een belangrijke rol gespeeld. Een rekest aan het gemeentebestuur over deze zaak in 1906 werd door 221 personen waaronder 44 joden ondertekend. In 1910 werd de nieuwe H.B.S. geopend.
Door de katholieken werd de invloed van de joden in de school met gemengde gevoelens bekeken. Met het hoofdartikel ‘De Heilige Kring deel III. De school en de woeker’ in het Noordbrabants Dagblad uit 1893 zag een zekere meneer van Ros het als zijn taak de lezers voor de invloed van de joden te waarschuwen. Citaat: “Terwijl de jood de Christen weert uit de Joodsche scholen, verlangt hij van zijn kant niet slechts tot de christelijke school toegelaten te worden, maar ook dat in die christelijke scholen zijn nationale religie geëerbiedigd, ja bovenal toongevend zij! Daarom heeft het Jodendom in de grotere steden, de verwijdering van de christelijke symbolen uit de christelijke scholen doorgezet: dit geschiedde, op dat de Joodse scholieren daar niet door gekrenkt mochten worden!”
Een eindje verderop in zijn artikel schreef Van Ros over de woeker het volgende: “Nu zijn in onze dagen plotseling die slagbomen (uitzonderingswetten) gevallen en in minder dan 50 jaar is het roofzuchtig, plunderend Nomadendom der Joden tot volle levenskracht gewassen! Onze joden zijn tafelschuimers onder de Christelijke volkeren geworden”.
Zowel in ’s-Hertogenbosch als in Eindhoven werd door het gemeentebestuur nauwlettend op toegezien dat de joden, in vergelijking met de andere burgers in de stad, niet benadeeld maar ook niet bevoordeeld werden. In ’s-Hertogenbosch probeerde het gemeentebestuur door middel van het onderwijs de sociale positie van de joden te verbeteren door hen op stadsscholen toe te laten. Maar de joden gaven er de voorkeur aan, hoewel ze niet aan de vereiste kwaliteit konden voldoen, een eigen school in stand te houden. Tegen het einde van de negentiende eeuw was het, gelet op de geciteerde krantenartikelen klaarblijkelijk geaccepteerd anti-Joodse gevoelens te hebben.

Openbaar bestuur, deelname aan niet-joodse clubs en verenigingen[bewerken]

Bij het onderzoek of de joden in onze regio in de eerste helft van de 19e eeuw deelnamen aan het openbaar bestuur of lid waren van een niet-joodse club of vereniging werden geen joden aangetroffen. De vraag is, of ze hier geen belangstelling voor hadden of dat ze niet geaccepteerd werden.
Eerst rond het midden van de 19e eeuw worden de eerste joden lid van een niet-joodse vereniging of commissie. In ’s-Hertogenbosch werd bankier Jacob Kann in 1858 penningmeester van de stedelijke schoolcommissie. Tien jaar later trof men in een almanak uit 1862 nog meer joden in openbare bestuurlijke functies aan:
- Het eerste joodse gemeenteraadslid in ’s-Hertogenbosch was: advocaat Pinkhof Mozes Schlezinger. Hij werd in 1867 op 32-jarige leeftijd tot gemeenteraadslid beëdigd. Hij was advocaat aan het Provinciaal Hof en de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch. Bestuurslid van de Godshuizen, ondervoorzitter bij de ‘Scherpschuttersvereniging Eendracht maakt macht’, lid van het Broederschap St. Lucas en plaatsvervangend lid van de militieraad bij de Nationale militie district ’s-Hertogenbosch. In zijn korte leven bekleedde hij vele functies. Hij overleed in 1882 op 46-jarige leeftijd.
- Het tweede joodse gemeenteraadslid was de schoenfabrikant Maurits van den Bergh. Ondanks een, zoals het in het gemeenteraadsverslag staat “openlijke tegenwerking van een bepaalde kant” werd hij in 1891 beëdigd. Tot aan zijn overlijden in 1906 werd hij steeds herkozen. Hij was een gezien persoon. Op 31 augustus 1901 werd hij benoemd tot Ridder in de orde van Oranje-Nassau. Duidelijk is, dat degenen die buiten hun joodse kring bestuursfuncties kregen tot de bovenlaag van de joodse gemeenschap behoorden.
Dat gold ook voor deelname aan niet-joodse clubs en verenigingen. Bankier Jacob Kann, Advocaat Mozes Schlezinger, de capsulefabrikant Falk Lewin, de schoenfabrikant Maurits van den Bergh, schoenfabrikant Emanuel de Jong en Abraham Hartogensis waren lid van de Maatschappij tot ’t Nut van het Algemeen. Dit was een trefpunt voor zowel de rooms-katholieken, de protestanten als de joden. Een ander trefpunt waar joden lid van waren was de ‘Koninklijke Scherpschuttersvereniging ter bevordering van Neerlands Weerbaarheid’. De oudste Bossche sociëteit ‘De Harmonie’ had ook joodse leden. Hier konden de leden kranten en buitenlandse tijdschriften lezen, kaarten of biljarten. Uit dit alles kunnen we de conclusie trekken dat in ’s-Hertogenbosch in de 2e helft van de 19e eeuw de joden geen strobreed in de weg gelegd werd om een bestuurlijke functie te bekleden of lid te worden van een vereniging.
De vraag is of dit ook voor de joden in Eindhoven gold. Opvallend is, dat tijdens de gehele 19e eeuw geen joden lid van de gemeenteraad geweest zijn. Wel waren leden van de joodse familie De Heer lid van de sociëteit ‘Concordia’. Het was aanvankelijk een sociëteit voor katholieken, protestanten en joden. Op den duur waren er alleen nog de katholieken lid van deze sociëteit. In Eindhoven waren de joden niet bij alle verenigingen welkom. Bij het Harmoniegezelschap ‘Musis Sacrum’ werden de joden, aan het begin van de 20e eeuw, geweerd. Toen L. de Winter in 1906 lid wilde worden kreeg hij te horen dat er geen joden meer als lid werden aangenomen.
In Schijndel zijn, voor zover kon worden nagegaan, geen joden in clubs en verenigingen aangetroffen.

Uitgaand van de definitie van assimilatie komt men tot de volgende conclusie:
Met de burgerlijke gelijkstelling van 1796 kwam voor de joden een einde aan de rechtsongelijkheid. Hoewel de joden in economisch en religieus opzicht aangewezen waren op goede contacten met hun niet-joodse omgeving kwam het proces van integratie maar traag op gang. De oorzaak was:
- De maar zeer langzaam verdwijnende gereserveerde houding van de niet-joodse bevolking
- De zwakte van de eigen groep.
- Hun eigen identiteitsstreven, het huwelijk binnen eigen kring en hun kerkelijk leven

In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden er door moderne ontwikkelingen meer mogelijkheden om te integreren. Bij het industrialisatieproces waren veel joodse ondernemers betrokken. Er waren voor de joden geen belemmeringen meer om deel te nemen aan het openbaar bestuur en lid te worden van clubs en verenigingen. Met name de bovenlaag van de joodse bevolking maakte daar gebruik van. Hoewel de joden in economisch en religieus opzicht aangewezen waren op goede contacten met hun niet-joodse omgeving was door het vasthouden aan hun eigen identiteit, aan het begin van de 20e eeuw, nog geen sprake van een volledige assimilatie van de joodse bevolkingsgroep. Dat gold ook voor de joden in Schijndel.
Het verschil tussen de joodse en christelijke traditie veroorzaakte regelmatig irritatie aan beide zijden. En naar mate de contacten van de joden met niet-joodse omgeving steeds intensiever werden, ontwikkelde zich sluimerend bij deze en gene het antisemitisme. Zoals ook uit het krantenartikel van de Nieuwe Tilburgse Courant van mei 1893 blijkt.
Waarin staat: “De stroom van antisemitisme is dan ook de grenzen van ons vaderland reeds binnengedrongen en beperkt zich voorlopig nog tot de zuidelijke provinciën……”.
Wat dit voor de joodse bevolkingsgroep in de Tweede Wereldoorlog voor gevolgen heeft gehad is bekend. Tegen de muur aan de achterzijde van de joodse begraafplaats in Schijndel staat een monument ter nagedachtenis van de joden, die oorspronkelijk uit Schijndel, Veghel, Uden en Sint-Oedenrode kwamen en in de jaren 1942 en 1943 zijn weggevoerd naar de vernietigingskampen en niet meer terugkwamen.